ECLI:NL:HR:2025:1122
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over matiging vergoeding immateriële schade bij overschrijding redelijke termijn in WOZ-zaak
Belanghebbende stelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd gematigd van € 500 naar € 50. De zaak betrof een WOZ-beschikking en aanslag onroerendezaakbelasting voor 2021 met een relatief gering financieel belang.
De Rechtbank had eerder een vergoeding van € 500 toegekend wegens een overschrijding van ongeveer vijf maanden. Het hof matigde deze vergoeding vanwege de eenvoud van de zaak, het geringe financiële belang, de korte geldigheidsduur van de beschikking en het ontbreken van kostenrisico voor belanghebbende.
De Hoge Raad oordeelt dat de matiging onterecht is omdat de objectieve maatstaven voor vergoeding van immateriële schade een tarief van € 500 per half jaar voorschrijven, waarbij de mate van ervaren spanning en frustratie in principe niet relevant is. Alleen in bijzondere gevallen kan hiervan worden afgeweken, maar die zijn hier niet aan de orde.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het de matiging betreft en bevestigt de oorspronkelijke vergoeding van € 500. Daarnaast houdt de Hoge Raad de beslissing over de proceskostenvergoeding aan en stelt belanghebbende in de gelegenheid nadere gegevens te verstrekken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof over de matiging van de vergoeding immateriële schade en bevestigt de oorspronkelijke vergoeding van € 500.