Belanghebbende diende pas in 2023 de aangiften inkomstenbelasting in voor de jaren 2014 tot en met 2016, terwijl de aanslagen al in december 2019 waren vastgesteld. Hierdoor kon de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslagen geen rekening houden met deze aangiften, wat leidt tot toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast.
De Inspecteur stelde de aanslagen op basis van een redelijke schatting vast, waarbij rekening werd gehouden met eerdere jaren waarin arbeidsinkomsten waren aangegeven en met vermoedelijke andere inkomsten zoals dividend en interest. Belanghebbende voerde aan dat hij alleen inkomsten uit onroerende goederen in Turkije had, maar kon niet overtuigend aantonen dat de schatting onjuist was.
Het Gerecht oordeelde dat de aanslagen niet onredelijk of willekeurig waren vastgesteld en dat de Inspecteur de premie AVBZ correct had berekend volgens de wettelijke maxima. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.