Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling
3.Wettelijk kader
4.Beoordeling van het eerste middel
5.Beoordeling van het tweede middel
6.Beoordeling van het derde middel
7.Beslissing
26 januari 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van verdachte is toegewezen wegens het plegen van een strafbaar feit tijdens de proeftijd.
Het hof oordeelde dat het Openbaar Ministerie (OM) de schriftelijke vordering tot herroeping onverwijld bij de rechtbank moet indienen, maar dat betekening aan de verdachte niet onverwijld hoeft te geschieden. De verdachte werd tijdig opgeroepen voor de zitting met betekening van de vordering.
Daarnaast stelde de raadsvrouw van verdachte dat het OM geadviseerd moest worden een taakstraf als bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijke invrijheidstelling te verbinden. Het hof wees dit af, stellende dat een taakstraf niet valt onder de bijzondere voorwaarden die aan de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen worden verbonden.
De Hoge Raad bevestigt dat de wet geen eis kent dat de vordering onverwijld aan de verdachte wordt betekend, maar wel dat het OM onverwijld bij de rechtbank indient. Tevens bevestigt de Hoge Raad dat een taakstraf niet als bijzondere voorwaarde kan worden gesteld bij de voorwaardelijke invrijheidstelling, omdat dit een hoofdstraf betreft en niet het gedrag van de veroordeelde betreffen zoals vereist.
Het beroep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling zonder mogelijkheid tot het opleggen van een taakstraf als bijzondere voorwaarde.