Conclusie
1.Feiten en procesverloop
4. Het standpunt van klagers(…)
6.De beoordeling6.1.1. Ter zake van het klachtonderdeel zoals hiervoor onder 4.1. weergegeven (...) hebben klagers het volgende aangevoerd dat erflater ten tijde van de ondertekening van de akten:
2.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal cassatieberoep
Onderdeel 1.1klaagt dat het hof daarmee heeft miskend dat de bindende kracht van het gewijsde in het eindvonnis in de weg stond aan de herbeoordeling in hoger beroep van de onrechtmatigheid van het handelen van de Notaris jegens [betrokkene 1].
Onderdeel 1.2klaagt dat het hof zijn taak als appelrechter heeft miskend en de door partijen bepaalde rechtsstrijd in het hoger beroep heeft veronachtzaamd.
Onderdeel 1.3klaagt dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op de stelling van de Notaris dat met het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis van de rechtbank jegens [betrokkene 1] vaststaat dat de Notaris jegens [betrokkene 1] niet onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens het onderdeel is het oordeel in rov. 4.24 dat de Notaris jegens [verweerder] ‘en [betrokkene 1]’ onrechtmatig heeft gehandeld en is “gehouden de schade die daardoor is ontstaan te vergoeden”, onbegrijpelijk.
door mee te werken aan het verlijden van de hypotheekakte voor zover daarbij zekerheid is verleend voor de andere vorderingen dan die uit geldlening” en hij gehouden is de schade die daardoor is ontstaan te vergoeden, ten onrechte de gronden heeft aangevuld van hetgeen [verweerder] aan zijn vorderingen in hoger beroep ten grondslag heeft gelegd. Ter toelichting stelt het onderdeel dat [verweerder], zoals in rov. 4.16 is vastgesteld, de Notaris verwijt onrechtmatig jegens hem en [betrokkene 1] te hebben gehandeld door het adviseren van en het meewerken aan de “constructie van het plan”, bestaande uit de in rov. 4.16 vermelde gedragingen onder (a) t/m (f) (zie voor die gedragingen hierna onder 2.20) die, zoals [verweerder] ter toelichting op grief 2 heeft aangevoerd, “in hun onderlinge samenhang moeten worden bezien”. Door in de rov. 4.24, 4.26 en 4.27 e.v. de medewerking van de Notaris aan het verlijden van de hypotheekakte voor zover daarbij zekerheid is verleend voor de andere vorderingen dan die uit geldlening, als onrechtmatig te kwalificeren, zou het hof volgens het onderdeel ontoelaatbaar zijn afgeweken van hetgeen [verweerder] aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd.
Het verwijt ziet met name op het deel van de hypotheek – ter hoogte van € 400.000,-- - dat niet strekte tot zekerheid van voldoening van aan vader geleend geld. Met het vestigen van dat deel van de hypotheek is immers de ongelijkheid ontstaan tussen enerzijds [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en anderzijds [verweerder] en [betrokkene 1].”
Onderdeel 2.1klaagt dat het hof bij de beoordeling van de grieven 5 en 6 ten onrechte de in het Novitaris
-arrest geformuleerde beoordelingsmaatstaven heeft toegepast. Ter toelichting stelt het onderdeel dat, anders dan in het Novitaris-arrest, het in de onderhavige zaak niet erom gaat dat de notaris op de voet van art. 21 Wet Pro op het notarisambt (Wna) zijn medewerking aan een hem gevraagde dienstverlening moet weigeren of opschorten vanwege, kort gezegd, het bestaan van botsende rechten ter zake van het goed waarvan de levering is verlangd of waarop vestiging van een beperkt recht is verzocht.
sprake is van een beletsel” in de in rov. 4.19 onder e en f vermelde zin. In plaats daarvan had het hof de vraag moeten beantwoorden of sprake was van een in art. 21 lid 2 Wna Pro bedoelde uitzonderingssituatie, waarin de notaris verplicht is om de in beginsel te verlenen dienst te weigeren. Ten onrechte heeft het hof volgens het onderdeel niet de toetsingsmaatstaven uit art. 21 lid 2 Wna Pro aangelegd, althans zijn oordeel niet voldoende gemotiveerd, nu daaruit niet valt op te maken op grond van welke uitzonderingsgrond en vanwege welke bijzondere omstandigheden het hof van oordeel was dat de Notaris dienst had moeten weigeren.
