Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
fixumvan art. 6:119 BW Pro. De verwijzing door het hof naar de omstandigheid dat wettelijke rente in één keer pleegt te worden uitbetaald en niet per jaar wordt ontvangen, kan volgens eiser het bestreden oordeel niet dragen.
fixumvan art. 6:119 BW Pro valt. Het recht van eiser op betaling van de wettelijke rente is opeisbaar geworden door het tot toekenning van die rente strekkende besluit van een publiekrechtelijke rechtspersoon, te weten de rechtsvoorganger van het UWV [10] . Aangezien de toegekende wettelijke rente niet verspreid genoten is of kon worden, kon het hof slechts constateren dat geen sprake was van een situatie waarin betrokkene recht zou hebben gehad op een lager tarief [11] . Daarom was van ‘belastingschade’ in de door eiser bedoelde zin geen sprake. Dit heeft het hof tot uitdrukking gebracht in de verwijzing naar de correspondentie van de belastinginspecteur en met de overweging dat wettelijke rente in één keer wordt uitbetaald en, in de tijd waar het hier om gaat, in dat jaar in zijn geheel werd belast. In theorie was wellicht mogelijk geweest dat de verschuldigde wettelijke rente eerder door de rechtsvoorganger van het UWV zou zijn vastgesteld en in elk jaar afzonderlijk zou zijn uitbetaald, zelfs nog voordat de verschuldigde hoofdsom definitief was vastgesteld, maar dát heeft het hof niet als een reële basis voor de vaststelling van de schade beschouwd, noch behoeven te beschouwen. Doorgaans wordt eerst de verschuldigde hoofdsom bepaald en pas daarna de wettelijke rente daarover; dit volgt uit de toevoeging dat wettelijke rente in het algemeen in één keer wordt uitbetaald. Onderdeel 1 faalt.
ex aequo et bonovast te stellen [16] . Enkele in dit geval voor de hand liggende aanknopingspunten, zoals de lengte van de periode waarin de AAW/WAO-uitkering ontbrak, de financiële gevolgen daarvan voor het inkomen en de noodgedwongen verhuizing van eiser, zijn blijkens het arrest het hof niet ontgaan. In de praktijk geschiedt het begroten van immateriële schade dikwijls door middel van gevalsvergelijking [17] , maar de motiveringsplicht gaat niet zover dat de rechter het vergelijkingsmateriaal uitdrukkelijk in zijn vonnis moet opnemen. Eiser heeft in de feitelijke instanties toegelicht waarop hij zijn standpunt baseerde dat naar objectieve maatstaven geestelijk letsel is vastgesteld [18] . Ten aanzien van het gevorderde bedrag heeft hij slechts gesteld dat het gevorderde bedrag hem redelijk en billijk en niet buitenproportioneel voorkwam [19] . Het hof had daarom met betrekking tot de hoogte van het bedrag niet veel mogelijkheden tot responderen. Als ik het goed zie, zit het verschil voornamelijk in het feit dat in eisers optelling het geestelijk letsel voor ieder jaar afzonderlijk is berekend, welke benadering door het hof blijkbaar niet wordt gedeeld. De slotsom is dat onderdeel 2 faalt.