ECLI:NL:HR:2026:915

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
25/02830
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:74 AwbArt. 8:109 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt proportionaliteit van griffierechtenheffing in belastingzaken

Belanghebbende, een besloten vennootschap, maakte bezwaar tegen de betaling van belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm). Na een uitspraak van de Inspecteur dat geen teveel was betaald, stelde belanghebbende beroep in bij de Rechtbank, maar betaalde het griffierecht niet. De Rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en wees het verzet ongegrond.

Belanghebbende stelde in cassatie dat de hoogte van het griffierecht disproportioneel was en in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel, verwijzend naar het arrest Kantarev van het Hof van Justitie. De Hoge Raad overwoog dat de nationale regeling van griffierechten binnen de procesautonomie valt en dat de heffing niet onredelijk hoog is, mede omdat betalingsonmacht kan worden aangevoerd.

Verder bevestigde de Hoge Raad dat de Rechtbank terecht geen prejudiciële vragen stelde aan het Hof van Justitie en dat de redelijke termijn voor de behandeling van het beroep niet was overschreden. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; de heffing van griffierechten is proportioneel en vormt geen belemmering voor toegang tot de rechter.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/02830
Datum12 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 31 juli 2025, nr. ARN 24/4344 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 9 september 2024 betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatsecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Belanghebbende, een besloten vennootschap, heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte van een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) ten bedrage van € 1.287. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar beslist dat belanghebbende niet te veel bpm heeft voldaan.
2.2
Belanghebbende heeft op 2 februari 2024 bij de Rechtbank beroep ingesteld tegen die uitspraak op bezwaar. De griffier van de Rechtbank heeft belanghebbende erop gewezen dat zij voor het in behandeling nemen van het beroep het op grond van artikel 8:41 Awb Pro verschuldigde griffierecht (in 2024: € 371) moet betalen.
Belanghebbende heeft het griffierecht niet voldaan, waarna de Rechtbank bij uitspraak van 9 september 2024 het beroep met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet-betalen van griffierecht.
2.3
Belanghebbende heeft op de voet van artikel 8:55 Awb Pro verzet gedaan tegen de uitspraak van de Rechtbank.
2.4.1
De Rechtbank heeft vooropgesteld dat uit het door belanghebbende vermelde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2018, Nicolay Kantarev, ECLI:EU:C:2018:807 (hierna: het arrest Kantarev), volgt dat het de nationale rechter, en niet de Unierechter, is die in de concrete zaak moet onderzoeken of de heffing van het griffierecht in strijd is met het doeltreffendheidsbeginsel. Dit is geen kwestie van uitleg van het Unierecht, zoals belanghebbende betoogt, maar toepassing in de concrete zaak van de uitleg die de Unierechter al heeft gegeven, aldus de Rechtbank.
2.4.2
De Rechtbank heeft overwogen, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579 (hierna: het arrest van 11 oktober 2019), dat in het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling over heffing van griffierecht de toegang tot de rechter niet onmogelijk maakt en dat een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht kan doen als heffing van griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Belanghebbende heeft geen beroep gedaan op betalingsonmacht, aldus de Rechtbank.
2.4.3
Belanghebbende heeft de Rechtbank verzocht om aan het Hof van Justitie de prejudiciële vraag te stellen of de wettelijke regeling over het heffen van griffierecht zich verhoudt met de bepalingen van het Unierecht. De Rechtbank heeft geoordeeld dat, mede gezien het arrest van 11 oktober 2019, daartoe geen aanleiding bestaat. De Rechtbank oordeelt niet in hoogste instantie en is daarom niet op grond van artikel 267 VWEU Pro gehouden een Unierechtelijk geschilpunt voor te leggen aan het Hof van Justitie. De beslissing van de Rechtbank om geen prejudiciële vragen te stellen, blijft, aldus de Rechtbank, binnen de op grond van artikel 267 VWEU Pro aan haar toekomende beoordelingsruimte.
2.4.4
Bij uitspraak van 31 juli 2025 heeft de Rechtbank het verzet ongegrond verklaard.
