ECLI:NL:PHR:2007:BB9666
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging voorlopige machtiging opname psychiatrisch ziekenhuis wegens schending hoorplicht
De zaak betreft een verzoek tot voorlopige machtiging voor opname van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). De rechtbank Maastricht verleende op 8 augustus 2007 de machtiging zonder betrokkene zelf te horen, omdat zij niet aanwezig was ondanks mondelinge mededeling van tijd en plaats aan betrokkene via familie.
Betrokkene was niet opgeroepen per aangetekende brief of op een andere formele wijze, en de rechtbank motiveerde onvoldoende waarom zij oordeelde dat betrokkene niet bereid was zich te laten horen. De raadsvrouwe had betrokkene niet gesproken en vond een oproeping overbodig vanwege haar zwerfgedrag, maar dit ontslaat de rechtbank niet van haar onderzoeksplicht.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank de hoorplicht uit art. 8 lid 1 Wet Pro Bopz heeft geschonden door niet vast te stellen dat betrokkene naar behoren was opgeroepen en onvoldoende te motiveren waarom zij niet bereid zou zijn zich te laten horen. De beschikking wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar de rechtbank Maastricht voor een nieuwe beslissing met inachtneming van de hoorplicht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug vanwege schending van de hoorplicht en onvoldoende motivering.