ECLI:NL:HR:2026:1031

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
24/02822
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieWet waardering onroerende zakenWet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpmArt. 30a Wet waardering onroerende zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt matiging immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WOZ-zaak

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van haar woning en kreeg gelijk in de Rechtbank Noord-Holland, die vanwege een overschrijding van de redelijke termijn een immateriële schadevergoeding van €500 toekende. Het Hof Amsterdam matigde deze vergoeding tot €50, omdat het financiële belang gering was (€132) en de zaak eenvoudig en standaard van aard.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte is afgeweken van het vaste tarief van €500 per half jaar overschrijding zonder dat sprake was van een bijzonder geval. De Hoge Raad benadrukt dat de mate van ervaren spanning en frustratie in beginsel niet relevant is voor de hoogte van de vergoeding, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof voor zover het de matiging betreft en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Tevens veroordeelt de Hoge Raad het dagelijks bestuur van Cocensus in de proceskosten van het cassatieberoep en de heffingsambtenaar in de kosten van het incidentele hoger beroep. De zaak betreft een WOZ-beschikking en aanslag onroerendezaakbelasting voor 2021.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de matiging van de immateriële schadevergoeding en bevestigt de toekenning van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/02822
Datum26 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN COCENSUS
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 4 juni 2024, nr. 23/771 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 22/2868) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van Cocensus, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2.Uitgangspunten in cassatie

Belanghebbende heeft tevergeefs bezwaar gemaakt tegen de door de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: de heffingsambtenaar) vastgestelde waarde van haar woning. De Rechtbank heeft het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting met afgerond vijf maanden heeft de Rechtbank geoordeeld dat de heffingsambtenaar een bedrag van € 500 aan immateriële schade moet vergoeden aan belanghebbende.

3.De oordelen van het Hof

3.1
Naar aanleiding van het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar heeft het Hof de door de Rechtbank toegekende vergoeding voor immateriële schade gematigd tot € 50.
3.2
Aan deze beslissing heeft het Hof ten grondslag gelegd dat het financiële belang waarop deze procedure betrekking heeft, zich beperkt tot € 132 en dat een gering financieel belang en een evidente wanverhouding tussen het procesbelang en de schadevergoeding aanleiding kan geven tot het toekennen van een lager bedrag aan schadevergoeding. Het Hof is daarbij ervan uitgegaan dat bij een geringer financieel belang in het algemeen ook sprake is van geringere psychische schade. Een uitzondering op dit uitgangspunt kan zich voordoen als bij een geschil nog een ander belang speelt dan de enkele vaststelling van te betalen bedragen, bijvoorbeeld een accusatoir karakter van de beschikking, een belangrijk processueel gevolg daarvan voor gerelateerde zaken of als aannemelijk is dat de betrokkene door de beschikking in financiële problemen is gekomen. Dergelijke uitzonderingen doen zich in dit geval niet voor, aldus het Hof.
3.3
Ook de aard van de beschikking kan naar het oordeel van het Hof reden zijn voor het oordeel over de grootte van de psychische schade. In dit geval is volgens het Hof relevant dat het gaat om een gebruikelijke, jaarlijks terugkerende beschikking met een gelding van relatief korte duur. Het gaat om beschikkingen die in de regel steeds in een vaste periode aan het begin van het jaar op initiatief van de gemeente aan belanghebbenden worden toegezonden. Het is met andere woorden een heel gebruikelijke beschikking met gelding van (relatief) korte duur. Beschikkingen van deze aard zullen naar verhouding doorgaans geen grote mentale impact hebben, aldus het Hof.
3.4
Verder heeft het Hof in aanmerking genomen dat de zaak inhoudelijk eenvoudig is, nu het een WOZ-beschikking voor een woning is zonder een opvallende complicatie en zonder ingewikkelde kwesties. In de zaak spelen formele of standaardklachten die in min of meer gelijke vorm reeds tientallen malen door de gerechten van ons land zijn beoordeeld en verworpen en die niet gaan om specifieke zaken die de woning betreffen die vergen dat belanghebbende zich (intensief) met de zaak bezig houdt waardoor zij steeds weer met de lange duur van de rechtsgang – en de daarmee samenhangende spanning en frustratie – wordt geconfronteerd. De enige handeling van belanghebbende die uit het dossier blijkt, is haar digitale ondertekening op 11 maart 2021 van de volmacht aan haar gemachtigde. Ook is het volgens het Hof niet aannemelijk dat belanghebbende stress heeft ervaren vanwege een hoog oplopende rekening voor haar juridische bijstand, aangezien de gemachtigde werkt op basis van no cure no pay en belanghebbende de kosten van de procedure niet zelf hoeft te dragen, of zij nu wint of verliest en dat zij van de procedure alleen maar voordeel kan hebben.
3.5
Alles in aanmerking nemende, oordeelt het Hof dat het vergoeden van (veronderstelde) psychische schade van € 500 in dit specifieke geval zou leiden tot een evident ongerechtvaardigde overcompensatie. Het Hof heeft hierin aanleiding gezien in deze zaak het tarief van € 500 te matigen naar € 50.