2.5
Bij die uitspraak heeft de Rechtbank het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de fase van beroep afgewezen, omdat de uitspraak op verzet binnen anderhalf jaar na het instellen van het beroep op 2 februari 2024 is gedaan. In dit verband heeft de Rechtbank gewezen op hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:352, heeft geoordeeld over de vaststelling van de redelijke termijn voor de behandeling van een bij de rechtbank ingesteld beroep die eindigt met een uitspraak waarbij het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens het niet-betalen van griffierecht.

3.Beoordeling van de middelen

Betaling van vaste griffierechten als voorwaarde voor het verkrijgen van toegang tot de rechter

3.1.1
Middel I is gericht tegen de hiervoor in 2.4.1 tot en met 2.4.4 weergegeven oordelen van de Rechtbank. Het middel stelt, onder verwijzing naar het arrest Kantarev, dat het voorafgaand aan een gerechtelijke procedure heffen van een griffierecht waarvan de hoogte meer bedraagt dan vier procent van het financiële belang dat is gemoeid met de procedure ter zake waarvan het griffierecht wordt geheven, een belangrijk obstakel vormt voor de uitoefening van het recht op beroep en daarmee de uitoefening van dat recht uiterst moeilijk maakt in de zin van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Daaraan doet niet af dat betaalde griffierechten bij een gegrond beroep – en zonder rentevergoeding – worden teruggegeven. Het middel wijst erop dat in deze procedure het te betalen griffierecht 28,8 procent van het betwiste bedrag bedraagt, dus ruimschoots meer dan het in het arrest Kantarev gehanteerde percentage van vier, en dat het daarom disproportioneel is. De regeling van artikel 8:41 Awb Pro voorziet in een dergelijk geval niet in een daadwerkelijk effectieve gedeeltelijke vrijstelling van griffierecht voor ondernemingen die geacht worden vermogensbestanddelen te bevatten. Dit betekent volgens middel I dat de regeling van artikel 8:41 Awb Pro een beperking bevat van het door artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte, een beperking die niet voldoet aan de eisen van artikel 52, lid 1, van het Handvest omdat zij zich niet verhoudt met het evenredigheidsbeginsel.
3.1.2
Naar aanleiding van middel I overweegt de Hoge Raad dat de in deze zaak optredende gemachtigde in de afgelopen jaren in zeer veel cassatiezaken namens verschillende belanghebbenden over de regeling van artikel 8:41 Awb Pro heeft geklaagd. Bij arrest van 11 oktober 2019 heeft de Hoge Raad deze klachten gemotiveerd verworpen. Nadien zijn die klachten telkens verworpen met toepassing van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie aangezien de Hoge Raad in de bij herhaling aangevoerde klachten telkens geen aanleiding zag om – bij het ontbreken van nieuwe ontwikkelingen in de rechtspraak van het Hof van Justitie – een prejudiciële vraag te stellen en het daarom ook niet nodig achtte om de in het arrest van 11 oktober 2019 neergelegde oordelen te herhalen.
3.1.3
In deze zaak stelt middel I de juistheid van het hiervoor in 2.4.1 vermelde oordeel van de Rechtbank aan de orde met de klacht dat de Rechtbank niet had mogen voorbijgaan aan haar verplichting om de hoogte van het in deze zaak geheven griffierecht te toetsen aan het in artikel 52, lid 1, van het Handvest neergelegde Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Schending van die bepaling was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 11 oktober 2019 niet aangevoerd.
3.1.4
Artikel 47 van Pro het Handvest luidt als volgt:
“Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.
Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.
Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.”
