ECLI:NL:GHSHE:2026:1459

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
25/630 tot en met 25/632
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27e AWRArt. 67d lid 1 AWRArt. 67e lid 1 AWRArt. 3:107 BWArt. 3:108 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging navorderingsaanslagen en boetes wegens onjuiste aangifte inkomstenbelasting en bezit drugs

Belanghebbende is door de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd over 2017 en 2019, inclusief boetes en belastingrente, naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek waarbij grote hoeveelheden drugs en wapens in zijn loods werden aangetroffen. Belanghebbende voerde bezwaar en beroep aan tegen deze aanslagen en boetes.

De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het hof. Het hof oordeelt dat de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is en dat de inspecteur een redelijke schatting van het belastbaar inkomen heeft gemaakt, waarbij de inkoopwaarde van de drugs terecht is meegenomen. Belanghebbende heeft erkend de drugs voorhanden te hebben gehad en geen medeplegen met anderen erkend.

De boetes zijn passend en geboden geacht, mede gezien de omvang van de niet aangegeven inkomsten en het feit dat belanghebbende geen plausibele alternatieve verklaring gaf. De boetes zijn verminderd tot 40% van de grondslag, wat het hof passend acht. De belastingrentebeschikking is eveneens gehandhaafd. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de navorderingsaanslagen en boetes zoals verminderd door de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 25/630 tot en met 25/632
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 17 maart 2025, nummers BRE 23/3556 tot en met BRE 23/3558, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) over het jaar 2017 aan belanghebbende opgelegd. Daarnaast heeft de inspecteur een aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 aan belanghebbende opgelegd. Bij gelijktijdig met de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017 en 2019 genomen beschikkingen heeft de inspecteur boetes aan belanghebbende opgelegd. Verder heeft de inspecteur bij gelijktijdig met de (navorderings)aanslagen genomen beschikkingen belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende,
en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

i. Algemeen
2.1.
Belanghebbende heeft in 2017 en in 2019 geen fiscaal partner. Belanghebbende staat sinds 6 april 2011 in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats] .
2.2.
Belanghebbende drijft sinds 1 juli 2017 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [bedrijf] . De activiteiten van de eenmanszaak bestaan uit het exploiteren van een autogaragebedrijf.
2.3.
Belanghebbende huurt een gedeelte van een loods aan [adres 2] te [plaats] , waar zijn eenmanszaak is gevestigd.
ii. Aangiften IB/PVV
2.4.
Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2017. De aanmaningstermijn eindigde op 27 juli 2018.
2.5.
Belanghebbende heeft op 26 maart 2019 een aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 ingediend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 573. De aanslag IB/PVV 2017 is – overeenkomstig de aangifte – vastgesteld naar een verzamelinkomen van € 573, geheel bestaande uit inkomen uit sparen en beleggen. De aanslag Zvw 2017 is vastgesteld naar een bijdrage-inkomen van nihil.
2.6.
Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2019. Belanghebbende heeft op 30 april 2020 een aangifte IB/PVV 2019 ingediend naar een verzamelinkomen van nihil.
iii. Strafrechtelijk onderzoek
2.7.
Op 31 januari 2019 is een strafrechtelijk onderzoek onder de naam ‘Exeter’ gestart naar onder meer belanghebbende vanwege grootschalige import van en handel in cocaïne.
2.8.
Op 23 april 2019 heeft door de politie een doorzoeking van de loods in [plaats] plaatsgevonden. Op een aantal niet direct zichtbare plaatsen in de loods zijn door de politie onder meer blokken cocaïne, hoeveelheden hennep en een hoeveelheid hasjiesj aangetroffen (hierna gezamenlijk te noemen: de drugs). Daarnaast is door de politie in de loods een kluis met daarin drie vuurwapens en munitie aangetroffen.
2.9.
Op 24 april 2019 is de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] doorzocht. In de woning is door de politie onder meer een stoffen etui met daarin € 1.700, een fles met daarin papier- en muntgeld van in totaal € 1.520,34, een zwart-gele doos van het merk Breitling en een ring met sleutels aangetroffen.
2.10.