Onderdeel 3.1klaagt dat het hof ten onrechte dan wel onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat [betrokkene 3] en [betrokkene 2] onder de in rov. 4.24 genoemde omstandigheden niet een rechtmatig belang hadden bij het verlangen van een recht van hypotheek voor de vorderingen die zij op de vader hadden uit de ouderlijke boedelverdeling en de schenkingen op papier.
onder ahadden [betrokkene 3] en [betrokkene 2] net als iedere schuldeiser het recht om zekerheid te verlangen voor de terugbetaling van hun vorderingen door het vestigen van een recht van hypotheek; ook [verweerder] en [betrokkene 1] hadden dit kunnen doen.
Het onderdeel klaagt
onder bdat het bestreden oordeel innerlijk tegenstrijdig is met het oordeel in rov. 4.22 en 4.23 van het tussenarrest dat [betrokkene 3] en [betrokkene 2] in de gegeven omstandigheden niet onrechtmatig hebben gehandeld door zekerheid te verlangen voor de leningen van elk € 175.000,- aan vader, voor welk oordeel het hof ook in aanmerking heeft genomen dat vader niet over voldoende liquide middelen beschikte.
onder cdat het hof op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden ten onrechte heeft geoordeeld dat, gelet op de omvang van het vermogen van vader en zijn hoge leeftijd, het concrete gevaar bestond dat [verweerder] en [betrokkene 1] hun vorderingen niet op de nalatenschap zouden kunnen verhalen, terwijl [betrokkene 3] en [betrokkene 2] betaling daarvan door het recht van hypotheek gewaarborgd wisten. Althans is volgens het onderdeel de conclusie van het hof onbegrijpelijk, nu ten tijde van het verlijden van de hypotheekakte nog niet sprake was van “het concrete gevaar” dat [verweerder] en [betrokkene 1] niet hun vorderingen konden verhalen op de nalatenschap van vader en uit rov. 4.24 niet volgt waarop het hof het oog heeft bij “de omvang van het vermogen van vader”.
Onderdeel 3.2klaagt
onder adat het hof met het oordeel dat de Notaris had moeten weigeren om mee te werken aan het verlijden van de hypotheekakte, voor zover daarbij zekerheid was verleend voor andere vorderingen dan die uit de geldleningsovereenkomsten, heeft miskend dat niet uitsluitend op verzoek van [betrokkene 3] en [betrokkene 2], maar op een daartoe strekkend verzoek van vader zelf een recht van hypotheek is gevestigd ten gunste van (de vorderingen van) [betrokkene 3] en [betrokkene 2], en dat vader daartoe beschikkingsbevoegd en wilsbekwaam was. Van een afdwingen door [betrokkene 3] en [betrokkene 2] was volgens het onderdeel dan ook geen sprake.
onder bdat ’s hofs oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de stellingen van de Notaris dat hij zich vóór de van hem verlangde ambtsverrichting door het doen van navraag en onderzoek in voldoende mate ervan heeft vergewist dat vader wilsbekwaam was, en dat de vader de wil had om ten behoeve van het verhaal van de overige vorderingen van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] dan uit de geldlening zekerheid te verstrekken door vestiging van het door hen verlangde recht van hypotheek, ondanks dat de Notaris hem meermaals op de hoogte had gesteld van de voor [verweerder] en [betrokkene 1] nadelige gevolgen van de te verstrekken hypotheek. [5] Het onderdeel klaagt dat het hof, door op de genoemde stellingen van de Notaris niet (kenbaar) in te gaan, zijn arresten niet voldoende heeft gemotiveerd.
