ECLI:NL:GHAMS:2008:BD2068
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling opzet en boetematiging bij onjuiste belastingaangifte door verkoop schip
Belanghebbende verkocht in 1999 een vissersschip waarbij de accountant de onderhoudskosten ten laste van belanghebbendes resultaat bracht. Het Hof stelde vast dat belanghebbende en zijn broer wisten dat de ombouwkosten niet voor rekening van de firma behoorden te komen, maar desondanks onjuiste aangiften inkomstenbelasting en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen indienden.
Na cassatie door de Hoge Raad werd de zaak terugverwezen naar het Hof Amsterdam. Het Hof beoordeelde of sprake was van opzet en concludeerde dat belanghebbende zich bewust was van de aanmerkelijke kans op onjuiste aangifte en dit willens en wetens heeft aanvaard, wat onder voorwaardelijk opzet valt.
De boetes werden bevestigd, maar vanwege de overschrijding van de redelijke termijn werd een matiging van 10% toegepast. De boete voor de inkomstenbelasting werd vastgesteld op ƒ 40.500 en voor de WAZ op ƒ 2.084. Het Hof veroordeelde de inspecteur tevens in de proceskosten en bepaalde een vergoeding van griffierecht en proceskosten voor belanghebbende.
Uitkomst: Boetes wegens opzettelijk onjuiste aangifte bevestigd met matiging vanwege overschrijding redelijke termijn.