In deze prejudiciële beslissing heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch de Hoge Raad gevraagd om uitleg over de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in procedures over WOZ-beschikkingen en onroerendezaakbelastingen. De procedure betreft een geschil tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Vught over de WOZ-waarde en aanslag OZB 2019.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat eerdere arresten reeds antwoord geven op enkele vragen, zoals de toekenning van vergoeding aan de rechtsbijstandverlener en de vergoeding van griffierechten. Daarnaast bevestigt de Hoge Raad dat de vergoeding voor immateriële schade niet gemaximeerd is op het pleitbare financiële belang en niet beperkt is tot €50 per zes maanden overschrijding, tenzij de wet anders bepaalt.
De uitspraak verduidelijkt ook dat de zogenaamde bagatelgrens van €15 is verhoogd naar €1.000 bij een overschrijding van minder dan twaalf maanden. Verder wordt bevestigd dat in belastingzaken waarbij het beroep ongegrond wordt verklaard maar immateriële schadevergoeding wordt toegekend, geen vergoeding van griffierechten hoeft plaats te vinden.
De Hoge Raad sluit hiermee aan bij recente jurisprudentie en geeft een belangrijke richtlijn voor de behandeling van vergoeding van immateriële schade in bestuursrechtelijke belastingprocedures. Het Hof zal nog beoordelen of aan belanghebbende een vergoeding van proceskosten voor deze prejudiciële procedure toekomt.