Art. 2 lid 2 Wet BopzArt. 8 lid 1 Wet BopzArt. 261 RvArt. 272-276 RvArt. 426a Rv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing voorlopige machtiging tot opname in psychiatrisch ziekenhuis wegens onvoldoende gevaarvaststelling
Op 15 december 2009 verzocht de officier van justitie de rechtbank Rotterdam om een voorlopige machtiging tot opname en verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. Betrokkene verscheen niet bij de zittingen, maar zijn advocaat en behandelend arts wel. De rechtbank wees het verzoek af omdat niet was komen vast te staan dat het gevaar dat betrokkene voor zichzelf of anderen vormt, niet anders kan worden afgewend dan door opname in een psychiatrisch ziekenhuis. Tevens kon niet worden vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te laten horen, een fundamenteel recht.
De Hoge Raad overwoog dat de rechtbank terecht oordeelde dat de geneeskundige verklaring onvoldoende onderbouwing bood dat het gevaar niet buiten een psychiatrisch ziekenhuis kon worden afgewend. De rechtbank hoefde niet eigener beweging aan te geven welke alternatieven nog niet waren geprobeerd. Ook de klacht dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom het gevaar niet anders kon worden afgewend, faalde omdat het gevaar niet acuut was en er nog ruimte was voor ambulante hulp.
Ten aanzien van de hoorplicht stelde de Hoge Raad vast dat de rechtbank niet kon vaststellen dat betrokkene niet bereid was zich te laten horen. Hoewel betrokkene niet verscheen, was niet duidelijk of hij op de juiste wijze was opgeroepen. De rechtbank had daarom slechts kunnen besluiten tot aanhouding of afwijzing van het verzoek. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de afwijzing van de voorlopige machtiging.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de afwijzing van het verzoek tot voorlopige machtiging tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis.
Conclusie
10/02255
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 13 juli 2010
Conclusie inzake:
Officier van Justitie te Rotterdam
tegen
[Betrokkene]
Het cassatiemiddel in deze Bopz-zaak gaat over de vraag of het gevaar anders dan door een gedwongen opneming kan worden afgewend. Daarnaast is de procedurele vraag aan de orde of betrokkene niet bereid is zich te laten horen door de rechtbank.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. Op 15 december 2009 heeft de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen tot opneming en verblijf van gerekestreerde in cassatie(1) in een psychiatrisch ziekenhuis. Bij dit verzoek was een geneeskundige verklaring gevoegd van een niet bij de behandeling betrokken psychiater die betrokkene heeft onderzocht(2).
1.2. De rechtbank heeft de mondelinge behandeling bepaald op 31 december 2009 in het psychiatrisch ziekenhuis. Omdat betrokkene daar niet (meer) aanwezig was, heeft de rechtbank een nieuwe datum bepaald. De behandeling is hervat op 2 februari 2010 in het gerechtsgebouw, waar de behandelend arts, een maatschappelijk werkster en de advocaat van betrokkene zijn verschenen. Betrokkene zelf is niet verschenen. De rechtbank heeft de behandeling nogmaals aangehouden; volgens de rechtbank zou de advocaat trachten via de gemeentelijke sociale dienst contact met betrokkene in contact te komen(3).
1.3. Op 2 maart 2010 heeft de rechtbank de behandeling hervat. Ook ditmaal zijn de behandelend arts, een maatschappelijk werkster en de advocaat van betrokkene verschenen. Betrokkene zelf is niet verschenen(4).
1.4. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank het verzoek afgewezen op twee zelfstandige gronden. De rechtbank overwoog:
"Niet is komen vast te staan dat het gevaar dat betrokkene voor zichzelf en/of anderen veroorzaakt, niet anders kan worden afgewend dan door opneming in een psychiatrisch ziekenhuis. Bovendien is niet kunnen worden vastgesteld dat betrokkene niet gehoord wil worden. De mededeling van de behandelaar daaromtrent is onvoldoende. Het horen van de betrokkene is een fundamenteel recht."
