Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
3.Slotsom
4.Beslissing
27 maart 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld voor poging tot afpersing, meervoudige bedreiging en belaging, en kreeg een gevangenisstraf van achttien maanden opgelegd, gecombineerd met een maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met verpleging van overheidswege. Het hof kwalificeerde de feiten als geweldsmisdrijven en motiveerde de oplegging van TBS op basis van bedreigingen met ernstige verminkingen en de ernst van de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte.
In cassatie stelde de verdachte dat het hof zijn oordeel omtrent het geweldsmisdrijf onvoldoende had gemotiveerd, hetgeen de Hoge Raad bevestigde. De Hoge Raad herhaalde dat bij oplegging van TBS de rechter expliciet moet motiveren of de maatregel is opgelegd ter zake van een geweldsmisdrijf, zoals vereist in art. 38e lid 1 Sr en art. 359 lid 7 Sv Pro.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel onvoldoende had onderbouwd en vernietigde het deel van het arrest dat betrekking had op de strafoplegging en TBS-maatregel. De zaak werd terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling van de strafoplegging en maatregel, waarbij de overige beslissingen, zoals schadevergoedingsmaatregelen, ongewijzigd blijven.
Het arrest benadrukt het belang van een duidelijke motivering bij oplegging van TBS, vooral wanneer het misdrijf niet zonder meer als geweldsmisdrijf kan worden gekwalificeerd, zoals bij bedreiging en belaging. De Hoge Raad handhaaft hiermee de rechtsontwikkeling omtrent de toepassing van TBS-maatregelen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging en oplegging van TBS wegens onvoldoende motivering en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.