Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1012

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
20-003062-21
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 SrArt. 7 SrArt. 23 SrArt. 24 SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling rechtspersoon voor medeplegen witwassen en valsheid in geschrift

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 16 april 2026 het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant vernietigd en de verdachte rechtspersoon veroordeeld voor medeplegen van witwassen en valsheid in geschrift. De zaak betrof complexe financiële constructies waarbij de verdachte rechtspersoon betrokken was bij het witwassen van geldbedragen die deels afkomstig waren uit belastingfraude.

De bewezenverklaring omvatte het medeplegen van witwassen door het verhullen van de herkomst van geldleningen en het plegen van valsheid in geschrift door het opmaken van valse leningsovereenkomsten. Het hof oordeelde dat het Openbaar Ministerie rechtsmacht had en dat de inzet van opsporingsmiddelen, waaronder een heimelijke doorzoeking, rechtmatig was. Verweren tegen de ontvankelijkheid en bewijsuitsluiting werden verworpen.

Het hof verwierp het verweer dat het zogenoemde zes-stappenplan voor witwassen niet kon worden toegepast vanwege het ontbreken van een concreet gronddelict. Het hof stelde vast dat belastingfraude als gronddelict kon dienen en dat het vermogen van de verdachte rechtspersoon deels uit ontdoken vennootschapsbelasting bestond. De valsheid in geschrift werd bewezen geacht omdat leningsovereenkomsten werden gebruikt als ware zij echt, terwijl geen daadwerkelijke leningen waren verstrekt.

De verdachte rechtspersoon werd veroordeeld tot een geldboete van €720.000, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van de feiten, de aard van de rechtspersoon en de overschrijding van de redelijke termijn. Alle overige verweren werden verworpen en de straf werd passend geacht.

Uitkomst: De verdachte rechtspersoon is veroordeeld tot een geldboete van €720.000 wegens medeplegen van witwassen en valsheid in geschrift.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003062-21
Uitspraak : 16 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 23 december 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-997518-16 tegen:
[verdachte],
zonder bekende vestigingsplaats in Nederland,
doch gevestigd te [adres 1] ,
vertegenwoordigd door [medeverdachte 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte rechtspersoon ter zake van:
- medeplegen van witwassen, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd,
en
witwassen, begaan door een rechtspersoon (feit 1),
- valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (feit 2).
veroordeeld tot een geldboete van € 800.000,-.
Namens de verdachte rechtspersoon is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 8 oktober 2024, 6 november 2025, 11 november 2025, 20 november 2025, 15 januari 2026, 5 maart 2026 en 16 april 2026 en het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte rechtspersoon naar voren is gebracht.
De advocaten-generaal (hierna gezamenlijk: de advocaat-generaal) hebben gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte rechtspersoon zal veroordelen tot een geldboete van € 720.000,-.
De vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon heeft primair aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging dient te worden verklaard ten aanzien van het tenlastegelegde. Subsidiair is bewijsuitsluiting en integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Meer subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.
De rechtsbijstand van de verdachte rechtspersoon
Alvorens aan de inhoudelijke overwegingen toe te komen, overweegt het hof ten aanzien van de rechtsbijstand van de verdachte rechtspersoon het volgende. Het hof heeft zich beraden over de vraag of de behandeling ter terechtzittingen in hoger beroep van 6 november 2025, 11 november 2025, 20 november 2025 en 15 januari 2026 doorgang konden vinden, omdat de verdachte rechtspersoon – ondanks de uiterst complexe problematiek die aan de orde is – tijdens die behandeling ter terechtzittingen niet werd bijgestaan door een raadsman of -vrouw. Het hof komt kort samengevat tot het oordeel dat namens de verdachte rechtspersoon ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig afstand is gedaan van het recht op rechtsbijstand en dat bij de berechting in hoger beroep artikel 6 van Pro het Europees verdrag voor de rechten van de mens (hierna: EVRM) niet is geschonden.
De procesgang is, voor zover van belang, als volgt geweest.
  • i) De wettelijke vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon, [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), is ten tijde van de aanhouding en de voorlopige hechtenis – vanaf 10 oktober 2017 tot en met 26 januari 2018 – en tijdens de mondelinge behandeling ter terechtzitting van de rechtbank van 28 januari 2018 bijgestaan door de raadsman mr. A.L. Stegeman, advocaat te Heerlen.