Op 24 april 2019 zijn ook een aantal garageboxen in [woonplaats] doorzocht die in eigendom waren van de overleden grootvader van belanghebbende en door belanghebbende regelmatig werden gebruikt. In de garageboxen is door de politie onder meer een aantal lampen, een groot aantal plantenpotten, een blok hasjiesj en een zak met vijftig driehoekige pillen aangetroffen.
2.11.
Belanghebbende is bij vonnis van 6 november 2019 door de rechtbank Oost-Brabant veroordeeld tot een gevangenisstraf van eenenveertig maanden. De rechtbank Oost-Brabant acht onder meer bewezenverklaard dat belanghebbende:
“1.
- omstreeks 23 april 2019 te [plaats] , gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een (bedrijfs)pand aan [adres 2] ) ongeveer 6 kilo van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst
- op 23 april 2019 te [plaats] , gemeente [gemeente] , opzettelijk heeft bewerkt en opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een (bedrijfs)pand aan [adres 2] ) ongeveer 1 kilo, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1.
2.
op 23 april 2019 te [plaats] , gemeente [gemeente] , opzettelijk aanwezig heeft gehad in een (bedrijfs)pand aan [adres 2] een hoeveelheid van in totaal 9.435 gram hennep en 43 gram hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
3.
op 23 april 2019 te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
Brief wapens en munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:
- een vuurwapen (revolver) van het merk/type Smith & Wesson Sw9v en
- een vuurwapen (pistool) van het merk/type Sig Sauer Mosquito en
- een vuurwapen (pistool) van het merk/type Smith & Wesson Magnum 357 en
- meerdere patronen Winchester.22 en Settler en Bellot 9 mm en Magnum 357. voorhanden heeft gehad”
2.12.
In de strafzaak heeft belanghebbende het volgende verklaard:
“Ik erken dat ik op de ten laste gelegde datum de onder de feiten I en 2 ten laste gelegde soorten en hoeveelheden drugs voorhanden heb gehad in de door mij gehuurde loods in [plaats] . Ik heb een deel van de loods gehuurd en heb daar mijn bedrijf gevestigd. De blokken cocaine zijn daar de dag tevoren gebracht.”
In het vonnis is onder meer het volgende opgenomen:

Het standpunt van de verdediging.
Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij de in de feiten I en 2 vermelde soorten en hoeveelheden drugs voorhanden heeft gehad, met dien verstande dat volgens hem geen sprake is van medeplegen met de medeverdachten, zijn vader en diens vriend [naam] . De aangetroffen blokken cocaine zijn volgens verdachte een dag voor de inval naar de loods gebracht.”
Het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant staat onherroepelijk vast.
iv. Fiscaal onderzoek
2.13.
De inspecteur heeft naar aanleiding van persberichten over de inval in het garagebedrijf in [plaats] aan de officier van justitie op grond van artikel 55 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) om gegevens en inlichtingen gevraagd uit het strafrechtelijk onderzoek (artikel 55 AWR Pro-verzoek). De inspecteur heeft op 20 juni 2019 gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende ontvangen. Later heeft de inspecteur ook het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 6 november 2019 ontvangen.
2.14.
De inspecteur heeft bij brief van 28 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat hij een onderzoek is gestart naar, onder meer, de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2017, 2018 en 2019.
2.15.
De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport dat op 2 maart 2022 aan belanghebbende is toegestuurd. In het controlerapport staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

6 Inkopen
De vastgestelde prijs voor onversneden cocaïne bedraagt aan importwaarde ongeveer € 25.000 per kilo, de eindgebruiker betaalt het dubbele hiervan. De inkoopwaarde van cannabis bedraagt € 2.000 per kilo. Dit volgens de website drugsinfo.nl.
Inkoop:
6, 978 X € 25.000 = € 174.450
9, 478 X € 2.000 = € 18.956
Totaal = € 193.406
Door belastingplichtige is een investering gepleegd van € 193.406. Belastingplichtige geeft aan bij zijn aangifte IB 2019 niet over enig inkomen of vermogen te beschikken, hij geeft nul/nihil aan. Met andere woorden, er is over drie jaar geen winst uit onderneming genoten. Kosten gaan vaak voor de baten, dus mogelijk zijn er wel uitgaven geweest. Indien er geen fiscaal inkomen bekend is dan dringt natuurlijk direct de vraag op waarmee wordt dan in het levensonderhoud voorzien. Het is immers ook een algemeen bekend feit dat in het criminele milieu bij overdracht van de waar het "boter bij de vis” principe geldt, namelijk een levering gevolgd door een contante betaling.