Artikel 52, lid 1, van het Handvest luidt als volgt:
“1. Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”
3.1.5
Op de nationale rechter rust de verplichting om de rechterlijke bescherming van de rechten die justitiabelen ontlenen aan het Unierecht, te verzekeren. Tot die rechten behoort het in artikel 47 van Pro het Handvest neergelegde recht van justitiabelen op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dat artikel gestelde voorwaarden. In artikel 47 van Pro het Handvest zijn geen concrete voorschriften opgenomen over de wijze waarop in lidstaten een doeltreffende voorziening in rechte in gerechtelijke procedures moet worden ingericht. De in artikel 47 van Pro het Handvest bedoelde effectieve rechterlijke bescherming betreft de verschillende aspecten van de beroepsprocedure, waaronder het recht op toegang tot de rechter. [1] Tenzij het Unierecht op specifieke rechtsgebieden daarover voorschriften bevat, behoort die inrichting tot de procedurele autonomie van de lidstaten. Dit betekent dat elke lidstaat zelf de procesregels mag vaststellen voor de administratieve procedure en de gerechtelijke procedure ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen. [2]
3.1.6
De door lidstaten vastgestelde procedureregels mogen niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en zij mogen de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). [3] Verder volgt uit artikel 52, lid 1, van het Handvest dat beperkingen op het in artikel 47 van Pro het Handvest bedoelde recht op een doeltreffende voorziening in rechte niet zijn uitgesloten. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen volgens artikel 52, lid 1, van het Handvest beperkingen worden gesteld, indien deze noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dergelijke beperkingen moeten bij wet worden gesteld en moeten het hiervoor bedoelde recht wezenlijk eerbiedigen. [4]
3.2.1
Het Unierecht bevat geen algemene regeling ter zake van het heffen van een recht als voorwaarde voor toegang tot de rechter. Het vaststellen van fiscale procesregels is daarom een nationale aangelegenheid, mits die regels voldoen aan de hiervoor in 3.1.6 vermelde beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid.
Omdat de regeling van artikel 8:41 Awb Pro voor de heffing van griffierecht geen onderscheid maakt naar gelang de rechtzoekende zijn vordering baseert op het nationale dan wel het Europese recht, is deze regeling in overeenstemming met het gelijkwaardigheidsbeginsel.
3.2.2
Bij de beoordeling of een nationale procedurele bepaling het de rechtzoekenden onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om het Unierecht toe te passen, moet volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie rekening worden gehouden met de plaats van die bepaling in de gehele procedure bij de verschillende nationale instanties en met het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure. [5]
3.2.3
Rechtzoekenden kunnen zich wat betreft een geschil over een in artikel 26 AWR Pro omschreven belastingaanslag of belastingbeschikking (waaronder de voldoening van belasting op aangifte wordt begrepen) overeenkomstig hoofdstuk 8 Awb tot de belastingrechter wenden zonder dat rechtsbijstand verplicht is. Voordat zij een zaak bij de rechter aanhangig kunnen maken, moeten zij als regel bij de belastinginspecteur bezwaar maken tegen de aanslag of beschikking. Het indienen van een gemotiveerd bezwaarschrift volstaat; een griffierecht is niet verschuldigd.
3.2.4
Voor het verkrijgen van toegang tot de belastingrechter in eerste aanleg moet bij het aanhangig maken van het beroep het volgens artikel 8:41, lid 2, Awb verschuldigde griffierecht worden betaald.
De hoogte van het verschuldigde griffierecht is in bestuursrechtelijke zaken – waartoe zaken op het gebied van het belastingrecht behoren – gebaseerd op een onderscheid tussen natuurlijke personen en niet-natuurlijke personen. Voor niet-natuurlijke personen geldt één standaardtarief (van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024: € 371; zie artikel 8:41, lid 2, aanhef en letter c, Awb). Voor natuurlijke personen wordt nader onderscheiden naar een normaal tarief (van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024: € 187) dan wel een verlaagd tarief (van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024: € 51). Toepassing van dit verlaagde tarief is afhankelijk van de wettelijke bepalingen waarop de in geding zijnde belastingheffing of -beschikking berust (zie artikel 8:41, lid 2, aanhef en letter a, Awb in samenhang gelezen met de Regeling verlaagd griffierecht).
Voorts geldt dat als de belanghebbende in één beroepschrift beroep instelt tegen verschillende maar met elkaar samenhangende besluiten, volgens artikel 8:41, lid 3, Awb slechts eenmaal griffierecht is verschuldigd. [6] Wordt het beroep ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoet is gekomen, dan vergoedt het bestuursorgaan, zo is in artikel 8:41, lid 7, Awb bepaald, aan de indiener het door deze betaalde griffierecht.