4.Beoordeling van de middelen

4.1
Het tweede middel is gericht tegen de door het Hof toegepaste matiging van de vergoeding voor immateriële schade. Het betoogt daartoe dat de no-cure-no-payafspraak helemaal niets betekent in de geleden spanning en frustratie, evenmin als het feit dat ieder jaar een nieuwe beschikking wordt opgelegd. Ook de omstandigheid dat het gaat om standaardgrieven doet niet ter zake, aldus het middel.
4.2.1
Op een verzoek tot toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting dient te worden beslist aan de hand van objectieve maatstaven. Uitzonderingen op die objectieve maatstaven moeten worden beperkt tot bijzondere gevallen. [2] Tot die maatstaven behoort de regel dat voor het toekennen van een dergelijke vergoeding als uitgangspunt en behoudens wettelijke uitzonderingen een tarief dient te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. [3] Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin de betrokkene daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang. Ook op dat uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt in bijzondere gevallen. [4]
4.2.2
In het arrest van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853 (hierna: het arrest van 14 juni 2024) heeft de Hoge Raad zijn vaste rechtspraak over vergoeding van immateriële schade in belastingzaken waarin de beslechting van het geschil niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden, aangepast wat betreft het vereiste van een financieel belang van ten minste € 15. De rechter kan sindsdien in belastingzaken waarin de redelijke termijn voor berechting is overschreden, volstaan met de constatering daarvan wanneer het financiële belang bij een procedure minder dan € 1.000 bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. Dit is alleen anders indien, zoals in dit geval, het in dat arrest weergegeven overgangsrecht van toepassing is. [5] In zo’n geval kan het beperkte financiële belang van de zaak daarom slechts aanleiding geven om dit als een bijzonder geval aan te merken, indien de procedure over een zeer gering financieel belang gaat, dat wil zeggen een belang van niet meer dan € 15. [6] In dit geval volgt uit de uitspraak van het Hof dat het financiële belang van de zaak groter is, namelijk € 132. In de omvang van dat belang kon het Hof daarom geen aanleiding vinden om deze zaak aan te merken als een bijzonder geval waarin reden bestaat om af te wijken van het tarief van € 500 per half jaar.
4.2.3
Het Hof heeft verder laten meewegen dat het naar zijn oordeel in dit geval gaat om standaardklachten die in min of meer gelijke vorm reeds tientallen malen door de gerechten van ons land zijn beoordeeld en verworpen. In deze overweging ligt besloten dat naar het oordeel van het Hof sprake is van een zeer geringe kans op succes van belanghebbende in deze procedure. Een dergelijke zeer geringe kans brengt evenmin mee dat sprake is van een bijzonder geval zoals zojuist bedoeld. [7]
4.2.4
Ook voor de overige door het Hof aan zijn oordeel ten grondslag gelegde omstandigheden geldt dat zij, noch op zichzelf beschouwd noch in onderling verband bezien, de conclusie rechtvaardigen dat zich hier een bijzonder geval voordoet waarin aanleiding bestaat af te wijken van de regel dat de mate waarin de betrokkene daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden, niet van belang is voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade.
4.2.5
Het middel slaagt daarom. [8]
4.3
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4.4
Gelet op wat hiervoor in 4.2 is overwogen, kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen door de uitspraak van de Rechtbank te bevestigen voor zover deze de vergoeding voor immateriële schade betreft.

5.Proceskosten

5.1
Het dagelijks bestuur van Cocensus zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, en de heffingsambtenaar in de kosten van het geding voor het Hof, voor zover die kosten het incidentele hoger beroep betreffen.
5.2
De Hoge Raad zal de vergoeding van de proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure berekenen met inachtneming van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm [9] . Het geval van belanghebbende is namelijk niet aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, aangezien volgens de gemachtigde van belanghebbende geen bewijs ervan kan worden geleverd dat haar bedrijfsmodel in het jaar 2024 niet voldoet aan de kenmerken zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1 van dat arrest. Aangezien dit arrest niet inhoudt dat de bestreden besluiten (de WOZ-beschikking en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen) worden vernietigd of gewijzigd, zal hierbij de vermenigvuldigingsfactor 0,10 worden toegepast, zoals bedoeld in artikel 30a, lid 2, letter b, van de Wet waardering onroerende zaken.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, voor zover deze betreft de vergoeding van immateriële schade, en voor zover daarin ontbreekt een veroordeling van de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer in de kosten van belanghebbende voor het incidentele hoger beroep,
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, voor zover deze de vergoeding van immateriële schade betreft,
- draagt het dagelijks bestuur van Cocensus op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 138,
- veroordeelt het dagelijks bestuur van Cocensus in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 187 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof betreffende het incidentele hoger beroep, vastgesteld op € 934 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.

Voetnoten

2.Vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, rechtsoverweging 2.2.4.
3.Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.10.1, HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, rechtsoverwegingen 3.2.1 en 3.4.6, en HR 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1299, rechtsoverwegingen 5.4.1 tot en met 5.4.3.
4.Vgl. HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1461, rechtsoverweging 2.6.2.
5.Vgl. HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1758, rechtsoverweging 4.2.1.
6.Vgl. HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1758, rechtsoverwegingen 4.3 en 4.6.
7.Vgl. HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1461, rechtsoverweging 2.6.2, en HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.9.4.
8.Vgl. HR 8 augustus 2025, ECLI:NL:HR:2025:1122, rechtsoverwegingen 4.2.1 tot en met 4.2.3.
9.Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.