ECLI:NL:PHR:2008:BD2566
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en vermindering van ontnemingsbedrag bij medeplegen van oplichting
In deze zaak gaat het om de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde uit medeplegen van oplichting van een benadeelde partij. Het hof had het voordeel vastgesteld op €141.458,- en de veroordeelde verplicht tot betaling van dit bedrag aan de Staat. De verdediging voerde aan dat het voordeel verdeeld moest worden met een mededader en dat rekening gehouden moest worden met de aan de benadeelde partij toegekende schadevergoeding.
Het hof oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was dat de mededader de helft van het voordeel had ontvangen en sloot aan bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van betalingen aan de veroordeelde en zijn dochter. Daarnaast werd geoordeeld dat de schadevergoeding aan de benadeelde partij niet in mindering kon worden gebracht zolang het cassatieberoep daartegen niet was beslist.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof de schatting van het voordeel voldoende heeft gemotiveerd en dat de draagkracht van de veroordeelde voor matiging van het bedrag in de executiefase aan de orde is. De Hoge Raad acht vermindering van het ontnemingsbedrag met de toegekende schadevergoeding mogelijk en praktisch, en bepaalt het ontnemingsbedrag op €101.458,-. Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het ontnemingsbedrag wordt vastgesteld op €101.458,- met verwerping van het cassatieberoep voor het overige.