  • ii) Tijdens de mondelinge behandeling ter terechtzittingen van de rechtbank van 10 november 2020 en 1 december 2020 werd de verdachte rechtspersoon uit eigen keuze van [medeverdachte 1] niet bijgestaan door een raadsman of -vrouw. De rechtbank heeft [medeverdachte 1] gewezen op de gevolgen van die keuze. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij voor deze terechtzittingen afstand doet van haar recht op rechtsbijstand, maar dat zij mogelijk in een latere fase wel gebruik wil maken van een raadsman of -vrouw. Dit geldt tevens voor de verdachte rechtspersoon die door [medeverdachte 1] is vertegenwoordigd.
  • iii) Tijdens de mondelinge behandeling ter terechtzittingen van de rechtbank van 18 mei 2021, 1 juni 2021 en van 9, 10, 11, 15, 16, 18, 22, 23 november 2021 en 9 december 2021 werd de verdachte rechtspersoon bijgestaan door de raadsman mr. M.C.J. Schoenmakers, advocaat te ’s-Hertogenbosch.
  • iv) De appelschriftuur is op 5 januari 2022 ingediend namens de verdachte rechtspersoon door mr. Schoenmakers voornoemd.
  • v) Op 7 januari 2022 heeft mr. A.F.Th.M. Heutink, advocaat te Gennep, zich gesteld als opvolgend advocaat van de verdachte rechtspersoon en een aanvulling op de appelschriftuur ingediend.
  • vi) Het hof heeft op 26 juni 2024 bericht ontvangen dat strafzaak van de verdachte rechtspersoon in hoger beroep is overgenomen van mr. Heutink door LEFF advocaten te Nijmegen. Tijdens de regiezitting van het hof op 8 oktober 2024 werd de verdachte rechtspersoon bijgestaan door mr. P.T.H. Janssen, advocaat te Nijmegen.
  • vii) Op 9 april 2025 heeft mr. P.J.F.M. de Kerf, advocaat te Nijmegen, zich gesteld als raadsman van de verdachte rechtspersoon. Op 4 juli 2025 heeft [medeverdachte 1] , mede namens de verdachte rechtspersoon, het hof per e-mail bericht dat mr. De Kerf zich heeft onttrokken.
  • viii) Op 15 september 2025 is door de strafgriffie een e-mailbericht gestuurd naar [medeverdachte 1] dat in overleg met de voorzitter van de strafkamer contact is gezocht met een advocaat die [medeverdachte 1] en de verdachte rechtspersoon kan bijstaan en een voorstel gedaan voor een advocaat (mr. M. Verschoor, Hertoghs Advocaten). [medeverdachte 1] heeft dit voorstel afgewezen.
  • ix) [medeverdachte 1] heeft per e-mailbericht van 24 september 2025 gereageerd dat de verdachte rechtspersoon tijdens de mondelinge behandeling ter terechtzittingen van het hof van 6 november 2025, 11 november 2025 en 20 november 2025 niet zal worden bijgestaan door een raadsman of -vrouw en dat de straf- en ontnemingszaak desondanks doorgang kunnen vinden.
  • x) De verdachte rechtspersoon is tijdens de behandeling ter terechtzittingen van het hof van 6 november 2025, 11 november 2025, 20 november 2025 en 15 januari 2026 niet bijgestaan door een raadsman of -vrouw. [medeverdachte 1] heeft toegelicht dat zij zichzelf – gelet op de complexiteit van de zaak en haar kennis van het dossier – het meest geschikt acht om haar verdediging en de verdediging van de vennootschappen, waaronder de verdachte rechtspersoon, te voeren. De zoektocht van [medeverdachte 1] naar een geschikte raadsman of -vrouw heeft tot niets geleid.
