ECLI:NL:HR:2004:AQ7364
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- H.A.M. Aaftink
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen duurzame gemeenschappelijke huishouding bij voortzetting huurovereenkomst na overlijden huurder
In deze zaak vorderde eiser voortzetting van de huurovereenkomst van een woning die oorspronkelijk was gesloten tussen zijn moeder en de verhuurder. De moeder van eiser was de huurder, maar zij overleed in januari 2001. Eiser stelde dat hij vanaf augustus 1998 met zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde en daarom de huurovereenkomst mocht voortzetten op grond van art. 7A:1623i lid 2 (oud) BW.
De kantonrechter wees de vordering af en veroordeelde eiser tot ontruiming van de woning. Het gerechtshof bekrachtigde dit vonnis en verklaarde het hoger beroep van eiser niet-ontvankelijk voor een deel. Het hof oordeelde dat de samenleving tussen eiser en zijn moeder niet duurzaam was, mede gelet op de korte duur en het feit dat eiser tijdelijk elders verbleef vanwege werkzaamheden.
De Hoge Raad stelde voorop dat alleen bijzondere omstandigheden kunnen leiden tot het oordeel dat er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding die voortzetting van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Het hof had dit juist toegepast en zijn oordeel was niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het cassatieberoep werd daarom verworpen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat geen sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, waardoor de huurovereenkomst niet werd voortgezet.