ECLI:NL:HR:2000:AA5438
Hoge Raad
- Cassatie
- W.E. Haak
- C.J.G. Bleichrodt
- G.J.M. Corstens
- A.M.M. Orie
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert ontnemingsbedrag en vervangende hechtenis wegens overschrijding redelijke termijn
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 11 april 2000 uitspraak gedaan over een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De betrokkene was veroordeeld tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel en subsidiair vervangende hechtenis. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag en de duur van de vervangende hechtenis.
De Hoge Raad constateert dat de behandeling van de zaak niet binnen de redelijke termijn van art. 6 EVRM Pro heeft plaatsgevonden, omdat tussen het instellen van het cassatieberoep en ontvangst van de stukken bijna 11 maanden zijn verstreken, zonder bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen. Hierdoor is de redelijke termijn overschreden, wat leidt tot vermindering van de opgelegde sancties.
Voorts oordeelt de Hoge Raad dat het hof ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een onherroepelijke schadevergoedingsvordering van de benadeelde partij, maar dat dit niet tot verdere vermindering leidt omdat het hof niet op de hoogte was van de onherroepelijkheid. De Hoge Raad vermindert het te betalen bedrag tot ƒ 11.250,-- en de vervangende hechtenis tot 95 dagen, en verwerpt het beroep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het ontnemingsbedrag tot ƒ 11.250,-- en de vervangende hechtenis tot 95 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.