Het hof heeft [medeverdachte 1] tijdens de behandeling ter terechtzittingen in hoger beroep van 6 november 2025, 11 november 2025, 20 november 2025 en 15 januari 2026 meermaals gevraagd of zij gebruik wenst te maken van de diensten van een raadsman of -vrouw en haar meermaals gewezen op de gevolgen van haar keuze om haar eigen verdediging te voeren. [medeverdachte 1] heeft desondanks volhard in haar keuze om niet te worden bijgestaan door een raadsman of -vrouw. Dit heeft naar het oordeel van het hof dan ook te gelden als een ondubbelzinnige, desbewuste en vrijwillige afstand van het recht op rechtsbijstand [1] . Gelet op het feit dat [medeverdachte 1] optreedt als wettelijk vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon, dient de keuze van [medeverdachte 1] te worden toegerekend aan de verdachte rechtspersoon. Het hof heeft de keuze namens de verdachte rechtspersoon gerespecteerd, mede gelet op de omstandigheid dat de wet in het onderhavige geval niet de mogelijkheid kent van rechtsbijstand tegen de wil van een verdachte [2] . Het is het hof niet gebleken dat [medeverdachte 1] de draagwijdte van haar keuze niet ten volle overzag, ook niet voor de verdachte rechtspersoon. Tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzittingen in hoger beroep van 6 november 2025, 11 november 2025, 20 november 2025 en 15 januari 2026 heeft het hof bijzondere aandacht geschonken aan de positie van de verdachte rechtspersoon, [3] door hetgeen tijdens de behandeling is verklaard door partijen ten behoeve van [medeverdachte 1] en de verdachte rechtspersoon in voorkomende gevallen te herhalen en te verifiëren dat zij als vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon heeft begrepen wat er is verklaard en wat de (juridische) gevolgen daarvan zijn, mede in het licht van hetgeen er voor de verdachte rechtspersoon op het spel stond. Het hof heeft hiermee voorzien in een eventuele tekortkoming in het recht op een effectieve verdediging, omdat de verdachte rechtspersoon geen bijstand van een rechtsgeleerde raadsman of -vrouw had. Gelet op al het voorgaande acht het hof de omstandigheid dat de vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon de eigen verdediging heeft gevoerd geen schending van artikel 6 EVRM Pro.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging
Namens de verdachte rechtspersoon is ten aanzien van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde primair betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging van de verdachte rechtspersoon. Subsidiair is betoogd dat het onrechtmatig handelen van het Openbaar Ministerie moet leiden tot bewijsuitsluiting. Meer subsidiair is verzocht om vanwege de hieronder genoemde onrechtmatigheden strafvermindering toe te passen.
Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitaantekeningen verwoord – zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd.
A. Nederland heeft geen rechtsmacht ten aanzien van het onder feit 1 en feit 2, omdat: (a) die feiten niet in Nederland zijn gepleegd als bedoeld in artikel 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), maar in [plaats 1] en/of [plaats 2] en (b) de verdachte rechtspersoon (hierna: [verdachte] ) geen ‘Nederlander’ is als bedoeld in artikel 7 Sr Pro. Dit betekent dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van die feiten niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte rechtspersoon.
De start van het strafrechtelijk onderzoek is onrechtmatig geweest, omdat het proces-verbaal van aanvang onderzoek d.d. 17 december 2015, proces-verbaalnummer: 26 (hierna: PV26) onvoldoende grond biedt om de verdachte rechtspersoon aan te merken als verdachte in de zin van artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Dit betekent dat het Openbaar Ministerie op oneigenlijke gronden een veelvoud aan vervolgingsmaatregelen, opsporingsmiddelen en dwangmiddelen heeft ingezet, waaronder de heimelijke doorzoeking in het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] (hierna: [verdachte rechtspersoon 1] ) op 19 maart 2017. Naast het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld, was deze heimelijke doorzoeking tevens onrechtmatig omdat: (a) [verdachte rechtspersoon 1] ten tijde van de heimelijke doorzoeking (nog) niet als verdachte was aangemerkt en (b) het bevel ex artikel 126k Sv op basis waarvan de heimelijke doorzoeking heeft plaatsgevonden niet de bevoegdheid geeft om in een besloten plaats stukken te kopiëren en te scannen. Dit betekent dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte rechtspersoon, dan wel dat de op basis van de bij de heimelijke doorzoeking verzamelde informatie opgemaakte processen-verbaal van verdenking witwassen [verdachte rechtspersoon 1] , [verdachte rechtspersoon 2] , [verdachte rechtspersoon 3] , [verdachte rechtspersoon 4] d.d. 16 mei 2017, proces-verbaalnummer 1023 (hierna: PV1023) en van verdenking fiscale fraude en valsheid in geschrift door [verdachte rechtspersoon 1] B.V d.d. 13 juni 2017, proces-verbaalnummer: 1033 (hierna: PV1033) van het bewijs moeten worden uitgesloten.
