Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
31 maart 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld ten laste van de betrokkene. Deze had als enig bestuurder en aandeelhouder leiding gegeven aan de verkoop van niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen via een vennootschap.
Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op basis van de netto-opbrengst van de verkoop, verminderd met inkoopkosten, redelijke kosten en vennootschapsbelasting, maar zonder aftrek van dividendbelasting. De betrokkene voerde aan dat dividendbelasting in mindering gebracht moest worden, omdat hij deze niet kon terugvorderen, maar het hof verwierp dit verweer.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat geen aanleiding bestaat om dividendbelasting in mindering te brengen, mede gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel en het feit dat geen dividenduitkering heeft plaatsgevonden. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het voordeel volledig aan de betrokkene kan worden toegerekend vanwege zijn volledige zeggenschap.
De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, maar verbindt hieraan geen rechtsgevolgen. Het cassatieberoep wordt verworpen en het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op €532.532,00.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontnemingsmaatregel en stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €532.532,00 zonder aftrek van dividendbelasting.