onder cdat het hof in dat geval heeft miskend dat de in rov. 4.24 genoemde omstandigheden niet de gevolgtrekking kunnen wettigen dat de Notaris jegens [verweerder] en [betrokkene 1] onrechtmatig handelde. Volgens het onderdeel had het hof mede in aanmerking moeten nemen dat de Notaris in de relatie tot vader de zorgvuldigheid heeft betracht van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot, aangezien hij vader meermaals heeft gewezen op de voor [verweerder] en [betrokkene 1] mogelijk nadelige gevolgen van het ten gunste van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] te vestigen recht van hypotheek. Volgens het onderdeel hoefde de Notaris buiten een herhaalde navraag naar en nader onderzoek van de wil van vader op grond van art. 17 lid 1 Wna Pro niet meer te doen en mocht hij niet zijn ministerie weigeren.
NJ2015/479) was aan de orde de beroepsaansprakelijkheid van een notaris jegens een derde. [6] Deze derde verweet de notaris dat hij zijn ministerie had verleend bij het transport van een onroerende zaak, zonder dat de op de vervreemders jegens de derde rustende en aan de notaris bekende aanbiedingsplicht was geëindigd. Volgens deze aanbiedingsplicht, opgenomen in de akte op grond waarvan de onroerende zaak destijds aan de vervreemders door hun vader in eigendom werd geleverd, waren de eigenaren van het pand gehouden om alvorens tot vervreemding van hun aandelen in het pand over te gaan, die aandelen eerst aan te bieden aan hun vader voor de in de leveringsakte genoemde prijs. De Kamer van Toezicht had eerder een klacht van de vader tegen de notaris gegrond verklaard. In de civiele procedure vorderde de echtgenote van de inmiddels overleden vader ten behoeve van wie de aanbiedingsplicht gold, veroordeling van de notaris en de vervreemders tot vergoeding van de door de vader geleden schade als gevolg van schending van de op de notaris rustende zorgplicht. Het hof wees de vordering af en overwoog daartoe dat de van de notaris te vergen zorgvuldigheid niet zo ver gaat dat hij gehouden zou zijn om zich een zelfstandig oordeel te vormen over de vraag of de eigenaren van het pand tekort waren geschoten in de vervulling van hun aanbiedingsverplichting en, zo ja, om in afwijking van de in beginsel op hem rustende ministerieplicht zijn medewerking aan het verlijden van de transportakte te weigeren. In cassatie werd betoogd dat een notaris die zich geconfronteerd ziet met een in een notariële akte vervatte aanbiedingsplicht, uit hoofde van zijn positie als openbaar ambtenaar een onderzoeksplicht heeft naar de status van die aanbiedingsplicht en dat deze onderzoeksplicht in elk geval geldt wanneer de vervreemder heeft aangekondigd wanprestatie te zullen plegen. Het middel betoogde verder dat, indien de notaris vaststelt dat de aanbiedingsplicht niet is nagekomen, hij zijn ministerie moet weigeren. De Hoge Raad overwoog het volgende:
Ten slotte bevat het Novitaris-arrest nog enkele algemene richtlijnen in verband met de onder (iii) en (vii) bedoelde onderzoeksplicht:
globaal oordeelzal kunnen vormen (zie onder xii), betekent niet dat de notaris slechts een marginale onderzoeksplicht heeft. Delhaas merkt op dat van de notaris in de praktijk vooral verwacht wordt dat hij goed doorvraagt naar de mogelijke belangen van derden die voor hem uit een akte blijken, en dat de notaris moet zorgen voor goede verslaglegging hiervan. [13] De Bock schrijft dat voor de uitkomst van het Novitaris-arrest beslissend was dat de koper van het pand een échte derde was, en de echtgenote van de vader ruim gelegenheid had gehad tot het treffen van rechtsmaatregelen om haar rechten uit het voorkeursrecht uit te oefenen. [14] Met iets meer of anders gekleurde omstandigheden had de uitkomst volgens hem ook anders kunnen uitvallen.