De start van het strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: SFO) is onrechtmatig geweest, omdat PV26, PV1023 en PV1033 onvoldoende grond bieden om een SFO aan te vragen. Dit betekent dat de resultaten van het SFO van het bewijs moeten worden uitgesloten.
Het Openbaar Ministerie levert geen concreet, direct en overtuigend bewijs op basis waarvan tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, maar poneert slechts blote stellingen op basis van aannames. Het Openbaar Ministerie heeft niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast. In plaats daarvan keert het Openbaar Minister die bewijslast om en verzwaart deze door van de verdachte rechtspersoon overtuigend tegenbewijs te verlangen. Dit is in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Bovendien is namens de verdachte rechtspersoon dit overtuigend tegenbewijs wel geleverd, zodat met een bewijsvermoeden niet langer kan worden volstaan.
Er is geen sprake van een eerlijk proces (‘fair trial’) in de zin van het EVRM, omdat: (a) de rechters in eerste aanleg vooringenomen en partijdig zijn geweest door zich steeds aan de zijde van het Openbaar Ministerie te scharen, (b) de onschuldpresumptie is geschonden omdat [medeverdachte 1] en de vennootschappen, waaronder [verdachte] , van aanvang af schuldig zijn geacht aan belastingfraude en witwassen, (c) de verdachte rechtspersoon is gedwongen om mee te werken aan de eigen veroordeling, onder andere door de omvangrijke beslagleggingen en (d) het Openbaar Ministerie het de vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon onmogelijk heeft gemaakt zich te verweren, onder andere vanwege de vele koerswijzigingen.
Vooraf
Algemeen kader
Bij de beoordeling van de namens de verdachte rechtspersoon gevoerde ontvankelijkheidsverweren stelt het hof het volgende voorop. Ingevolge artikel 359a, lid 1, Sv kan de rechter, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat de hoogte van de straf zal worden verlaagd, de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen niet mogen bijdragen aan het bewijs van de tenlastegelegde feiten of het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging.
De Hoge Raad heeft in onder meer zijn arresten van 30 maart 2004 [4] en 19 februari 2013 [5] uiteengezet wanneer sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv en aan welke (wettelijke) voorwaarden moet worden voldaan voordat toepassing kan worden gegeven aan één van de in artikel 359a, lid 1, Sv genoemde rechtsgevolgen. In zijn overzichtsarrest van 1 december 2020 [6] overwoog de Hoge Raad onder meer als volgt.
In het strafproces staat centraal dat de rechter, met inachtneming van de regels van een eerlijk proces, zoveel mogelijk een inhoudelijk oordeel velt over de beschuldiging die jegens de verdachte wordt geuit en zo recht spreekt in de concrete zaak. Op de strafrechter rust niet de taak en verantwoordelijkheid de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken. De strafrechter is daartoe ook niet in staat. Toepassing van artikel 359a Sv kan ertoe strekken dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro wordt gewaarborgd. Daarnaast berust de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden, en zo ja de wijze waarop dat gebeurt, in de kern op een afweging van belangen. Daarbij gaat het om de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen – waaronder de belangen van waarheidsvinding en van de bestraffing van de daders van strafbare feiten – en de belangen die verband houden met de handhaving van grondrechten en de bevordering van een normconform verloop van het voorbereidend onderzoek. Artikel 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek, en biedt de mogelijkheid te volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan. Aan de rechtspraak over de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen ligt als uitgangspunt ten grondslag dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel. Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg. [7]
Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004 de volgende maatstaf geformuleerd met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie:
“Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.” [8]
De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro, niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens –
‘the proceedings as a whole were not fair’. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelde de Hoge Raad in 2020 de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden. [9]
Bewijsuitsluiting
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 februari 2013 [10] drie categorieën van gevallen onderscheiden waarin bewijsuitsluiting als rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim. In zijn arrest van 1 december 2020 heeft de Hoge Raad dit teruggebracht tot twee categorieën, te weten:
  • i) gevallen waarin het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek van het gebruik voor het bewijs noodzakelijk is om een schending van artikel 6 EVRM Pro te voorkomen en
  • ii) gevallen waarin sprake is van een vormverzuim waarbij het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar waarbij het gaat om de schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel.