3.2.5
Als de rechtzoekende – een natuurlijke persoon dan wel een niet-natuurlijke persoon – aannemelijk maakt in betalingsonmacht te verkeren waardoor betaling van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor deze persoon onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt gebruik te maken van de door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang, geldt dat de rechter kan beslissen dat niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet-betalen van griffierecht achterwege blijft. [7]
3.2.6
In het geval dat de rechter het beroep gegrond verklaart, zal hij bij het doen van die uitspraak het bestuursorgaan gelasten om het betaalde griffierecht aan de rechtzoekende te vergoeden. In alle andere gevallen kan de bestuursrechter gelasten dat het betaalde griffierecht door het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk wordt vergoed (zie artikel 8:74 Awb Pro).
3.2.7
In het algemeen kan worden aangenomen dat in het belastingrecht de hiervoor in 3.2.3 tot en met 3.2.6 beschreven regeling over heffing van griffierecht, inclusief de thans daarbij behorende bedragen aan griffierecht en de voorziening in geval van betalingsonmacht, van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen [8] of uiterst moeilijk wordt gemaakt.
Aa
nvaardbaarheid van heffing van griffierechten in het licht van artikel 52, lid 1, van het Handvest
3.3.1
De heffing van griffierechten als voorwaarde voor het in behandeling nemen van een beroep is een beperking van het recht dat is voorzien in artikel 47 van Pro het Handvest.
3.3.2
Met de heffing van griffierechten in bestuursrechtelijke zaken heeft de wetgever beoogd om voor de overheid aan rechtspraak verbonden kosten te bestrijden en ook om een zekere drempel op te werpen tegen het instellen van beroep. Volgens de wetsgeschiedenis kan dit bijdragen tot een zorgvuldiger afweging van het belang en de zin van het instellen van een procedure tegenover de aan het verkrijgen van een rechterlijke uitspraak verbonden inspanningen en kosten. [9] Dit oogmerk is een doelstelling van algemeen belang die een beperking van het recht op toegang tot de rechter kan rechtvaardigen. [10]
3.3.3
Ook uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat het hiervoor in 3.3.2 vermelde oogmerk een doelstelling van algemeen belang is die heffing van griffierechten rechtvaardigt. Heffing van griffierechten draagt bij tot een weloverwogen beroep op de rechter en voorkomt daarmee overbelasting van de rechter met zaken van geringe betekenis of weinig vooruitzicht op succes. Die heffing ontmoedigt het instellen van beroepen die kennelijk ongegrond zijn of die de procedure slechts beogen te vertragen. [11]
3.3.4
De hiervoor in 3.2.3 tot en met 3.2.6 weergegeven regeling over de heffing van griffierechten is proportioneel aan het oogmerk van die regeling. Enerzijds is het bedrag van griffierechten niet zo hoog dat rechtzoekenden de toegang tot de rechter uiterst moeilijk wordt gemaakt, anderzijds is dat bedrag voldoende hoog om rechtzoekenden de afweging te laten maken of het belang van de zaak en de kans op succes een rechterlijk oordeel verlangen. Daarbij verdient opmerking dat – zoals hiervoor in 3.2.5 is overwogen – voor degenen die in betalingsonmacht verkeren, de mogelijkheid bestaat (sinds 1 juli 2025 gecodificeerd in artikel 8:41, lid 6, Awb) dat toegang tot de rechter wordt verleend zonder betaling van griffierechten.
Bovendien zal de bestuursrechter in het geval dat het beroep gegrond wordt verklaard, het bestuursorgaan gelasten om het door de indiener van het beroepschrift betaalde griffierecht aan die indiener te vergoeden, en in de overige gevallen kan de bestuursrechter gelasten dat het betaalde griffierecht door het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk wordt vergoed (zie artikel 8:74 Awb Pro).
Anders dan middel I stelt, vloeit uit punt 138 van het arrest Kantarev niet voort dat een beperking van het recht op toegang tot de rechter in de vorm van betaling van griffierechten alleen voldoet aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel indien het aan griffierechten geheven bedrag niet meer bedraagt dan vier procent van het betwiste financiële belang. Strijd met het Unierecht doet zich alleen voor indien een zo hoog bedrag aan griffierecht wordt geheven dat dit – mede gelet op de voor de belastingplichtige in het geding zijnde belangen – een wezenlijke belemmering van de toegang tot de rechter vormt. [12]
3.3.5
Dit is niet anders wanneer in aanmerking wordt genomen dat de rechtzoekende geen recht heeft op een vergoeding van rente over het betaalde griffierecht over de periode, beginnend op de dag waarop hij het griffierecht heeft voldaan. [13] De omvang van het hiermee gemoeide belang vormt geen wezenlijke verzwaring van de last die is gemoeid met de verplichting om bij het instellen van beroep het verschuldigde griffierecht te voldoen.