1.5. Namens de officier van justitie is - tijdig(5) - beroep in cassatie ingesteld(6). Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend(7). Op het daarin gevoerde ontvankelijkheidsverweer(8) is namens de officier van justitie gereageerd bij brief van 8 juli 2010.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Onderdeel 1 van het middel dient slechts ter inleiding en bevat geen klacht. Onderdeel 2.1 bestrijdt het oordeel dat niet is komen vaststaan dat het gevaar niet op een andere wijze kan worden afgewend dan door opneming in een psychiatrisch ziekenhuis. Volgens de klacht voldoet dit oordeel niet aan de wettelijke motiveringseisen en heeft de rechtbank slechts de wettelijke maatstaf herhaald; daardoor blijft in het ongewisse of de rechtbank de feiten en omstandigheden welke de officier van justitie aan zijn verzoek ten grondslag had gelegd en de verklaring die de behandelend arts ter zitting heeft afgelegd niet aannemelijk heeft geacht of deze onvoldoende heeft bevonden. Volgens het middelonderdeel kan ook niet worden gecontroleerd of de rechtbank van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan.
2.2. Art. 2 lid 2 WetPro Bopz bepaalt dat een voorlopige machtiging slechts kan worden verleend indien naar het oordeel van de rechter:
a. de stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken, en
b. het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.
2.3. De rechtbank is van oordeel dat niet is voldaan aan de maatstaf van art. 2, lid 2 onder b: zij heeft niet kunnen vaststellen dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Dat oordeel kan de afwijzing van het inleidende verzoek dragen. Uit deze overweging volgt dat de rechtbank van oordeel is dat de door de officier van justitie bij het inleidend rekest gevoegde geneeskundige verklaring (andere stukken waren er in eerste aanleg niet) onvoldoende onderbouwing oplevert voor het standpunt van de officier van justitie dat het te duchten gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Het inleidend verzoekschrift bevatte op dit punt niet méér dan deze eenvoudige stelling. Evenmin was de officier van justitie ter zitting aanwezig om het inleidend verzoekschrift nader toe te lichten. Buiten de geneeskundige verklaring lag er dus geen enkel argument van het openbaar ministerie waarop de rechtbank in haar motivering nader had kunnen ingaan.
2.4. In de geneeskundige verklaring is vermeld dat de volgende alternatieven zijn overwogen: "maatschappelijke dienstverlening en thuiszorg"; "medicatie"; "ambulante psychiatrische behandeling". Als te duchten vormen van gevaar zijn in die verklaring aangegeven: maatschappelijke teloorgang, zelfverwaarlozing en agressie (nl. agressie in de richting van hulpverleners als betrokkene "zijn rituelen niet kan uitoefenen"). Ter toelichting is in de geneeskundige verklaring opgenomen: "Er wordt al heel lang geprobeerd hem ambulante begeleiding te bieden, maar dit leidt tot toenemende agitatie bij de patiënt zonder dat er iets in zijn situatie verandert. Vrijwillig werkt hij aan niets mee."
2.5. De waardering van deze medische rapportage als bewijsmiddel komt toe aan de rechtbank als de rechter die in hoogste instantie over de feiten oordeelt. De rechtbank heeft daarom, ondanks deze geneeskundige verklaring, mogen beslissen dat niet is komen vaststaan dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. De wettelijke motiveringseisen gaan niet zo ver dat de rechtbank eigener beweging zou moeten aangeven welke mogelijkheden ter voorkoming van gevaar nog niet of nog onvoldoende zijn betracht. Ten overvloede merk ik op: in de volzin die direct aan dit oordeel vooraf gaat heeft de rechtbank opgetekend dat de behandelend arts ter zitting heeft medegedeeld dat met betrokkene geen regulier contact kan worden gekregen: hij onttrekt zich voortdurend; op dit moment bestaat er gevaar voor maatschappelijk afglijden, maar geen acuut gevaar. De lezer kan hieruit opmaken dat aan de rechtbank voor ogen heeft gestaan dat, omdat er geen sprake is van een acuut gevaar, er nog tijd genoeg is voor verdere inspanningen om met betrokkene in contact te komen en hem ertoe over te halen vrijwillig die medische hulp te aanvaarden waarmee het gevreesde gevaar kan worden gekeerd. Onderdeel 2.1 faalt.
2.6. Onderdeel 2.2 voegt hieraan toe de klacht dat de motivering niet volstaat in het licht van de gedingstukken. Het middelonderdeel wijst op het bestaan van de methode Assertive Community Treatment en op de mededeling van de behandelend arts ter zitting dat betrokkene ieder contact weigert, dat het gevaar voor verloedering ernstig is en dat de broer van betrokkene aan hetzelfde ziektebeeld lijdt en dakloos is.