In het tweede geval geldt als belangrijk uitgangspunt dat de omstandigheid dat de verkrijging van onderzoeksresultaten gepaard is gegaan met een vormverzuim dat betrekking heeft op een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dan het recht op een eerlijk proces, niet eraan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het tenlastegelegde feit worden gebruikt. Is echter sprake van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, dan kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Of daartoe grond bestaat, beoordeelt de rechter aan de hand van de in artikel 359a, lid 2, Sv genoemde beoordelingsfactoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, en met inachtneming van het uitgangspunt van subsidiariteit. In het bijzonder dient de rechter te beoordelen of het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet met strafvermindering kan worden volstaan, maar bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is. Daarbij moet acht worden geslagen op de negatieve effecten die aan bewijsuitsluiting zijn verbonden, gelet op de zwaarwegende belangen van waarheidsvinding, van de vervolging en berechting van (mogelijk zeer ernstige) strafbare feiten, en in voorkomend geval van de rechten van slachtoffers. Voor het bepalen van de ernst van het vormverzuim kan mede betekenis toekomen aan het verwijt dat aan politie en justitie kan worden gemaakt en aan de omstandigheid dat een vormverzuim zich bij herhaling blijkt voor te doen, maar ook aan de omstandigheid dat door politie en justitie al maatregelen zijn getroffen om (verdere) herhaling tegen te gaan. [12]
Naast de gevallen als voornoemd kan bewijsuitsluiting tevens aan de orde komen indien zich onregelmatigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid en accuraatheid van onderzoeksresultaten wezenlijk hebben aangetast. In dat geval berust bewijsuitsluiting niet op de toepassing van artikel 359a Sv, maar vloeit die uitsluiting rechtstreeks voort uit de regel dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard, alleen dat bewijsmateriaal gebruikt dat hij betrouwbaar en bruikbaar vindt. [13]
Strafvermindering als strafprocessuele sanctie
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004 met betrekking tot strafvermindering als aan een vormverzuim te verbinden rechtsgevolg onder meer het volgende overwogen:
“Strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, komt (...) slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.” [14]
Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Het moet dus gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Dat volgt ook uit het uitgangspunt dat de rechter niet de taak en verantwoordelijkheid heeft de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken en dat hij de bevoegdheid, maar niet de plicht heeft om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek. [15]
Door het verbinden van strafvermindering als rechtsgevolg aan een vormverzuim, brengt de rechter tot uitdrukking dat het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet kan worden volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. In de toepassing van strafvermindering ligt dan ook een krachtiger, in de mate van strafvermindering tot uitdrukking te brengen afkeuring van het vormverzuim besloten dan in die enkele constatering. [16]
Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg, dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen die een inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Dat kan zich bijvoorbeeld ook voordoen als door de onrechtmatige toepassing van dwangmiddelen bewijs is vergaard. Verder is toepassing van strafvermindering niet uitgesloten in gevallen waarin, als gevolg van een of meerdere vormverzuimen, in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt, maar waarbij die vormverzuimen vervolgens in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen. [17]
Gelet op het uitgangspunt van subsidiariteit is het aangewezen dat indien grond bestaat voor het verbinden van een rechtsgevolg aan het vormverzuim en het door het vormverzuim veroorzaakte nadeel zich laat compenseren door strafvermindering, daarmee wordt volstaan. De toepassing van strafvermindering heeft immers in het licht van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen aanmerkelijk minder verstrekkende of willekeurige consequenties dan niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging of – onder omstandigheden, afhankelijk van het resterende bewijsmateriaal en de redengevendheid daarvan voor een eventuele bewezenverklaring – de toepassing van bewijsuitsluiting. [18]
Aan een verweer te stellen eisen
Van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv wordt verlangd, dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de factoren genoemd in artikel 359a, lid 2, Sv – te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt – wordt aangegeven tot welk in artikel 359a, lid 1, Sv omschreven rechtsgevolg het vermeende vormverzuim dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven. [19]
Beoordeling van de feitelijke grondslag van verweren
Indien het verweer wordt gevoerd dat zich een vormverzuim heeft voorgedaan en dat dit moet leiden tot een van de in artikel 359a, lid 1, Sv genoemde rechtsgevolgen, moet de rechter beoordelen of de aan dat verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden. Bij dat onderzoek naar de feitelijke grondslag kan de rechter zich beperken tot die vaststellingen die in verband met de beslissing over het in het verweer genoemde rechtsgevolg noodzakelijk zijn. [20] De rechter kan echter een dergelijk verweer zonder onderzoek naar de feitelijke grondslag daarvan verwerpen indien hij tot het oordeel komt dat wat is aangevoerd – ware het juist – niet noopt tot één van de in artikel 359a, lid 1, Sv genoemde rechtsgevolgen, bijvoorbeeld omdat het aangevoerde hooguit kan leiden tot de enkele constatering van een vormverzuim. [21]
Beoordeling
Tegen de achtergrond van dit beoordelingskader oordeelt het hof als volgt.
