ECLI:NL:HR:2026:735
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over verlenging redelijke termijn en immateriële schadevergoeding in belastingzaak
In deze zaak stond centraal de vraag of de redelijke termijn voor de behandeling van een bezwaar- en beroepsprocedure in belastingzaken verlengd kon worden vanwege het procesgedrag van de gemachtigde van belanghebbende.
De Rechtbank had de redelijke termijn verlengd van twee naar drie jaar vanwege capaciteitsgebrek bij de gemachtigde, wat leidde tot vertraging. Het Hof verwierp een generieke verlenging en vond dat verlenging alleen op basis van individuele omstandigheden mogelijk was, en dat het capaciteitsgebrek niet zonder meer een bijzondere omstandigheid vormde.
De Hoge Raad oordeelt dat verlenging van de redelijke termijn per individuele zaak moet worden beoordeeld en dat het procesgedrag van de gemachtigde in andere zaken alleen relevant is als het zaaksoverstijgend is en daadwerkelijk invloed heeft gehad op de duur van de procedure. Tevens stelt de Hoge Raad dat capaciteitsgebrek bij de gemachtigde een bijzondere omstandigheid kan zijn die verlenging rechtvaardigt zonder nadere belangenafweging.
De Hoge Raad vernietigt het oordeel van het Hof over de vergoeding van immateriële schade door de heffingsambtenaar en stelt deze vergoeding op nihil, terwijl de vergoeding door de Staat in stand blijft. Het totale bedrag aan immateriële schadevergoeding bedraagt €500, waarvan €423 voor rekening van de Staat komt. Het beroep van belanghebbende wordt niet-ontvankelijk verklaard, het beroep van het Dagelijks Bestuur gegrond.
Uitkomst: De redelijke termijn is met een maand overschreden, immateriële schadevergoeding vastgesteld op €500, waarvan vergoeding door heffingsambtenaar op nihil is gesteld.