(…)
Door ons is de inkoop 2019 vastgesteld op € 193.406.
(gebaseerd op de aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen met een inkoopprijs tegen een vastgestelde prijs).”
En:

7.3. Recapitulatie vermogensvergelijking
Het resultaat van de vermogensvergelijking toont aan dat belanghebbende structureel meer uitgaven heeft dan uit het fiscaal bekende inkomen van nul kan worden voldaan.
Jaar
2016
2017
2018
2019
Resultaat
€ - 13.055
€ - 28.263
De vermogensvergelijking zal als bijlage 1 achter dit rapport worden gevoegd.
7.4.
Recapitulatie inkomstenbelasting
Jaar
2016
2017
2018
2019
Aangegeven/ Vastgesteld Box 1
€ 0
€ 0
€ 0
€ 0
Correcties
€ 13.055
€ 28.263
€ 27.209
€ 20.393
Inkoop Hennep vuurwapens
€ 193.406
Nieuw vastgesteld Box 1
€ 13.055
€ 28.263
€ 27.209
€ 213.799
En:
Bijlage 1
Vermogen 01 - 01
2016
2017
2018
2019
2020
Bankmutaties
-1.549
-1.821
4.568
-1.549
-1.821
4.568
Inkomen
Inkomsten verkoop VW
3.5
Zorgtoeslag
998
1.066
Huurtoeslag
Rente inkomsten
-175
-170
-125
Inkomsten vlgs bankrek.
5.02
1
998
5.911
830
3.375
Benoemde posten
08- 02- 2019 Aankoop [kenteken 1]
1
16- 09- 2016 Aankoop [kenteken 2] Verkoop 15- 06- 2018
2.968
-2.968
18- 03- 2016 Aankoop [kenteken 3] Verkoop 18- 05- 2017
1.593
1.255
04- 01- 2017 Aankoop [kenteken 4] Verkoop 15- 01- 2017
1
07- 11- 2016 Aankoop [kenteken 5] Verkoop 04- 01- 2017
500
-400
15- 05- 2016 Aankoop [kenteken 6] Verkoop 29- 07- 2016
230
17- 12- 2015 Aankoop [kenteken 7] Verkoop 17- 02- 2016
-5.164
16- 12- 2015 Aankoop [kenteken 8] Verkoop 12- 01- 2016
-945
12- 11- 2015 Aankoop [kenteken 9] Verkoop 12- 01- 2016
-500
Autokosten [kenteken 2]
1.597
5.5
2.486
Autokosten [kenteken 3]
3.863
1.838
Autokosten [kenteken 6] / [kenteken 10] / [kenteken 11]
1.708
levensmiddelen/ supermarkt/ lidl/aldi/ah/emte/bakkerij (nibud)
2.316
2.316
2.316
2.316
2.316
Brandstof
145
233
294
Pokeren
3.12
50
Moneytransfer naar Diverse
715
CJIB
3.45
5.109
1.133
8.166
17.94
7.226
4.743
2.316
Nog in te voegen benoemde posten:
Ziektekostenverzekering (nibud)
1.65
1.65
1.65
1.65
1.65
Overig bewaarde contante bedragen en muntgeld, stortingen
6.63
6.59
8.75
Verzekeringen WA/ auto/ etc
250
250
250
250
250
Vakantie "Spanje" reiskosten, uitgaven
4.046
abonnementen (kabel, sport,etc) (nibud)
360
360
360
360
360
Kleding (nibud)
450
450
450
450
450
Telefoon internet (nibud)
996
996
996
996
996
Bijdrage in kosten/ kostgeld oma (stelpost)
1.2
1.2
1.2
1.2
1.2
contante uitgaven / bonnen/ inventaris (nibud)
480
480
480
480
480
Holland Casino
1.8
-1.2
Huurkosten loods/ kantoorruimte
2
Overige huishoudelijke uitgaven (nibud)
1.05
1.05
1.05
1.05
1.05
Volgens overzicht bank (2016 is gesteld)
1
1.64
1.398
3.561
7.436
16.506
14.424
23.593
6.436
2016
2017
2018
2019
2020
Vermogen begin van het jaar
-1.549
-1.821
4.568
Inkomen
998
5.911
830
3.375
Vermogen einde van het jaar
998
4.362
-991
7.943
-1.549
-1.821
4.568
Theoretisch bruto privé
2.547
6.183
-5.559
7.943
Benoemde posten
15.602
34.446
21.65
28.336
8.752
Theoretisch netto privé
-13.055
-28.263
-27.209
-20.393
-8.752
v. (Navorderings)aanslagen, bezwaar en beroep
2.16.
