ECLI:NL:HR:2025:1063
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt opzet bij onjuiste belastingaangiften en vermindert vergrijpboeten
Belanghebbende voerde samen met een andere persoon een VOF en werd door de Belastingdienst onderzocht voor de jaren 2011 tot en met 2016. De Inspecteur corrigeerde de winst in de belastingaangiften en legde voor de jaren 2012 tot en met 2016 vergrijpboeten op wegens het doen van onjuiste aangiften. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de administratie van de VOF ernstig gebrekkig en onjuist was, en dat belanghebbende bewust onjuiste aangiften had gedaan met het oogmerk om omzet en winst buiten het zicht van de Belastingdienst te houden.
De Hoge Raad stelde in een eerder arrest dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd op welke feiten en omstandigheden het opzet had gebaseerd en verwees de zaak terug. Na nadere beoordeling bevestigde het Hof het opzet van belanghebbende op grond van bewijsvermoedens die niet waren ontzenuwd. De Hoge Raad oordeelde dat deze bewijsvoering en het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk waren en dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond, vernietigde de eerdere uitspraken voor zover die betrekking hadden op de boeten, en verminderde de boeten met 5 procent vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure. Er werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en vermindert de vergrijpboeten met 5 procent wegens termijnoverschrijding.