ECLI:NL:PHR:2011:BQ4275
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest wegens ontbreken van motivering bij afwijken van uitdrukkelijk onderbouwd verweer en onvoldoende steunbewijs
In deze strafzaak werd verdachte door het hof veroordeeld wegens het wederrechtelijk dwingen van een ander iets te dulden, namelijk het zoenen van het slachtoffer op de mond. De bewezenverklaring berustte op de verklaring van het slachtoffer en drie getuigen die echter alleen verklaringen van horen zeggen (de auditu verklaringen) aflegden. De verdediging voerde aan dat de verklaringen onvoldoende betrouwbaar waren en dat het bewijs niet voldeed aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv, omdat er geen onafhankelijke getuigen waren en de verklaringen van de getuigen niet overeenkwamen met die van het slachtoffer.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof in strijd met artikel 359, tweede lid, Sv is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging zonder de redenen daarvan te motiveren, wat nietigheid tot gevolg heeft. Daarnaast is het bewijs onvoldoende omdat de verklaring van het slachtoffer niet voldoende wordt ondersteund door andere onafhankelijke bewijsmiddelen, en de getuigenverklaringen slechts auditu verklaringen zijn die niet als steunbewijs kunnen dienen. Ook is de timing en de context van de aangifte twijfelachtig, mede door mogelijke beïnvloeding door het stadsdeel en de relatie tussen partijen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Er is geen sprake van een bewezenverklaring die voldoet aan het bewijsminimum, zodat vrijspraak moet volgen indien het hof niet anders oordeelt. De zaak wordt op basis van het bestaande dossier opnieuw behandeld.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens gebrek aan motivering en onvoldoende steunbewijs; de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.