De inspecteur heeft het aangegeven inkomen van belanghebbende als volgt gecorrigeerd en op grond daarvan de onderhavige (navorderings)aanslagen opgelegd:
2017
2019
Aangegeven verzamelinkomen
Correcties negatief netto privé
€ 28.263
€ 20.393
Inkoop drugs
€ 193.406
Inkoop wapens
Vastgesteld verzamelinkomen
€ 28.263
€ 213.799
2.17.
De opgelegde (navorderings)aanslagen, boete- en belastingrentebeschikkingen kunnen als volgt worden samengevat:
Jaar
Soort
Dagtekening
Inkomen box 1
Belasting
Boete
Rente
2017
IB/PVV
11 mei 2022
€ 28.263
€ 5.599
€ 2.799
€ 828
2017
Zvw
11 mei 2022
€ 28.263
€ 1.526
-
€ 225
2019
IB/PVV
10 mei 2022
€ 213.799
€ 100.991
€ 50.495
€ 1
2.18.
In de beslissing op de bezwaren heeft de inspecteur de vermogensvergelijking opnieuw beoordeeld. De inspecteur heeft vastgesteld dat de auto’s met de kentekens [kenteken 3] en
[kenteken 4] in 2017 zijn verkocht. In de vermogensvergelijking is de opbrengst ten onrechte opgenomen als benoemde post. De benoemde posten zijn met een bedrag van 2 x € 1.256 =
€ 2.512 verminderd. De inspecteur heeft de uitgaven voor levensmiddelen voor het jaar 2019 verminderd omdat belanghebbende met ingang van 24 april 2019 gedetineerd is geweest. De benoemde post levensmiddelen voor 2019 is vervolgens vastgesteld op € 1.599. De inspecteur heeft de correcties aldus vastgesteld op:
2017
2019
Vastgesteld verzamelinkomen
€ 28.263
213.799
Beslissing op bezwaar
Af: verkoop auto’s
-/- € 2.512
Af: levensonderhoud
n.v.t.
-/- €1.599
Herzien verzamelinkomen
€ 25.751
€ 212.200
2.19.
De uitspraken op bezwaar, waarbij de opgelegde (navorderings)aanslagen, boete- en belastingrentebeschikkingen zijn verminderd, kunnen als volgt worden samengevat:
Jaar
Soort
Dagtekening
Inkomen box 1
Belasting
Boete
Rente
2017
IB/PVV
11 mei 2022
€ 25.751
€ 4.455
€ 1.782
€ 658
2017
Zvw
11 mei 2022
€ 25.751
€ 1.390
-
€ 204
2019
IB/PVV
10 mei 2022
€212.200
€ 100.164
€ 40.065
€ 0
2.20.
De rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard, maar de boetebeschikkingen verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie. De boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 is verminderd tot € 1.514 en de boete bij de aanslag IB/PVV 2019 is verminderd tot € 34.055.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag IB/PVV 2019, de belastingrentebeschikking 2019 en de boetebeschikkingen 2017 en 2019, zoals deze luiden na de uitspraak van de rechtbank, terecht en niet te hoog zijn opgelegd.
3.2.
Belanghebbende heeft ter zitting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaard dat de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2017 niet meer in geschil zijn.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2019 en de belastingrentebeschikking 2019. Belanghebbende concludeert daarnaast tot vernietiging van de boetebeschikkingen 2017 en 2019. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
i. De aanslag IB/PVV 2019
4.1.1.