3.3.6
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.4 en 3.3.5 is overwogen, wordt van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie afgezien. De rechtspraak van het Hof van Justitie is zo evident dat er redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan dat voor een rechtspersoon die bij een rechtbank beroep instelt en die niet in betalingsonmacht als bedoeld in de rechtspraak van de Hoge Raad verkeert, de heffing van € 371 aan griffierechten niet als onevenredig in de zin van artikel 47 en Pro artikel 52, lid 1, van het Handvest moet worden beschouwd. Dat geldt ook voor de rechtspersoon die wel over voldoende financiële middelen beschikt om het verschuldigde griffierecht te betalen en voor wie een beperkt of (zeer) gering financieel belang in geding is. Ook in die omstandigheden kan niet worden gezegd dat de hiervoor in 3.2.3 bedoelde griffierechten disproportioneel hoog zijn.
De hiervoor in 2.4.1 en 2.4.2 weergegeven oordelen van de Rechtbank geven dan ook niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Middel I faalt in zoverre.
3.4
Tot slot verdient in dit kader opmerking dat hetgeen hiervoor in 3.2.4 tot en met 3.2.6, 3.3.3 en 3.3.4 is overwogen, ook geldt voor de verplichting om griffierechten te betalen om, ter bestrijding van de uitspraak van de rechtbank, toegang te krijgen tot het gerechtshof (artikel 8:109 Awb Pro in samenhang gelezen met artikel 8:41 Awb Pro) of tot de Hoge Raad (artikel 29 AWR Pro in samenhang gelezen met artikel 8:109 Awb Pro en artikel 8:41 Awb Pro). De vaste griffierechten voor hoger beroep en cassatie zijn weliswaar op een hoger bedrag gesteld dan het griffierecht dat bij instellen van beroep bij de rechtbank wordt geheven (van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 voor natuurlijke personen € 138 respectievelijk € 279, en voor anderen dan natuurlijke personen € 559), maar ervan uitgaande dat de rechter zich al over de zaak heeft gebogen, is het gerechtvaardigd om voor een nieuwe beoordeling door een appelinstantie of cassatierechter een hoger bedrag aan griffierechten te heffen. Van de belanghebbende mag worden verlangd dat hij opnieuw zorgvuldig weegt of het belang van de zaak en de kans op succes in hogere instantie een rechterlijk oordeel verlangen. Ook voor de door de griffier van de hogerberoepsrechter en de griffier van de cassatierechter geheven griffierechten geldt dat deze rechten worden geheven ter bestrijding van de voor de overheid aan rechtspraak verbonden kosten en als financiële prikkel gericht op het voorkomen van lichtvaardig beroep op de rechter.
Vaststelling van de redelijke termijn voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van een beroep
3.5.1
Middel II bestrijdt de hiervoor in 2.5 weergegeven oordelen van de Rechtbank.