aan een (mogelijke) onrechtmatige daad van één van de partijen, rechtens onhoudbaar is (voor de enkele wanprestatie ligt dat anders). [16] Na het Novitaris-arrest kon de nieuwe beroepsregel volgens Huijgen ‘slechts worden ingetrokken’. [17] Zij is immers niet te verenigen met het Novitaris-arrest. De verordening is niet ingetrokken, maar de inwerkingtreding is uitgesteld. [18]
of wanprestatiejegens een derde. Vervolgens wordt een uitzondering geformuleerd voor het geval de bij de te verrichten rechtshandeling betrokken partij daarbij een rechtmatig belang heeft.
dienstverlening, mits’ en de Notariskamer gaat uit van ‘
dienstweigering, tenzij’. Vonck wijst er echter ook op dat het de vraag is of de tuchtrechter daarmee daadwerkelijk ander gedrag van de notaris verlangt dan de civiele rechter; uiteindelijk zouden beide instanties ‘onderaan de streep’ tot dezelfde uitkomst komen. Om het notariaat meer duidelijkheid te geven, had de Notariskamer volgens Vonck de gelegenheid echter moeten aangrijpen om de norm van het Novitaris-arrest expliciet over te nemen.
Dat de tuchtrechter en de civiele rechter ‘onderaan de streep’ tot dezelfde uitkomst komen, lijkt mij voor het merendeel van de gevallen inderdaad juist. Enig verschil in benadering en daarmee
somsook in uitkomst, is echter onontkoombaar, nu de tuchtrechter en de civiele rechter niet precies dezelfde norm hanteren. [24] De civiele maatstaf of de notaris heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwame vakgenoot mag worden verwacht, is niet één op één hetzelfde als de maatstaf van art. 93 Wna Pro. De iets strengere tuchtrechtelijke maatstaf kan ertoe leiden dat een notaris tuchtrechtelijk laakbaar handelt, maar niet civielrechtelijk aansprakelijk is. [25] Dat dit zich kan voordoen, is echter op zichzelf geen reden voor de tuchtrechter om de civielrechtelijke maatstaf te hanteren. [26] Het is dan ook maar de vraag of de Notariskamer gehouden is om de norm van het Novitaris-arrest integraal over te nemen. [27]
andere gevallengeldt dat zich een grond voor weigering kan voordoen wanneer de notaris een gegronde redenen voor weigering heeft, in verband met de zorg die hij heeft voor de belangen van derden die zijn betrokken bij de van hem gevraagde ambtsverrichting. Zo kan zich ook een grond voor weigering voordoen indien de notaris ermee bekend is dat zijn dienstverlening leidt tot onrechtmatig handelen jegens een derde wiens belangen zijn betrokken bij de gevraagde ambtsverrichting.
algemene maatstafgeformuleerd voor dienstweigering door de notaris (rov. 3.4.2 en 3.4.3), die niet beperkt is tot situaties waarin het gaat om de levering van een goed of de vestiging van een beperkt recht daarop, terwijl ook een derde ter zake van dat goed rechten kan doen gelden (“botsende rechten”). De specifieke oordelen die de Hoge Raad geeft in rov. 3.4.4 zien op die laatste situatie, [30] maar ook in andere gevallen kan zich voordoen dat de notaris in verband met de bij de rechtshandeling betrokken belangen van een derde, gegronde redenen heeft om de gevraagde dienstverlening te weigeren. Dat het arrest op deze manier moet worden gelezen, volgt ook uit de woorden ‘
onder meer’ in de eerste zin van rov. 3.4.4.
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidenteel cassatieberoep
Daarmee is echter stelling (a), dat vader zijn post zelf niet meer las zodat het maar de vraag is of hij kennis heeft genomen van de inhoud van de brieven, niet beoordeeld.