2.7. Waarom een mededeling over de toestand van betrokkenes broer de rechtbank tot een ander oordeel of tot een nadere motivering had moeten leiden, ontgaat mij. De mededeling van de behandelaar dat betrokkene ieder contact weigert is, blijkens de beschikking, de rechtbank niet ontgaan. De ernst van het gevaar geeft op zich nog geen antwoord op de vraag of het te duchten gevaar op een andere wijze kan worden gekeerd dan door middel van een gedwongen opneming. Zoals gezegd, achtte de behandelend arts het gevaar niet acuut, zodat de rechtbank nog ruimte aanwezig kon achten voor nadere pogingen om betrokkene te bereiken met een hulpaanbod. De in cassatie aangevoerde omstandigheid dat de rechtbank uit een passage in de geneeskundige verklaring (blz. 2) had kunnen opmaken dat ambulante begeleiders van het ACT-team zich al met betrokkene hebben beziggehouden, noopte de rechtbank niet tot een nadere motivering: reeds omdat uit de gedingstukken en het proces-verbaal niet blijkt dat de officier van justitie in eerste aanleg op dat feit een beroep heeft gedaan. Bovendien blijkt uit de geneeskundige verklaring niet hoeveel pogingen er zijn gedaan om betrokkene te bereiken en tot het aanvaarden van vrijwillige behandeling over te halen(9). Onderdeel 2.2 leidt niet tot cassatie.
2.8. De overige middelonderdelen hebben betrekking op de hoorplicht. Omdat de beslissing van de rechtbank op twee gronden berust, die ieder voor zich de afwijzing kunnen dragen, behoeven de overige middelonderdelen geen bespreking meer indien de onderdelen 2.1 en 2.2 falen.
2.9. Art. 8 lid 1 WetPro Bopz schrijft voor dat de rechter, alvorens op het verzoek te beschikken, degene hoort ten aanzien van wie de machtiging is verzocht, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Onderdeel 2.3 klaagt dat de rechtbank de wettelijke maatstaf voor het horen noemt, maar verzuimt aan te geven op welke feiten de gevolgtrekking is gebaseerd dat niet kan worden vastgesteld dat betrokkene niet gehoord wil worden. In zoverre is volgens de klacht sprake van een vormverzuim.
2.10. Onderdeel 2.4 sluit hierbij aan met de klacht dat het bestreden oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de vereisten waaraan moet zijn voldaan om tot de vaststelling te kunnen komen dat betrokkene niet wenst te worden gehoord. Volgens het middelonderdeel heeft rechtens te gelden dat een patiënt niet bereid is zich te laten horen indien hij drie keer behoorlijk is opgeroepen en niet is verschenen ter zitting van de rechtbank en tevens uit de geneeskundige verklaring blijkt dat de kern van het probleem dat betrokkene heeft, nu juist daarin bestaat dat hij elk contact mijdt; ten minste heeft dit te gelden in gevallen als het onderhavige, gekenmerkt door de in het middelonderdeel genoemde bijzonderheden. Aan deze rechtsklacht verbindt onderdeel 2.5 subsidiair een (algemeen geformuleerde) motiveringsklacht. Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
2.11. Betrokkene is niet voor de rechtbank verschenen. Ingevolge art. 261 inPro verbinding met art. 272-276 Rv geschiedt de oproeping voor de zitting door de griffier bij aangetekende brief, tenzij de rechter anders bepaalt in een algemene of bijzondere instructie aan de griffier. In Bopz-zaken komt dikwijls voor dat de rechter een andere wijze van oproepen bepaalt. Indien de betrokkene buiten staat is zich naar de rechtbank te begeven, zal de rechter, vergezeld door de griffier, hem te zijner verblijfplaats horen(10). Of en, zo ja, hoe betrokkene is opgeroepen voor de eerste, de tweede en de derde zitting blijkt uit de overgelegde stukken niet. Mede in verband met de onder 1 vermelde naamsverwisseling, kan - anders dan het middel betoogt - bij de beoordeling van dit cassatieberoep niet worden uitgegaan van de juistheid van de veronderstelling dat betrokkene tot driemaal toe behoorlijk opgeroepen en niet verschenen is. De rechtbank heeft op 31 december 2009 en op 2 februari 2010 bepaald dat een afschrift van het proces-verbaal van de zitting, waarin datum, tijdstip en plaats van de eerstvolgende mondelinge behandeling zijn vermeld, zal gelden als oproeping voor betrokkene en zijn raadsman en de behandelaar. Dat geeft nog geen antwoord op de vraag of betrokkene met plaats en tijdstip van de mondelinge behandeling bekend was. Gelet op de mededeling van de raadsman in het proces-verbaal van 2 maart 2010, wil ik in het hierna volgende uitgaan van de veronderstelling dat betrokkene ten minste bekend was met plaats en tijdstip van de mondelinge behandeling op 2 maart 2010.
