ECLI:NL:GHARN:2010:BL0668
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vordering verpachter tot schadeloosstelling pachter bij onteigening
In deze civiele procedure stond centraal de vraag of een beding in de pachtovereenkomst, dat de pachter verplicht om bij onteigening de ontvangen schadeloosstelling aan de verpachter af te staan, rechtsgeldig is. Het hof heeft in een tussenarrest reeds aangegeven dat een dergelijk beding nietig of vernietigbaar is.
De appellant, de verpachter, voerde aan dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd was getreden en dat het beding geldig was. Tevens stelde hij dat de bevoegdheid tot vernietiging was verjaard. Het hof oordeelde dat de vraag binnen de rechtsstrijd viel en dat het ambtshalve toetsen van het beding geoorloofd was, mede vanwege het dwingendrechtelijke karakter van de wettelijke bepalingen. De vernietiging was niet verjaard omdat deze werd ingeroepen ter afwering van een op een rechtshandeling steunende vordering.
Uiteindelijk concludeerde het hof dat de vorderingen van de verpachter niet toewijsbaar waren en bekrachtigde het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank ’s-Gravenhage. De appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het arrest werd uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 19 januari 2010.
Uitkomst: De vordering van de verpachter tot schadeloosstelling werd afgewezen en het vonnis van de pachtkamer werd bekrachtigd.