ECLI:NL:GHSHE:2026:326

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
24/414 en 24/415
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:75 AwbArtikel 6, lid 1, Wet financiering sociale verzekeringenArtikel 9, lid 3, Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over premiedeel heffingskortingen bij buitenlands belastingplichtige

Belanghebbende, woonachtig in Polen en werkzaam in Nederland in 2017 en 2018, maakte bezwaar tegen de tijdsevenredige vermindering van het premiedeel van de heffingskortingen in haar aanslagen IB/PVV. De inspecteur had het premiedeel slechts toegekend voor de periode waarin zij in Nederland werkte en premieplichtig was.

Na afwijzing van bezwaar en beroep bij de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het hof. Zij voerde aan dat zij op grond van het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel recht had op het volledige premiedeel. Tevens stelde zij dat de werkgever verantwoordelijk was voor de extra premiebetaling.

Het hof oordeelde dat het premiedeel correct tijdsevenredig was berekend volgens de wet. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de uitkomst van het aangifteprogramma geen toezegging vormt en belanghebbende onjuiste gegevens had ingevuld. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat geen vergelijkbare gevallen waren aangetoond waarbij onterecht het volledige premiedeel was toegekend.

Ook de stelling dat de werkgever de premie moet betalen werd verworpen, omdat belanghebbende als verzekerde premieplichtige is. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat het premiedeel van de heffingskortingen tijdsevenredig is verminderd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/414 en 24/415
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van
22 februari 2024, nummers BRE 22/5913 en 5914, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2017 en 2018 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij de aanslagen is het premiedeel van de heffingskortingen tijdsevenredig verminderd.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Vóór de zitting hebben beide partijen laten weten dat zij niet zullen verschijnen. Het hof heeft het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende woonde in 2017 en in 2018 in Polen. Zij heeft in 2017 en in 2018 uitsluitend in Nederland gewerkt. Dat was in de perioden van 27 maart 2017 tot en met 4 juli 2017 en van 1 augustus 2018 tot en met 31 december 2018.
2.2.
In 2017 heeft belanghebbende € 7.515 loon ontvangen waarop € 1.055 aan loonheffingen is ingehouden en een arbeidskorting van € 875 is toegepast. In 2018 heeft zij € 8.509 aan loon genoten, waarop € 766 aan loonheffingen is ingehouden en geen arbeidskorting is toegepast.
2.3.
Belanghebbende heeft aanvankelijk aangifte IB/PVV voor de jaren 2017 en 2018 gedaan als binnenlands belastingplichtige. Daarna heeft zij dit gecorrigeerd en heeft zij op 12 juni 2022 aangifte gedaan als buitenlands belastingplichtige. In die aangiften heeft belanghebbende ingevuld dat zij kwalificerend buitenlands belastingplichtige is en dat zij voor de volksverzekeringen het hele jaar premieplichtig is in Nederland. Zij heeft daarbij geen inkomensverklaringen van eventueel buitenlands inkomen ingediend.
2.4.
De inspecteur is bij het vaststellen van de aanslagen over de jaren 2017 en 2018 afgeweken van de aangiften. De inspecteur heeft wel de voor het genoten inkomen volledige heffingskorting voor de inkomstenbelasting toegepast, maar heeft het premiedeel van de heffingskortingen tijdsevenredig verminderd. Het premiedeel van de heffingskortingen is uitsluitend verleend voor de perioden waarin belanghebbende in Nederland heeft gewerkt (dat is de periode waarin zij premieplichtig was).
2.5.
Op 28 november 2022 heeft de inspecteur de uitspraken op bezwaar gedaan en op 20 december 2022 heeft belanghebbende beroep ingesteld.
2.6.
In hoger beroep heeft belanghebbende inkomensverklaringen als gedingstukken ingebracht. Uit deze stukken is het volgende op te maken:
- Op 11 juli 2023 heeft belanghebbende bij de Belastingdienst de “Inkomensverklaring kwalificerend buitenlands belastingplichtige” voor de jaren 2017 en 2018 ingediend.