Evenmin is beoordeeld stelling (c), dat de Notaris niet alleen (dus buiten aanwezigheid van [betrokkene 2] en [betrokkene 3]) met vader heeft gesproken; de door de rechtbank genoemde bespreking van 25 november 2009 vond blijkens het door de Notaris zelf opgestelde verslag plaats met vader en ‘twee dochters’. [35] Hetzelfde geldt voor stelling (b), dat het niet vader is geweest die zich tot de Notaris heeft gewend met de wens om de transacties aan te gaan (dan wel met enige andere, meer of minder gearticuleerde wens), maar dat het [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zijn geweest die bij de Notaris advies hebben ingewonnen ‘om hun erfdeel en schulden veilig te stellen, succesierechten te besparen en het huis op te knappen’. [36] De tweede bespreking bij de Notaris is gevoerd door de echtgenoot van [betrokkene 3], waarbij ‘de echte reden voor het hypotheekrecht’ aan de orde is gekomen, namelijk dat er een belastingschuld te verwachten viel in verband met de inkeerregeling, en waarbij tevens geopperd is de mogelijkheid het hypotheekrecht tevens te vestigen ten behoeve van de ‘schenkingen op papier’. [37] Ik merk hierbij nog op dat deze beide besprekingen plaatsvonden vóórdat vader gebruik maakte van de inkeerregeling en geconfronteerd werd met de belastingschuld. [38] Tenslotte is ook onbesproken gebleven stelling (d), dat tot dan toe alle kinderen gelijkelijk behandeld zijn. De implicatie van die laatste stelling is dat niet te begrijpen valt waarom vader [verweerder] en [betrokkene 1] heeft willen onterven of benadelen, terwijl hij eerder zijn kinderen altijd dezelfde bedragen heeft geschonken.
Deze vier stellingen lijken mij bepaald niet onbelangrijk bij de beoordeling van de onderhavige zaak, mede met het oog op hetgeen aan de orde is bij het hierna nog te bespreken onderdeel 3.
(b) dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en haar echtgenoot het recht hadden zekerheid te verlangen voor de terugbetaling van hun vorderingen door het vestigen van een recht van hypotheek, zodat de Notaris daaraan desgevraagd moest meewerken (rov. 4.22),
(c) dat het verlangen van zekerheid door [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 2] in de gegeven omstandigheden niet onrechtmatig was voor zover de geldleningen daardoor werden verzekerd (rov. 4.23) en
(d) dat het causaal verband tussen de onterving en de schade ontbreekt en niet valt in te zien hoe de nalatenschap door de vernietiging van de geldlening en de hypotheek zou zijn gebaat (rov. 4.25).
Onderdeel 2.1klaagt dat het hof in de reeks van de in 3.6 weergegeven beslissingen heeft miskend dat [verweerder] heeft gesteld dat niet alleen de diverse onderdelen van de constructie afzonderlijk moeten worden beschouwd, maar juist (ook)
het samenstelvan alle onderdelen. Het onderdeel klaagt dat het hof wel de individuele onderdelen van het plan/de constructie op onrechtmatigheid heeft getoetst, maar ten onrechte heeft nagelaten om de constructie als geheel beschouwd op onrechtmatigheid te toetsen. Daarmee heeft het hof zijn arrest onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de stellingen van [verweerder] op dit punt. [39] Onderdeel 2.2klaagt dat het oordeel van het hof in de rov. 4.22, 4.23 en 4.26 dat de Notaris niet onrechtmatig heeft gehandeld door zijn medewerking te verlenen aan het vestigen van een recht van hypotheek ten behoeve van de ‘inkeerschulden’, omdat [betrokkene 3] en [betrokkene 2] en haar echtgenoot gerechtigd waren zekerheid te verlangen voor de door hen te verstrekken geldlening, onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. [verweerder] heeft betoogd dat ook dit een onrechtmatig element is van de gehele constructie, die erop gericht is vader te laten inkeren voor rekening van [verweerder] en [betrokkene 1]. Ter toelichting wijst het onderdeel erop dat, door aan de geldlening een recht van hypotheek te koppelen, de situatie werd gecreëerd dat de lasten van de inkeer eenzijdig dan wel onevenredig zwaar op [verweerder] en [betrokkene 1] kwamen te rusten, nu het voor vererving of schenking beschikbare vermogen van de vader door de inkeer kleiner werd.