A.
Rechtsmacht ten aanzien van feiten 1 en 2
Ingevolge artikel 2 Sr Pro is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Als er - naast in Nederland gelegen plaatsen - ook buiten Nederland gelegen plaatsen zijn die kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van deze wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de gedragingen die deel uitmaken van dat strafbare feit en die buiten Nederland hebben plaatsgevonden. [22]
De tenlastelegging van feit 1 houdt onder meer in dat de verdachte rechtspersoon wordt verweten dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het (medeplegen van) witwassen van geldbedragen in Nederland en/of in Duitsland en/of in [plaats 1] en/of in [plaats 2] . De tenlastelegging van feit 2 houdt in dat de verdachte rechtspersoon zich schuldig heeft gemaakt aan het (medeplegen van) valsheid in geschrift in [plaats 1] en/of in [plaats 2] en/of in Nederland en/of in Duitsland. Dit betekent dat de tenlastegelegde gedragingen, voor zover die in [plaats 1] en/of [plaats 2] zouden hebben plaatsgevonden, deel uitmaken van een volgens de tenlastelegging onder meer in Nederland gepleegd strafbaar feit.
De omstandigheid dat het uitlenen c.q. terugbetalen van de geldbedragen (feit 1) heeft plaatsgevonden via [plaats 1] en/of dat de vermeend valse overeenkomsten van geldlening (feit 2) in [plaats 1] en/of [plaats 2] zijn getekend, staat er naar het oordeel van het hof niet aan in de weg dat Nederland rechtsmacht heeft.
Ten aanzien van feit 1 is tenlastegelegd en bewezenverklaard dat dit feit is gepleegd in Nederland. Onder feit 1, 1e, 2e en 3e gedachtestreepje, is tenlastegelegd en bewezenverklaard dat de verdachte rechtspersoon witwassen heeft medegepleegd. De geldleningen zoals genoemd onder feit 1, 1e, 2e en 3e gedachtestreepje, zijn via [verdachte rechtspersoon 2] verstrekt aan twee vennootschappen binnen de [bedrijf 1] , onder leiding van de Nederlander [betrokkene 1] . Uit de bankafschriften van de Rabobank-rekening op naam van [bedrijf 2] blijkt dat de lening van € 6.150.000 door [verdachte rechtspersoon 2] is betaald op de Nederlandse bankrekening van een Nederlandse B.V. [23] Hoewel geen bankafschriften beschikbaar zijn van de betaling van de lening van USD 13.500.000 door [verdachte rechtspersoon 2] aan [bedrijf 1] , blijkt uit de brief die [verdachte rechtspersoon 1] op 15 juli 2010 aan de Belastingdienst stuurde dat ook voor wat betreft deze lening sprake is van verstrekking van een lening door een Nederlandse B.V. ( [verdachte rechtspersoon 2] ) aan een Nederlandse B.V. ( [bedrijf 1] ). De terugbetaling door [bedrijf 1] vond plaats op de Nederlandse ING-rekening van [verdachte rechtspersoon 2] . [24] Onder feit 1, 4e gedachtestreepje is tenlastegelegd en bewezenverklaard dat de verdachte rechtspersoon heeft witgewassen. De geldlening zoals genoemd onder feit 1, 4e gedachtestreepje, is verstrekt door [verdachte] aan een in Nederland gevestigde B.V. ( [bedrijf 3] ) ter financiering van onroerend goed gelegen in Nederland. De lening is betaald op en afbetaald vanaf een Nederlandse bankrekening van [bedrijf 3] bij [bank 1] . [25]
Ten aanzien van feit 2 is eveneens tenlastegelegd en bewezenverklaard dat het is gepleegd in Nederland. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de geschriften zijn gebruikt in Nederland. Het handelen van de verdachte rechtspersoon heeft daarom in Nederland de beoogde gevolgen gehad, zodat ook Nederland als plaats van het strafbare feit ten laste is gelegd.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat de feiten hun uitwerking in Nederland hebben gehad en dat de verdachte rechtspersoon daarmee ook op Nederlands grondgebied feitelijke handelingen heeft verricht. Het gevolg hiervan is dat Nederland ook rechtsmacht heeft ten aanzien van gedragingen die onderdeel uitmaken van de tenlastegelegde feiten, maar in het buitenland hebben plaatsgevonden. Aangezien medeplegen als deelnemingsvorm ten laste is gelegd, schept het voorgaande ook rechtsmacht ten aanzien van de medepleger(s).