- De ingediende verklaringen (in de Poolse taal) vermelden geen inkomsten en zijn ter goedkeuring ondertekend en gestempeld door de Poolse belastingdienst op 31 mei 2023.
2.7.
De formulieren “Inkomensverklaring kwalificerend buitenlands belastingplichtige” en toelichtingen daarbij zijn in verschillende talen ter beschikking gesteld op de website van de Belastingdienst. Op het formulier (de versie in de Nederlandse taal) staat “Op dit overzicht vult u de inkomsten in, die niet in Nederland belast zijn”. Het formulier bevat vervolgens onder de kop “Inkomsten die niet in Nederland belast zijn” inkomstencategorieën waarbij bedragen kunnen worden ingevuld. Het formulier bevat geen vragen die op de premieheffing betrekking hebben. De toelichting bij dit formulier vermeldt onder meer:
“Bepaal met de rekenhulpen in de toelichting bij uw aangifte of u kwalificerend buitenlands belastingplichtige bent. Als kwalificerend buitenlands belastingplichtige kunt u dezelfde aftrekposten en heffingskortingen krijgen als een inwoner van Nederland, zoals aftrek eigenwoningrente over uw (buitenlandse) eigen woning.”

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Tussen partijen is in geschil of belanghebbende recht heeft op het volledige premiedeel van de heffingskortingen.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de aanslagen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het griffierecht
4.1.
Belanghebbende heeft zich beroepen op betalingsonmacht voor het griffierecht en heeft op verzoek van het hof inzicht in haar financiële situatie verschaft. Het hof acht op grond daarvan aannemelijk dat belanghebbende voldoet aan de normen voor vrijstelling van griffierecht (artikel 8:41, lid 6, Algemene wet bestuursrecht (Awb)).
Ten aanzien van het geschil
4.2.
Niet in geschil is dat het premiedeel van de heffingskortingen (de tijdsevenredige vermindering) in overeenstemming met de wettelijke bepalingen is berekend. Belanghebbende stelt dat zij niettemin recht heeft op het volledige (niet tijdsevenredig verminderde) premiedeel van de heffingskortingen op grond van het vertrouwensbeginsel, dan wel het gelijkheidsbeginsel. Verder stelt belanghebbende dat niet zij, maar de werkgever verantwoordelijk is voor de extra te betalen premies. De inspecteur is het eens met de door de rechtbank gedane uitspraak.
Vertrouwensbeginsel
4.3.
Vanwege het belang dat belastingplichtigen erbij hebben dat de fiscus zijn voorlichtende taak onbelemmerd kan vervullen, kan de fiscus niet gebonden worden geacht aan
allezijnerzijds gedane uitlatingen. De rechter dient het beginsel dat door de belastingdienst bij een belastingplichtige ten aanzien van een te volgen gedragslijn opgewekt vertrouwen moet worden gehonoreerd af te wegen tegen het beginsel dat de wet moet worden toegepast. [1] Indien naar de objectieve beschouwing van de rechter redelijkerwijze over de uitlegging van bepaalde uitlatingen kan worden getwijfeld, in die zin dat zowel een uitlegging in overeenstemming met de wet als in strijd met de wet verdedigbaar is, behoort de rechter aan een uitlegging in overeenstemming met de wet de voorkeur te geven. [2] Bovendien dient voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel in dit verband door de belastingplichtige aannemelijk gemaakt te worden dat hij afgaande op – achteraf bezien onjuiste – informatie, een handeling heeft verricht ten gevolge waarvan een hoger bedrag van hem wordt geheven dan hij op basis van die informatie meende te moeten betalen. [3]
Indien het daarentegen gaat om toezeggingen van de fiscus, uitlatingen die gedaan zijn na kennisneming van alle daartoe vereiste bijzonderheden van het specifieke geval van de belastingplichtige, komt aan het vertrouwensbeginsel doorslaggevende betekenis toe. Een beroep op opgewekt vertrouwen kan echter niet worden gedaan indien de belastingplichtige de inspecteur over de voorliggende kwestie onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. [4]
De bewijslast ligt bij de belastingplichtige.