Onderdeel 2.3klaagt dat het oordeel in rov. 4.21 dat het vader vrij stond [verweerder] en [betrokkene 1] te onterven, en dat het de Notaris dan ook niet kan worden verweten dat hij het testament heeft verleden, onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd in het licht van de stellingen van [verweerder] dat (i) het initiatief voor de onterving niet van vader afkomstig was, maar onderdeel is van de constructie van het plan en als zodanig door de Notaris is geadviseerd, [40] (ii) de onterving feitelijk geen verschil meer maakte voor [verweerder] en [betrokkene 1] en dus niet noodzakelijk was, aangezien de omvang van de door hypotheek gedekte vordering van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] en haar echtgenoot vrijwel gelijk was aan het resterende vermogen van vader, [41] en (iii) dat de onterving slechts tot doel had om conflicten in de toekomst te vermijden. [42] Onderdeel 2.4klaagt dat het oordeel in rov, 4.25, dat causaal verband tussen de onterving en de benadeling van [verweerder] en [betrokkene 1] ontbreekt, onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd in het licht van de stellingen van [verweerder] dat hij door de onterving een buitenstaander bleef bij de afwikkeling van de nalatenschap en aan hem informatie werd onthouden en hij ook niet als erfgenaam onder algemene titel de geldlening en de hypotheekverstrekking kon aantasten. [43]
als onderdeel van ‘de constructie’niet onrechtmatig was jegens hen, onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. De enkele vaststelling dat ‘dat het vader vrijstaat zijn kinderen te onterven’ kan niet als een voldoende weerspreking worden beschouwd van de in dit verband door [verweerder] ingenomen stellingen. De motiveringsklachten van de onderdelen 2.1 en 2.3 slagen daarmee.
de factoeen situatie is gecreëerd waarin de lasten van de inkeer eenzijdig of onevenredig zwaar op [verweerder] en [betrokkene 1] zijn komen te rusten. [verweerder] en [betrokkene 1] hebben inderdaad bijgedragen aan de betaling van de ‘inkeerschulden’ doordat de nalatenschap met dat bedrag is verminderd (waardoor zij hun eigen vorderingen niet meer hebben kunnen verhalen op de nalatenschap), maar zij zouden ook hebben bijgedragen indien vader vóórafgaand aan de schenkingen zou zijn ingekeerd. Het is mij op basis van de stellingen van [verweerder] niet duidelijk geworden waarom zou moeten worden aangenomen dat die bijdrage ‘eenzijdig’ of ‘onevenredig’ bij [verweerder] en [betrokkene 1] is neergelegd.
[.../...]geoordeeld dat onjuist is de opvatting dat indien een bedrag aan buitengerechtelijke kosten wordt gevorderd dat forfaitair is berekend volgens Aanbeveling II van het rapport Voorwerk II, [57] er dan geen plaats is voor een beoordeling door de rechter (op de voet van art. 6:96 lid Pro 2, aanhef en onder c, BW) of dat bedrag in de gegeven omstandigheden redelijk is. Daartoe werd overwogen dat Aanbeveling II van Rapport Voorwerk II – welk rapport geen recht bevat in de zin van art. 79 RO Pro [58] – de rechter niet bindt en hem dan ook niet ontslaat van de beoordeling van de redelijkheid van het op basis van die aanbeveling forfaitair berekende bedrag in het licht van de gegeven omstandigheden. Volgens de Hoge Raad lijkt ook het rapport zelf daarvan uit te gaan, want in 9.3 wordt ten aanzien van de aanbevolen forfaitaire vergoeding gezegd dat “alleen kosten kunnen worden toegewezen (…) waarvan de hoogte – ook in verhouding tot de hoofdsom – redelijk is”, waarmee het rapport andere omstandigheden, zoals de verhouding tot de in verband met de incasso verrichte werkzaamheden, kennelijk niet uitsluit. [59]