Het hof ziet gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen aanleiding om het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk te verklaren in de strafvervolging van de verdachte rechtspersoon. Het namens de verdachte rechtspersoon gevoerde verweer wordt derhalve verworpen.
B.1. Start strafrechtelijk onderzoek en PV26
Het hof stelt aan de hand van het dossier vast dat de aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek is gelegen in het feit dat [verdachte] bij een onderzoek door het Regionale Informatie- en Expertisecentrum (hierna: RIEC) Midden Nederland naar de aankoop van een jachthaven in Loosdrecht in 2014 in beeld kwam als financier van deze aankoop.
Tijdens het onderzoek naar de aankoop van deze jachthaven is vastgesteld dat [verdachte] voor kwam in een strafrechtelijk onderzoek van de politie Midden-Nederland waarin er sprake was van een financiering van een 4-tal recreatieparken voor een bedrag van € 4.500.000,- door [verdachte] (
feit 1, 4e gedachtestreepje). Het vorenstaande is de aanleiding geweest om nader onderzoek te doen naar [verdachte] en de verantwoordelijke personen binnen deze onderneming. Het doel van dit onderzoek was om na te gaan of [verdachte] in Nederland en in het buitenland meer financieringen had uitstaan en of deze financieringen mogelijk met uit enig misdrijf verkregen gelden zouden zijn gefinancierd.
Uit dat onderzoek zijn onder meer de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen :
  • Medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) is vanaf de oprichting van [verdachte] in 1997 als directeur en aandeelhouder betrokken;
  • Vertegenwoordiger en medeverdachte [medeverdachte 1] is vanaf 2013 als aandeelhouder betrokken bij [verdachte] ;
  • [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn betrokken bij een groot aantal buitenlandse rechtspersonen, met name offshore companies;
  • [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn beiden al jaren geleden uitgeschreven uit Nederland. Het is onbekend wat zij sinds dat moment hebben gedaan c.q. wat de herkomst van hun vermogen is;
  • [verdachte] is niet terug te vinden (behoudens bij de Kamer van Koophandel in [plaats 1] ) in openbare bronnen als zijnde een investeerder en financier van onroerend goed;
  • Het bedrijf heeft geen website en maakt geen reclame voor haar activiteiten;
  • Het vestigingsadres van [verdachte] is een Secretary (trustkantoor) in een bedrijfsverzamelgebouw in [plaats 1] ;
  • [verdachte] is een offshore company uit [plaats 1] , waar de jaarstukken niet hoeven te worden gedeponeerd;
  • Er is geen duidelijkheid over waar de daadwerkelijke administratie gevoerd wordt van [verdachte] en/of de andere aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gelieerde buitenlandse ondernemingen;
  • Op een drietal facturen van [verdachte] is een Nederlands mobiel telefoonnummer vermeld als contact; er is geen telefoonnummer van [verdachte] in [plaats 1] vermeld;
  • Op deze facturen van [verdachte] is als contact email adres vermeld: [e-mailadres] , dit bedrijf heeft zichtbaar geen enkele relatie met [verdachte] . Kennelijk beschikt [verdachte] niet over een eigen e-mailadres en/of internetdomein;
  • Op deze drie facturen van [verdachte] is een postadres vermeld in [plaats 3] Nederland. Dit adres in [plaats 3] is tevens het vestigingsadres van een drietal ondernemingen, die direct of indirect zijn gelieerd aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ;
  • De financiële betrokkenheid van [verdachte] in onroerend goed in Nederland en in het buitenland bedroeg in 2015 tenminste € 35.348.000,-;
  • De leningen worden verstrekt aan ondernemingen/personen die op een reguliere wijze (in Nederland geregistreerde financiers) geen dan wel zeer moeilijk financieringen kunnen verkrijgen omdat zij reeds in een niet rooskleurige financiële positie verkeren en/of in onderzoek zijn bij de justitiële autoriteiten;
  • De overeengekomen rentepercentages liggen tussen de 7% en 10%. Dit is opmerkelijk hoger dan het reguliere percentage dat Nederlandse financiële instellingen rekenen;
  • Een van de personen waaraan een lening wordt verstrekt is [betrokkene 2] . [betrokkene 2] zegt in een tapgesprek uit 2014 dat hij besprekingen over de financiering door [verdachte] heeft gevoerd met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in [plaats 3] , dat er een fonds zou zijn van 180 miljoen dat beschikbaar is om risicovol uitgeleend te worden.
