Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende heeft het griffierecht niet voldaan, waarna de Rechtbank bij uitspraak van 9 september 2024 het beroep met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet-betalen van griffierecht.
3.Beoordeling van de middelen
Betaling van vaste griffierechten als voorwaarde voor het verkrijgen van toegang tot de rechter
Omdat de regeling van artikel 8:41 Awb Pro voor de heffing van griffierecht geen onderscheid maakt naar gelang de rechtzoekende zijn vordering baseert op het nationale dan wel het Europese recht, is deze regeling in overeenstemming met het gelijkwaardigheidsbeginsel.
De hoogte van het verschuldigde griffierecht is in bestuursrechtelijke zaken – waartoe zaken op het gebied van het belastingrecht behoren – gebaseerd op een onderscheid tussen natuurlijke personen en niet-natuurlijke personen. Voor niet-natuurlijke personen geldt één standaardtarief (van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024: € 371; zie artikel 8:41, lid 2, aanhef en letter c, Awb). Voor natuurlijke personen wordt nader onderscheiden naar een normaal tarief (van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024: € 187) dan wel een verlaagd tarief (van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024: € 51). Toepassing van dit verlaagde tarief is afhankelijk van de wettelijke bepalingen waarop de in geding zijnde belastingheffing of -beschikking berust (zie artikel 8:41, lid 2, aanhef en letter a, Awb in samenhang gelezen met de Regeling verlaagd griffierecht).
Voorts geldt dat als de belanghebbende in één beroepschrift beroep instelt tegen verschillende maar met elkaar samenhangende besluiten, volgens artikel 8:41, lid 3, Awb slechts eenmaal griffierecht is verschuldigd. [6] Wordt het beroep ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoet is gekomen, dan vergoedt het bestuursorgaan, zo is in artikel 8:41, lid 7, Awb bepaald, aan de indiener het door deze betaalde griffierecht.
nvaardbaarheid van heffing van griffierechten in het licht van artikel 52, lid 1, van het Handvest
Bovendien zal de bestuursrechter in het geval dat het beroep gegrond wordt verklaard, het bestuursorgaan gelasten om het door de indiener van het beroepschrift betaalde griffierecht aan die indiener te vergoeden, en in de overige gevallen kan de bestuursrechter gelasten dat het betaalde griffierecht door het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk wordt vergoed (zie artikel 8:74 Awb Pro).
Anders dan middel I stelt, vloeit uit punt 138 van het arrest Kantarev niet voort dat een beperking van het recht op toegang tot de rechter in de vorm van betaling van griffierechten alleen voldoet aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel indien het aan griffierechten geheven bedrag niet meer bedraagt dan vier procent van het betwiste financiële belang. Strijd met het Unierecht doet zich alleen voor indien een zo hoog bedrag aan griffierecht wordt geheven dat dit – mede gelet op de voor de belastingplichtige in het geding zijnde belangen – een wezenlijke belemmering van de toegang tot de rechter vormt. [12]
De hiervoor in 2.4.1 en 2.4.2 weergegeven oordelen van de Rechtbank geven dan ook niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Middel I faalt in zoverre.
De Rechtbank heeft kennelijk geen aanleiding gezien om in het licht van de door de Hoge Raad gegeven algemene uitgangspunten de termijn van achttien maanden voor de behandeling van het beroep van belanghebbende als onredelijk lang te beschouwen. Middel II voert geen specifieke en/of concrete omstandigheden aan op grond waarvan dit oordeel van de Rechtbank onbegrijpelijk is of niet voldoende gemotiveerd.