ECLI:NL:PHR:2004:AR3721
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wederrechtelijk verkregen voordeel bij verlies van gestolen goederen
In deze zaak oordeelt de Hoge Raad over de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat een veroordeelde heeft behaald uit gestolen goederen, ondanks dat deze goederen verloren zijn gegaan voordat zij te gelde konden worden gemaakt. Het Hof had het voordeel vastgesteld op basis van de waarde die de buit in het illegale circuit zou opleveren, en stelde dat het verlies van de buit door diefstal geen invloed heeft op de omvang van het voordeel.
De Hoge Raad bevestigt dat het voordeel moet worden bepaald naar de feitelijke vermogensaanwas die de veroordeelde in de concrete omstandigheden heeft behaald. Verlies of diefstal van de buit na het verkrijgen ervan doet hieraan niet af, omdat het voordeel reeds is verkregen. Dit volgt ook uit eerdere jurisprudentie en literatuur, waarin wordt benadrukt dat het maatschappelijk risico van het bezit van wederrechtelijk verkregen goederen voor rekening van de verkrijger komt.
Daarnaast bespreekt de Hoge Raad de wijze van waardering van het voordeel. Indien er geen concreet bewijs is van de waarde in het illegale circuit, kan de rechter een voorzichtige schatting maken, zoals een percentage van de waarde in het legale verkeer. De bewijslast ligt in beginsel bij de veroordeelde om aannemelijk te maken dat de waarde in het illegale circuit lager is. In deze zaak heeft de veroordeelde dit niet gedaan, waardoor de schatting van het Hof als voldoende onderbouwd wordt beschouwd.
De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen en bevestigde het oordeel van het Hof dat het voordeel niet nihil is door het verlies van de buit, en dat de schatting op 15% van de legale marktwaarde toelaatbaar is. Hierdoor blijft de ontnemingsmaatregel in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel niet wordt verminderd door verlies van de buit en dat de schatting op basis van illegale marktwaarde toelaatbaar is.