4.4.
Belanghebbende stelt dat bij het doen van haar online aangifte, waarbij alle correcte gegevens waren ingevoerd, het systeem van de belastingdienst aangaf dat zij een teruggaaf zou krijgen. Zij beroept zich op het vertrouwen dat daardoor bij haar is gewekt.
4.5.
Dit betoog slaagt niet. De uitkomst van een aangifteprogramma is niet op te vatten als een toezegging na bewuste standpuntbepaling, dan wel een andere uitlating of gedragingen van de inspecteur waaruit belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in dit concrete geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. Bovendien heeft belanghebbende niet de juiste gegevens in haar aangifte ingevuld, omdat zij daarin ten onrechte heeft vermeld dat zij het gehele jaar premieplichtig was voor de volksverzekeringen. Hierdoor heeft het computersysteem van de belastingdienst haar het gehele (voor haar inkomen toepasselijke) premiedeel van de heffingskorting verleend. Dit terwijl zij eigenlijk slechts recht had op een tijdsevenredig deel van de heffingskorting voor de volksverzekeringen. Zij kan zich dus niet met succes beroepen op vertrouwen dat door de uitkomst van haar online-aangifte bij haar zou zijn gewekt.
4.6.
Belanghebbende beroept zich ook op vertrouwen dat zou zijn gewekt door de toelichting bij het formulier “Inkomensverklaring kwalificerend buitenlands belastingplichtige” (zie 2.7).
4.7.
Ook hierin volgt het hof belanghebbende niet.
4.7.1.
Deze inkomensverklaring en de toelichting daarop zien namelijk uitsluitend op belastingen, en wel op de kwalificerende buitenlandse
belastingplicht. Het doel daarvan is om te kunnen vaststellen of 90% of meer van het inkomen van een buitenlands belastingplichtige in Nederland is belast, zodat voor de inkomstenbelasting de buitenlands belastingplichtige vergelijkbaar is met een binnenlands belastingplichtige. Uit het formulier en de toelichting valt nergens op te maken dat het invullen van de verklaring mede betrekking heeft op de premieplicht of premieheffing. Voor de premieplicht gelden andere voorwaarden en aanknopingspunten die verband houden met de periode waarin iemand vanwege werkzaamheden verzekerd is in Nederland. Aan de toelichting bij het formulier kan voor de premieplicht dus geen in rechte te beschermen vertrouwen over de behandeling van iemand voor de premieheffing volksverzekeringen worden ontleend.
4.7.2.
Wel kan aan belanghebbende worden toegegeven dat in de toelichting in het algemeen wordt gerept van “heffingskortingen”, zonder daarbij het premiedeel van de heffingskorting uit te zonderen en dat daarbij staat “u kunt dezelfde heffingskortingen krijgen als een inwoner van Nederland” hetgeen impliceert dat iemand de volledige heffingskortingen zou kunnen krijgen, net als een inwoner. Indien deze tekst los van het in 4.7.1 beschreven doel en de context van de inkomensverklaring gelezen zou worden, is zij hoogstens als onduidelijk te beschouwen, omdat niet helder is of de belastingplichtige in alle gevallen (wel of niet in Nederland verzekerd, wel of niet voldoende inkomen) de volledige heffingskorting zou krijgen. In dat geval geldt dat de uitleg die in overeenstemming is met de wet voorgaat op een uitleg die daarmee niet strookt. Dit alles nog daargelaten dat belanghebbende werd bijgestaan door haar gemachtigde en dat de inkomensverklaring pas lang na het doen van de aangiften is ingevuld, zodat valt te betwijfelen of zij bij het doen van aangifte heeft gehandeld, afgaande op die toelichtende tekst. Haar gemachtigde beschrijft immers dat hij en belanghebbende zijn afgegaan op het aangifteprogramma (zie 4.4).