3.5.2
Blijkens artikel 47, tweede alinea, van het Handvest omvat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte het recht van de betrokkene dat zijn zaak binnen een redelijke termijn wordt behandeld. De redelijkheid van de procestermijn moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van elke zaak, in het bijzonder het belang ervan voor de betrokkene, de complexiteit van de zaak en het gedrag van partijen, waarbij de lijst van relevante criteria niet uitputtend is. [14]
3.5.3
De Hoge Raad heeft – om te voorkomen dat voor afgedane beroepen stelselmatig in elke zaak afzonderlijk aan de hand van relevante criteria moet worden beoordeeld of de rechtbank binnen een redelijke termijn uitspraak doet – als algemene richtlijn gegeven dat als regel ervan moet worden uitgegaan dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg is overschreden indien op de datum waarop de rechtbank uitspraak doet, meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur. Indien, zoals in deze zaak het geval is geweest, de rechtbank op de voet van artikel 8:54 Awb Pro na vereenvoudigde behandeling uitspraak heeft gedaan en daartegen verzet is gedaan als bedoeld in artikel 8:55 Awb Pro, moet voor het vaststellen van de redelijkheid van de procestermijn worden uitgegaan van de datum van de uitspraak waarbij het verzet ongegrond is verklaard. [15]
3.5.4
In gevallen waarin de bezwaar- en de beroepsfase tezamen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn is overschreden, heeft de Hoge Raad verder als algemene richtlijn gegeven dat de rechter met het oog op toekenning van een vergoeding voor immateriële schade vanwege dat tijdsverloop moet beoordelen in hoeverre de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaarfase respectievelijk de beroepsfase. Daardoor wordt namelijk bepaald in hoeverre de immateriële schade is toe te rekenen aan het bestuursorgaan respectievelijk de rechter. De veroordeling tot vergoeding van die schade moet naar evenredigheid daarmee worden uitgesproken ten laste van het bestuursorgaan respectievelijk de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Bij deze toerekening heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. [16] Het ruwweg bepalen van de duur van deze termijnen heeft de Hoge Raad gebaseerd op de inrichting van de fase van beroep in belastingzaken naar de verschillende (proces)handelingen die ten minste moeten worden verricht voordat de rechter tot inhoudelijke behandeling van het beroep kan overgaan en die als regel worden verricht nadat de behandeling van het beroep door de rechter is aangevangen. De hiervoor bedoelde termijnen gelden behoudens bijzondere omstandigheden. [17] Die bijzondere omstandigheden betreffen onder meer de hiervoor in 3.5.2 bedoelde criteria aan de hand waarvan volgens het Hof van Justitie de redelijkheid van de termijn moet worden bepaald.
3.5.5
De Hoge Raad heeft ook beslist dat in de zaken waarin de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaart, een vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de hiervoor in 3.5.4 bedoelde redelijke termijn alleen hoeft te worden toegekend voor zover die immateriële schade is toe te rekenen aan de procedure voor de rechtbank. De niet-ontvankelijkverklaring van de belanghebbende in diens beroep brengt dan immers mee dat het optreden van het bestuursorgaan in zoverre niet meer aan het oordeel van de rechter is onderworpen. [18]
3.6.1
De Hoge Raad is van oordeel dat middel II geen aanleiding geeft tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie omdat de rechtspraak van het Hof van Justitie zo evident is dat er redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan dat de Hoge Raad bevoegd is om met het oog op een eenvormige toepassing de hiervoor in 3.5.3 tot en met 3.5.5 weergegeven algemene uitgangspunten voor het vaststellen van de redelijke termijn voor de fase in eerste aanleg te geven, en ook dat deze algemene uitgangspunten niet in strijd zijn met artikel 47 van Pro het Handvest, mits het de rechter die de uitspraak doet, vrij staat om gemotiveerd van deze algemene uitgangspunten af te wijken. Dit alles voldoet aan de hiervoor in 3.5.2 bedoelde criteria uit de rechtspraak van het Hof van Justitie.
De Rechtbank heeft kennelijk geen aanleiding gezien om in het licht van de door de Hoge Raad gegeven algemene uitgangspunten de termijn van achttien maanden voor de behandeling van het beroep van belanghebbende als onredelijk lang te beschouwen. Middel II voert geen specifieke en/of concrete omstandigheden aan op grond waarvan dit oordeel van de Rechtbank onbegrijpelijk is of niet voldoende gemotiveerd.
3.6.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.6.1 is overwogen, faalt middel II in zoverre.
Bevoegdheid van de nationale rechter om het Unierecht uit te leggen en toe te passen
3.7.1
Naar aanleiding van in beide middelen aangevoerde klachten over de hiervoor in 2.4.3 weergegeven oordelen van de Rechtbank overweegt de Hoge Raad als volgt.