Belanghebbende stelt dat hij nooit eigenaar is geweest van de aangetroffen drugs. De inspecteur stelt volgens belanghebbende dus ten onrechte dat hij de drugs heeft ingekocht en geld moet hebben verdiend om deze inkoop mogelijk te maken. Belanghebbende betwist niet dat de omgekeerde en verzwaarde bewijslast van toepassing is, maar hij stelt dat de door de inspecteur gemaakte schatting van het belastbare inkomen door het in aanmerking nemen van de inkoopwaarde van de drugs niet redelijk is. Tot slot stelt belanghebbende dat de inspecteur niet aan zijn bewijslast heeft voldaan ten aanzien van de opgelegde boeten.
4.1.2.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het aannemelijk is dat belanghebbende wel eigenaar is geweest van de drugs en wijst op het feit dat belanghebbende heeft erkend dat hij de drugs voorhanden heeft gehad. De inspecteur stelt dat op grond van de artikelen 3:107, 3:108, 3:109 en 3:199 Burgerlijk Wetboek geldt dat belanghebbende als houder van de drugs geacht wordt tevens bezitter en eigenaar van de drugs te zijn. Daarnaast stelt de inspecteur dat er ten aanzien van het voorhanden hebben van de drugs geen medeverdachten zijn. Belanghebbende is daarmee de enige die als eigenaar kan worden aangemerkt. De aangetroffen drugs vertegenwoordigen volgens de inspecteur een inkoopwaarde van € 193.406. De inspecteur stelt verder dat belanghebbende tijdens het strafrechtelijk onderzoek heeft verklaard dat de aangetroffen blokken cocaïne een dag voor de inval naar de loods zijn gebracht. Het is volgens de inspecteur niet aannemelijk dat een verkoper de drugs aan belanghebbende zou hebben geleverd voordat belanghebbende deze heeft betaald. De inspecteur stelt dat belanghebbende de aankoopprijs daarom heeft betaald voordat de drugs op 22 april 2019 geleverd werden. De inspecteur stelt dat belanghebbende dus over een inkomensbron moest beschikken, waarmee hij het bedrag heeft verdiend om de drugs te kunnen kopen. De inspecteur stelt dat hij met toepassing van de omgekeerde en verzwaarde bewijslast een redelijke schatting heeft gemaakt van het inkomen.
4.1.3.
Het hof constateert dat beide partijen van mening zijn dat de verzwaarde en omgekeerde bewijslast van artikel 27e van de AWR van toepassing is. Het hof acht deze eensluidende opvatting van partijen juist. Dit brengt met zich mee dat het hof zal beoordelen of belanghebbende heeft doen blijken dat de schatting van het inkomen te hoog is en zo nee, of de schatting van het inkomen van de inspecteur redelijk is.
4.1.4.
Belanghebbende heeft naar het oordeel van het hof met hetgeen hij heeft gesteld niet doen blijken dat de aanslag, zoals deze luidt na de uitspraak op bezwaar, te hoog is vastgesteld.
4.1.5.
Niettemin moet worden beoordeeld of de schatting van de inspecteur redelijk is. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de (omkering en) verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door de inspecteur. [1] In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan; de inspecteur moet aanknopingspunten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn schatting redelijk (niet willekeurig) is. [2] Belanghebbende kan op zich volstaan met een betwisting van de redelijkheid. De beoordeling of een schatting van de inspecteur redelijk (niet willekeurig) is, is niet streng. [3] Voor de beoordeling of de schatting redelijk is, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een aanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven. [4]
4.1.6.
Het hof is van oordeel dat het opnemen van de inkoopwaarde van de drugs in de schatting van het inkomen niet onredelijk is, ook al staat niet onomstotelijk vast dat belanghebbende daadwerkelijk de eigenaar was. Het hof acht hierbij van belang dat belanghebbende heeft erkend dat hij de drugs voorhanden had, dat de drugs zijn aangetroffen in de door hem gehuurde loods en dat volgens hem geen sprake is van medeplegen met de medeverdachten (zie 2.12). Dit rechtvaardigt het vermoeden dat hij de eigenaar was van de drugs en dat de financiering ervan heeft plaatsgevonden met door hem genoten inkomsten. Het hof tekent hierbij aan dat het geschatte bedrag van de inkoopwaarde van de drugs niet door belanghebbende is betwist. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aanslag IB/PVV 2019, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende is opgelegd.
iii. Boetebeschikkingen
4.2.1.