4.8.
Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel faalt.
Gelijkheidsbeginsel
4.9.
Indien een ongelijke behandeling niet steunt op een gevoerd beleid en niet voortkomt uit een oogmerk van begunstiging, dient bij de afweging van het beginsel dat de wet moet worden toegepast, tegen het beginsel dat de belastingdienst gelijke gevallen gelijk moet behandelen, aan laatstgenoemd beginsel ook doorslaggevende betekenis te worden toegekend wanneer in een meerderheid van de met het geval van de betrokken belastingplichtige vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven (de meerderheidsregel). [5] De bewijslast hiervoor ligt bij de belastingplichtige.
4.10.
In hoger beroep heeft belanghebbende kopieën van de aangiften IB/PVV van vijf personen overgelegd ter onderbouwing van haar beroep op het gelijkheidsbeginsel, en – naar het hof begrijpt – de meerderheidsregel.
4.11.
Over vier van deze personen heeft de inspecteur bij de rechtbank al toegelicht waarom deze gevallen niet rechtens vergelijkbaar zijn met het geval van belanghebbende. Aangezien zij op relevante punten in een andere situatie verkeren en de door belanghebbende in hoger beroep overgelegde stukken hierin geen verandering brengen, slaagt belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel niet omdat geen sprake is van vergelijkbare gevallen. De vijfde persoon verkeert wel een vergelijkbare situatie als belanghebbende, maar ook bij die persoon is het premiedeel van de heffingskortingen tijdsevenredig verminderd, zodat hier geen sprake is geweest van een ongelijke behandeling. Er is dus geen enkel vergelijkbaar geval aangetoond waarbij iemand die daar geen recht op had, wel het gehele premiedeel van de heffingskortingen kreeg. Belanghebbende heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat bij een meerderheid van de personen een juiste wetstoepassing is uitgebleven.
4.12.
De Hoge Raad heeft in 2019 geoordeeld [6] dat het niet in strijd is met Europees recht dat het premiedeel van de heffingskorting wordt berekend in tijdsevenredigheid naar de periode van verzekering in Nederland. De omstandigheid dat hierover werd geprocedeerd tot in de hoogste instanties maakt duidelijk dat de belastingdienst bij de uitvoering van de wet ook al voordat het arrest werd gewezen dit standpunt innam en daarnaar handelde. Ook in zoverre is het gelijkheidsbeginsel dus niet geschonden.
4.13.
Ook het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.
De werkgever hoeft niet te betalen
4.14.
Belanghebbende is op grond van de wet als verzekerde de premieplichtige voor de premieheffing [7] en deze premies worden door middel van een belastingaanslag van haar geheven. [8] Daarbij gelden de door de werkgever ingehouden bedragen als voorheffing. Het bedrag aan premies is dus terecht bij belanghebbende geheven. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Belanghebbende kan daarom niet met succes stellen dat haar werkgever de extra premie dient te betalen.
Tussenconclusie
4.15.
Belanghebbende heeft geen recht op het volledige premiedeel van de heffingskortingen, dus de aan belanghebbende opgelegde aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 zijn niet te hoog. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten
4.16.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond, en
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door M. Ferrier, voorzitter, J.M. van der Vegt en J. Wessels, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden. Aangezien de voorzitter is verhinderd, is deze uitspraak ondertekend door de oudste raadsheer en de griffier.
De griffier, De oudste raadsheer,
M.M. Stassen-Kanters J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1654.
2.Hoge Raad 4 juni 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB8781.
3.Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1654.
4.Hoge Raad 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1849 en Hoge Raad 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918.
5.Hoge Raad 17 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:BH8123.
6.Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:588.
7.Artikel 6, lid 1, van de Wet financiering sociale verzekeringen.
8.Artikel 9, lid 3, van de Wet IB 2001.