3.7.2
De middelen nemen terecht tot uitgangspunt dat het Hof van Justitie bij uitsluiting bevoegd is om het Unierecht bindend uit te leggen en ook dat de nationale rechter verplicht is om het Unierecht toe te passen in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie. Dit een en ander betekent echter niet dat de nationale rechter niet bevoegd is het Unierecht uit te leggen als dat nodig is voor de beslechting van een of meer geschilpunten in een aan hem voorgelegde zaak. Nationale rechterlijke instanties waarvan de beslissingen vatbaar zijn voor hoger beroep, zijn blijkens artikel 267 VWEU Pro immers niet verplicht om in een zaak waarin een vraag over de uitlegging van Unierecht aan de orde is, prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voor te leggen, ook niet als daartoe door een van de procespartijen een verzoek wordt gedaan. De prejudiciële procedure is een samenwerkingsinstrument tussen de nationale rechter en het Hof van Justitie, waarbij uitsluitend de nationale rechter de noodzaak of wenselijkheid van het stellen van prejudiciële vragen beoordeelt.
3.7.3
De verplichting om in een zaak waarin een vraag over de uitlegging van Unierecht aan de orde is, prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voor te leggen, bestaat blijkens artikel 267, derde alinea, VWEU alleen voor nationale rechterlijke instanties waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, en dan alleen indien naar het oordeel van laatstbedoelde instanties op die verwijzingsplicht geen van de drie uitzonderingen van toepassing is als omschreven in punt 21 van het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, 283/81, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335. [19]
3.7.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.7.2 en 3.7.3 is overwogen, kan redelijkerwijs geen twijfel erover bestaan dat de hiervoor in 2.4.3 weergegeven oordelen van de Rechtbank niet blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting over artikel 267 VWEU Pro. De beide middelen voor het overige falen daarom ook.

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.

Voetnoten

1.Vgl. HvJ 26 juli 2017, Moussa Sacko, C-348/16, ECLI:EU:C:2017:591, punten 29, 30 en 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
2.Vgl. HvJ 6 oktober 2015, Orizzonte Salute, C-61/14, ECLI:C:EU:2015:655, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak, alsmede het arrest Kantarev, punt 129.
3.Vgl. HvJ 12 maart 2026, Harry et Associés Sarl, C-527/24, ECLI:EU:C:2026:192, punten 59 en 60 en de aldaar aangehaalde rechtspraak, alsmede het arrest Kantarev, punt 125 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
4.Vgl. HvJ 24 februari 2022, SC Cridar Cons SRL, C-582/20, ECLI:EU:C:2022:114, punt 50 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
5.Vgl. HvJ 6 december 2001, Clean Car Autoservice GmbH, C-472/99, ECLI:EU:C:2001:663, punten 27 tot en met 29.
6.Vgl. HR 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:560, rechtsoverweging 3.3.4
7.Vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699; met ingang van 1 juli 2025 is in die mogelijkheid voorzien in artikel 8:41, lid 6, Awb. Vgl. ook HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1651, onderdeel 2.
8.Zie HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699, rechtsoverweging 3.3.6.
9.Vgl. Kamerstukken II 1984/85, 18 835, nr. 3, blz. 6, Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 125, en Kamerstukken II 1997/98, 25 175, nr. 5, blz. 20-25.
10.Vgl. EHRM 3 juni 2014, Harrison McKee tegen Hongarije, nr. 22840/07, ECLI:CE:ECHR:2014:0603JUD002284007, paragraaf 27.
11.Vgl. HvJ 6 oktober 2015, Orizzonte Salute, C-61/14, ECLI:C:EU:2015:655, punten 72 en 73.
12.Vgl. HR 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:30, rechtsoverweging 2.3.1.
13.Vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, rechtsoverweging 2.4.3.
14.Zie HvJ 12 december 2024, Rada Nadzorcza Getin Noble Bank S.A. e.a., C-118/23, ECLI:EU:C:2024:1013, punt 68 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
15.Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverwegingen 3.3.1 en 3.4.2.
16.Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.11.1.
17.Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.11.1, laatste alinea; vgl. ook HR 1 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:735, rechtsoverweging 5.2.1.
18.Vgl. HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712, rechtsoverweging 2.3.3.
19.Zie HvJ 24 maart 2026, Remling, C-767/23, ECLI:EU:C:2026:243, punt 32.