ECLI:NL:PHR:2011:BR2045
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nietigheid van beding in huurovereenkomst over schadeloosstelling bij onteigening
In deze zaak staat een geschil centraal over de uitleg en geldigheid van een beding in een huurovereenkomst bedrijfsonroerend goed uit 1997, waarbij verhuurder en huurder afspraken maakten over schadeloosstelling bij onteigening van het gehuurde perceel met boomgaard.
De huurder, die sinds 1997 het perceel in gebruik had, maakte aanspraak op schadeloosstelling van de Staat na onteigening. De verhuurder stelde dat op grond van een beding in de overeenkomst de huurder geen recht had op schadeloosstelling en dat de huurder de ontvangen schadeloosstelling aan hem moest afstaan. Dit beding werd door het hof in hoger beroep ambtshalve aan de orde gesteld en als nietig of vernietigbaar beoordeeld, mede gelet op het dwingendrechtelijke karakter van de pachtwetgeving en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
De Hoge Raad overweegt dat het hof ten onrechte buiten de grenzen van de rechtsstrijd trad door ambtshalve het verweer van nietigheid van het beding te aanvaarden, omdat dit verweer niet in het verlengde lag van het reeds gevoerde debat en geen uitzondering op de goede procesorde van toepassing was. Tevens wordt besproken dat het beding strijdig is met dwingendrechtelijke bepalingen van het pachtrecht, die de pachter beschermen tegen het afstaan van schadeloosstellingen aan de verpachter, en dat deze bepalingen super-dwingend zijn en van openbare orde. De Hoge Raad concludeert dat het beding nietig is en dat het hof dit ambtshalve had mogen toepassen indien het binnen de grenzen van de rechtsstrijd was gebleven.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het cassatieberoep wordt verworpen omdat de uitkomst van het hof juist is, hoewel de weg ernaartoe onjuist was. De zaak betreft complexe procesrechtelijke en materiële vragen over de grenzen van ambtshalve aanvulling van rechtsgronden en de bescherming van pachters bij onteigening.
Uitkomst: Het beding in de huurovereenkomst dat verhuurder bij onteigening geen schadeloosstelling aan huurder verschuldigd is, is nietig; het hof heeft dit terecht geoordeeld maar onterecht ambtshalve het verweer aanvaard buiten de grenzen van de rechtsstrijd.