Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2010:BL7709

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04413
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 414 SvArt. 346 SvArt. 437 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid hoger beroep door niet-betrekken overgelegde stukken bij beraadslaging

In deze strafzaak stelde de verdachte in hoger beroep stukken van overtuiging over, die het Hof te 's-Gravenhage wel in ontvangst nam maar bij de beraadslaging niet in acht nam. De Hoge Raad herhaalt dat de rechter in hoger beroep een gemotiveerde beslissing moet geven over het al dan niet betrekken van dergelijke stukken, op basis van de eisen van een goede procesorde.

Het Hof had de stukken toegestaan maar vervolgens verklaard er geen acht op te slaan, wat volgens de Hoge Raad leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de daarop gebaseerde uitspraak. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat een afwijzing van een verzoek tot overlegging van stukken gemotiveerd moet zijn en dat bij toewijzing de stukken betrokken moeten worden bij de beraadslaging.

Verder merkt de Hoge Raad op dat indien tijdens de beraadslaging blijkt dat de stukken verweren bevatten die niet uitdrukkelijk ter terechtzitting zijn voorgedragen, de rechter deze niet hoeft te behandelen, maar wel op grond van art. 346 Sv Pro het onderzoek kan laten hervatten. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.

Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd vanwege nietigheid door het niet betrekken van overgelegde stukken bij de beraadslaging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Uitspraak

29 juni 2010
Strafkamer
Nr. 08/04413
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 oktober 2008, nummer 02/000106-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Rijnmond, locatie De IJssel" te Krimpen aan den IJssel.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Bij de Hoge Raad is een geschrift van de verdachte ingekomen. Omdat volgens art. 437, tweede lid, Sv uitsluitend een raadsman namens de verdachte middelen van cassatie kan indienen, kan de Hoge Raad dit geschrift niet beschouwen als een schriftuur houdende middelen van cassatie.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1. Het middel klaagt over 's Hofs beslissing geen acht te slaan op de ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte overgelegde stukken.
2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in:
"Na hervatting van het onderzoek maken de advocaat-generaal en de raadsman gebruik van de hun geboden gelegenheid tot repliek en dupliek.
De verdachte deelt mede nog een aantal stukken aan het gerechtshof over te willen leggen, inhoudende een aantal bewijsverweren.
De voorzitter deelt mede dat het hof bij de beraadslaging geen acht zal slaan op de inhoud van stukken die in dit stadium van de behandeling aan het hof worden overgelegd. De voorzitter merkt in dat verband bovendien nog op dat de verdachte ruimschoots in de gelegenheid is geweest zijn verdediging te voeren en daartoe alles aan te dragen wat hij noodzakelijk heeft geacht.
De raadsman deelt mede begrip te hebben voor het standpunt van het hof.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.
De verdachte legt zijn stukken aan het gerechtshof over.
De verdachte deelt desgevraagd door de voorzitter mede bij de uitspraak in zijn zaak aanwezig te willen zijn.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten (...)."
2.3. Ingevolge art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv zijn de advocaat-generaal bij het hof en de verdachte bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid is evenwel onderworpen aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daaromtrent valt niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt (vgl. HR 16 november 1999, NJ 2000, 214).
2.4. Ingeval bij de behandeling van een zaak in hoger beroep door de advocaat-generaal dan wel door de verdachte het verzoek wordt gedaan om nadere bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen, zal de rechter een afwijzende beslissing op een dergelijk verzoek dienen te motiveren aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf. Indien de rechter het verzoek toewijst, zal hij de overgelegde stukken bij zijn beraadslaging dienen te betrekken.
2.5. Het Hof heeft dat laatste miskend. Het heeft immers, nadat het de overlegging van de stukken had toegestaan, geoordeeld dat het bij de beraadslaging geen acht zal slaan op hun inhoud. Dat leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak. Het middel is gegrond.
2.6. Opmerking verdient dat indien in een geval als het onderhavige tijdens de beraadslaging blijkt dat de overgelegde stukken verweren bevatten, de rechter niet gehouden is daarop een beslissing te geven indien en voor zover die verweren niet uitdrukkelijk ter terechtzitting zijn voorgedragen (vgl. HR 8 november 2005, NJ 2006, 82). Hetzelfde geldt voor uitdrukkelijk onderbouwde standpunten en verzoeken die in dergelijke stukken mochten zijn vervat. Indien de rechter evenwel daartoe in de inhoud van de overgelegde stukken aanleiding vindt, zal hij op de voet van art. 346 Sv Pro kunnen bevelen dat het onderzoek op de terechtzitting wordt hervat.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink, H.A.G. Splinter-van Kan, C.H.W.M. Sterk en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 29 juni 2010.