De boetebeschikking is voor 2017 gebaseerd op artikel 67e, lid 1, AWR en voor 2019 op artikel 67d, lid 1, AWR. Op grond van deze bepalingen kan de inspecteur een boete van ten hoogste 100% van de omschreven boetegrondslag opleggen indien het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven (2017), respectievelijk aan de opzet van de belastingplichtige is te wijten dat met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan (2019). De inspecteur moet bewijzen dat de bestanddelen van het beboetbare feit, waaronder de grove schuld en/of (voorwaardelijke) opzet, buiten redelijke twijfel vaststaan. [5]
4.2.2.
Belanghebbende heeft voor zowel 2017 als 2019 een onjuiste aangifte gedaan. Gelet op de vermogensvergelijking (2017 en 2019) en het voorhanden hebben van hoeveelheden drugs die geenszins passen bij eigen gebruik (2019), staat namelijk buiten redelijke twijfel dat belanghebbende aanzienlijke bedragen aan inkomsten heeft genoten die hij niet in zijn aangiften heeft verantwoord. Ten aanzien van de vermogensvergelijking is daarbij van belang dat belanghebbende geen plausibele alternatieve verklaring heeft kunnen geven voor de bekostiging van zijn uitgaven. Met betrekking tot het voorhanden hebben van de aangetroffen hoeveelheden drugs is van belang dat dit weliswaar niet noodzakelijkerwijs wijst op eigendom, maar op zijn minst wel op betrokkenheid bij de handel in drugs en daarbij behorende inkomsten. Verder is van belang dat in de aangiften IB/PVV wordt gevraagd naar behaalde resultaten uit overige werkzaamheden, ongeacht de aard van die werkzaamheden. Het is een feit van algemene bekendheid dat inkomsten uit werkzaamheden dienen te worden aangegeven in de aangifte. Door de aanzienlijke bedragen aan inkomsten niet aan te geven, kan het niet anders zijn dan dat belanghebbende bewust het risico heeft aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. Onder deze omstandigheden is het aan de (voorwaardelijke) opzet van belanghebbende te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld (2017) en dat de aangifte onjuist of onvolledig is gedaan (2019).
4.2.3.
De hoogte van de boeten moet worden bepaald aan de hand van de bedragen die voor de heffing zijn vastgesteld. Dit neemt niet weg dat bij de beoordeling of een boete in de omstandigheden van het geval passend en geboden is, acht dient te worden geslagen op de proportionaliteit van die boete in verband met de ernst van het gepleegde feit. Bij de beoordeling van die ernst dient verder acht te worden geslagen op de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de omstandigheid dat hiertoe de zogenoemde omkering van de bewijslast is toegepast.
4.2.4.
De inspecteur heeft in zijn uitspraken op bezwaar de vergrijpboeten verminderd naar boeten van 40% van de verschuldigde, maar niet aangegeven belasting. Op grond van de ernst van de gepleegde feiten en de bedragen aan belasting die niet zijn geheven dan wel aangegeven, acht het hof de opgelegde boeten zoals verminderd in de uitspraken op bezwaar passend en geboden. Naar oordeel van het hof heeft de inspecteur met de vermindering van de boeten naar 40% van de grondslag voldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat de aanslagen zijn opgelegd met toepassing van de omgekeerde en verzwaarde bewijslast. Het hof acht daarbij van belang dat grondslag (de verschuldigde belasting) is geschat op basis van diverse concrete, onderbouwde feiten en omstandigheden, en dat de grondslag niet hoger is vastgesteld (bijvoorbeeld door extrapolatie) dan waar deze feiten en omstandigheden aanleiding toe geven. Het hof merkt ten slotte op dat de gemachtigde van belanghebbende ter zitting heeft aangegeven dat er geen persoonlijke omstandigheden zijn waar het hof rekening mee moet houden.
4.2.5.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hof de boeten, zoals deze door de rechtbank zijn verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie, in stand laat.
iii. Belastingrentebeschikking
4.3.
Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de belastingrentebeschikking 2019 aangevoerd. Het hof ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking, aangezien het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.
Tussenconclusie
4.4.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.5.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.6.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en J. Wessels, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
R. Camps E.P.A. Brakeboer
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184 en Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311.
2.Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4483 en Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093.
3.Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086.
4.Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324.
5.Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97 en Hoge Raad 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:492.