Partijen, gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap van goederen, waren betrokken bij de verdeling van vijf eenvoudige gemeenschappen van onroerende zaken. De rechtbank had vier onroerende zaken toegewezen aan de man onder de voorwaarde dat de vrouw zou worden ontslagen uit hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen en dat zij een bedrag zou ontvangen.
Beide partijen stelden hoger beroep in tegen de beschikking van de rechtbank. Het hof vernietigde de eerdere beschikking en bepaalde dat de onroerende zaken aan de man werden toegedeeld onder voorwaarden, waarbij bindende taxaties moesten worden verricht om de waarde vast te stellen. De vraag speelde welk peilmoment voor waardering van de onroerende zaken geldt.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank de verdeling van de vier onroerende zaken heeft vastgesteld en dat partijen deze vaststelling in hoger beroep niet hebben aangevochten. Daarom geldt de datum van de uitspraak van de rechtbank als peilmoment voor de waardering, ook al was het ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid nog niet gerealiseerd. De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikkingen van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling.