ECLI:NL:HR:2021:336
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Bevestiging TBS oplegging bij bedreiging en belaging met geweldskarakter
De verdachte werd veroordeeld voor meermalen gepleegde bedreiging en belaging jegens twee slachtoffers, waaronder het sturen van bedreigende brieven en kaarten tijdens zijn detentie en verblijf in een instelling. Het hof kwalificeerde deze feiten als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en belaging, en legde een maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging op.
De Hoge Raad herhaalt dat bedreiging en belaging niet zonder meer als geweldsmisdrijven worden aangemerkt, maar dat de rechter bij het opleggen van TBS moet motiveren of het bewezenverklaarde feit een geweldsmisdrijf oplevert. Hierbij moet onder meer worden betrokken of de bedreiging werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door agressief gedrag en of aannemelijk is dat de bedreiging zou worden uitgevoerd.
Het hof achtte de bedreigingen ernstig en aannemelijk dat de verdachte deze zou uitvoeren, mede gelet op zijn verklaringen en houding. Ook was sprake van een groot recidivegevaar en ernstige persoonlijkheidsproblematiek. De Hoge Raad oordeelt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven en het oordeel niet onbegrijpelijk is.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure is overschreden, maar dit leidt niet tot een andere uitkomst. Het beroep van de verdachte wordt verworpen en de TBS-maatregel blijft van kracht.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de oplegging van TBS met dwangverpleging wegens bedreiging en belaging met geweldskarakter en wijst het cassatieberoep af.