2.12. Betrokkene heeft niet uitdrukkelijk verklaard noch door zijn raadsman doen verklaren dat hij niet bereid is de rechter te woord te staan(11). Nu is ook niet altijd nodig dat de betrokkene mondeling of schriftelijk verklaart dat hij niet bereid is zich te laten horen. Het ontbreken van bereidheid kan ook uit gedragingen van de betrokkene worden afgeleid. De plicht van de rechter tot onderzoek naar de bereidheid van de betrokkene om zich op de voet van art. 8 lid 1 WetPro Bopz te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld tegen de achtergrond dat het niet alleen gaat om het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Deze bepaling strekt ook ertoe, zoveel mogelijk te waarborgen dat iemand niet van zijn vrijheid kan worden beroofd zonder dat hij, zo hij zulks wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Dit brengt naar vaste rechtspraak mee dat de rechter die van oordeel is dat de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen ontbrak, dit met zoveel woorden in zijn beschikking dient vast te stellen en dat hij de gronden dient aan te geven waarop dat oordeel berust. Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Dat voormelde bereidheid ontbreekt, kan de rechter onder andere afleiden uit de wijze waarop de betrokkene zich heeft gedragen. Indien naar het feitelijk oordeel van de rechter deze gedragingen op zichzelf nog niet voldoende zijn, maar daaruit wel mag worden afgeleid dat de betrokkene in staat is zich naar de rechtbank te begeven, is de rechter vrij om dit ontbreken af te leiden uit de omstandigheid dat de betrokkene vervolgens behoorlijk ter zitting is opgeroepen maar daar niet is verschenen(12). Met deze rechtspraak strookt dat de rechtbank in deze zaak niet zonder meer genoegen heeft genomen met de mededeling van de behandelaar dat betrokkene zich aan ieder contact onttrekt(13).
2.13. De bestreden beschikking maakt duidelijk dat de rechtbank van oordeel is dat zij niet over voldoende informatie beschikte om te kunnen vaststellen dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Hieruit volgt dat in elk geval onderdeel 2.3 geen doel treft. Ik teken hierbij aan dat het begrip "buiten staat is" in art. 8 lid 1 WetPro Bopz niet alleen een fysieke verhindering betreft, maar ook de beletselen tot verschijnen omvat die voortvloeien uit de stoornis van de geestvermogens. Nu de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat de niet-verschenen betrokkene niet bereid is zich te doen horen, stonden voor haar slechts twee mogelijkheden open: hetzij (opnieuw) aanhouden van de mondelinge behandeling(14), hetzij afwijzing van het inleidend verzoek van de officier van justitie(15).
2.14. Voor een algemene regel als in dit middelonderdeel geponeerd heb ik in het recht geen steun kunnen vinden; het cassatierekest noemt ook geen rechtsbron(nen), waaruit die regel kan worden afgeleid. Uit de in alinea 2.12 aangehaalde jurisprudentieregel dat de rechter onder de daar genoemde omstandigheden vrij is het ontbreken van de bereidheid van de patiënt om te worden gehoord af te leiden uit de omstandigheid dat de betrokkene, hoewel behoorlijk opgeroepen, ter zitting niet is verschenen, valt op te maken dat de rechter evenzeer de vrijheid heeft om het tegendeel te beslissen. Mijns inziens ligt in de rede dat, in een geval waarin geen contact met de betrokkene is verkregen maar ook niet op voorhand kan worden aangenomen dat hij of zij niet gehoord wil worden(16), de rechter aan de officier van justitie verzoekt de werkelijke verblijfplaats van betrokkene te laten opsporen door de politie. Als dat lukt, kan de rechter de betrokkene alsnog op de voet van art. 8 lid 1 WetPro Bopz horen op zijn verblijfplaats. Voor zover onderdeel 2.4 al niet afstuit op het ontbreken van feitelijke grondslag (driemaal opgeroepen), leidt de klacht niet tot cassatie.
2.15. Volgens het middel wordt het geval hierdoor gekenmerkt dat:
- betrokkene geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en slechts een postadres aanhoudt;
- betrokkene bekend staat als zorgmijder en als iemand die elk contact mijdt;
- de behandelend arts ter zitting heeft verklaard dat betrokkene ieder contact weigert;
- het mijden van zorg typisch is voor het geconstateerde ziektebeeld;
- ook de psychiater die de geneeskundige verklaring heeft opgesteld een concrete poging tot contact heeft gedaan, die is mislukt;
- de advocaat van betrokkene heeft bevestigd dat betrokkene van de zitting afwist en dat contact met betrokkene niet is te krijgen en meent dat nu een beslissing kan worden genomen.
2.16. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat de rechtbank uit deze feiten aanwijzingen had kunnen putten voor het oordeel dat betrokkene niet alleen contacten met hulpverleners, maar alle niet door hemzelf gezochte contacten met autoriteiten uit de weg gaat en dat dit in gelijke mate geldt voor contacten met een officiële instantie als de rechtbank. Dit neemt niet weg dat in deze zaak geen enkel rechtstreeks contact tussen de rechter en betrokkene heeft kunnen plaatsvinden. Een regel die inhoudt dat de rechtbank in gevallen als dit verplicht is te beslissen dat de betrokkene niet bereid is zich te laten horen, ontbreekt. Onderdeel 2.5 slaagt evenmin. De rechtbank heeft overwogen dat het recht om te worden gehoord een fundamenteel recht is. Daaruit kan de lezer opmaken dat de rechtbank van oordeel is dat de in het middelonderdeel opgesomde feiten en omstandigheden niet opwegen tegen het hoorrecht van betrokkene. Die motivering is niet onbegrijpelijk.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
1 [Betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats], is degene die in cassatie verweer voert. Deze personalia worden bevestigd door een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie. In het inleidend rekest van de officier van justitie is betrokkene aangeduid als: [betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1955. In het dossier bevindt zich een schrijven van de officier van justitie d.d. 27 januari 2010 (d.w.z. tussen de 1e en de 2e zitting), waarin het inleidend verzoekschrift wordt gecorrigeerd t.a.v. voornaam, geboortedatum en patiëntnummer.
2 De geneeskundige verklaring betreft [betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1958.
3 Zie blz. 1 van de bestreden beschikking.
4 Anders dan in het proces-verbaal van 2 februari 2010, is in het proces-verbaal van 2 maart 2010 en in de kop van de beschikking als naam van gerekestreerde weer "[betrokkene]" aangehouden. Het cassatierekest, blz. 1, neemt het zekere voor het onzekere, door vermelding van "[betrokkene]" als gerekestreerde.
5 Het cassatieverzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 2 juni 2010 (art. 426a Rv). Anders dan het verweerschrift in cassatie, blz. 2, veronderstelt, is voor de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in een rekestzaak niet bepalend de datum waarop het in art. 426b lid 2 Rv bedoelde afschrift de belanghebbende heeft bereikt.
6 Het petitum strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 2 maart 2010. Bedoeld zal zijn: de beschikking van de rechtbank te Rotterdam.
7 In verband met de reactie van de officier van justitie op dit punt, vermeld ik dat het verweerschrift weliswaar het briefhoofd draagt van een advocatenkantoor te Rotterdam, maar (mede) ondertekend is door een advocaat bij de Hoge Raad.
8 Dit ontvankelijkheidsverweer heeft betrekking op de identiteit van degene die in het cassatierekest als belanghebbende is aangeduid en behoeft, gelet op HR 5 februari 1965, NJ 1965, 173, geen bespreking.
9 Anders dan het cassatierekest (onder 2.8) verlangt, lag het niet op de weg van de rechtbank om suggesties te doen hoe betrokkene met een behandelaanbod kan worden bereikt. In reactie op deze klacht vermeld ik dat over hulpverlening aan dak- en thuislozen met mogelijke ggz-problematiek veel is gepubliceerd. Zie onder meer: J. Lourens e.a., Verkommerden en verloederden; een onderzoek naar de omvang en aard van de groep in Nederland, Leiden: Research voor Beleid 2002; Noodgedwongen; zorg voor niet-opgenomen acute psychiatrische patiënten, rapport nr. 2004/10 van de Gezondheidsraad (www.gr.nl); C.L. Mulder, Psychiatrie voor mensen die er niet om vragen, intreerede EUR 2007. In de vier grote steden loopt sinds 2006 een project onder de naam Plan van Aanpak maatschappelijke opvang (www.trimbos.nl); M. Davelaar e.a., Van de straat aan het werk. Dagbesteding en activering van dak- en thuislozen in Rotterdam, 2007 (www.verwey-jonker.nl). De vele tijdschriftartikelen onder de trefwoorden "bemoeizorg" en "outreaching" hulpverlening noem ik niet afzonderlijk.