Het hof maakt hieruit op dat met betrekking tot [verdachte] in ieder geval sprake is van de volgende – op grond van algemene ervaringsregels geldende – indicatoren voor witwassen (witwastypologieën):
  • Buitenlandse rechtspersonen worden vaker gebruikt voor het witwassen van criminele inkomsten, omdat het moeilijk is om de herkomst van het geld te achterhalen;
  • Een belangrijk instrument voor het verhullen van de uiteindelijk gerechtigde is het gebruik van trusts of offshore vennootschappen. Een offshore vennootschap kan snel worden opgericht en worden bestuurd door een lokaal trustkantoor, vaak vindt dit plaats in een belastingparadijs waar een strikt bankgeheim geldt en er geen verplichtingen zijn de jaarrekening te publiceren;
  • Het gebruik van stromannen, een familielid, partner of een buitenlandse rechtspersoon, vaak offshore, die het vastgoed als juridische eigenaar op hun naam zetten. De crimineel kan dan anoniem blijven;
  • De meest bekende witwasmethode bij financieringen is de loanback-constructie. Via een financieringsovereenkomst leent de crimineel zijn eigen criminele geld terug. Feitelijk bestaat deze uit niet meer dan een leningsovereenkomst tussen twee – ogenschijnlijk – onafhankelijke partijen. Als geldverstrekker wordt meestal een buitenlandse partij opgevoerd, bijvoorbeeld een buitenlandse rechtspersoon.
  • Het gebruik van rechtspersonen is belangrijk bij witwassen, 93% van de criminele samenwerkingsverbanden met witwasactiviteiten maakt gebruik van rechtspersonen.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat er met betrekking tot de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [verdachte] , sprake was van voldoende concrete feiten en omstandigheden die een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, te weten witwassen, rechtvaardigen. Het hof acht daarom de start van het strafrechtelijk onderzoek en PV26 ook niet onrechtmatig.
De verdenking jegens de medeverdachte [medeverdachte 1] en [verdachte] is op een later moment uitgebreid met een verdenking van overtreding van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft). Dit is vastgelegd in het proces-verbaal van verdenking overtreding Wet op het financieel toezicht d.d. 6 juli 2016, proces-verbaalnummer: 406 (hierna: PV406). Later is deze verdenking ook jegens de medeverdachte [medeverdachte 2] ontstaan. Dit is vastgelegd in het proces-verbaal van verdenking overtreding Wet op het financieel toezicht d.d. 22 september 2017, proces-verbaalnummer: 1136 (hierna: PV1136). Naar aanleiding van de inzet van diverse (bijzondere) opsporingsmiddelen is een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, te weten witwassen, jegens [verdachte rechtspersoon 1] , [verdachte rechtspersoon 2] , [verdachte rechtspersoon 3] (hierna: [verdachte rechtspersoon 3] ) en [verdachte rechtspersoon 4] (hierna: [verdachte rechtspersoon 4] ) ontstaan. Dit is geverbaliseerd in PV1023. Daarnaast is jegens [verdachte rechtspersoon 1] tevens een verdenking van fiscale fraude en valsheid in geschrift ontstaan, zie PV1033. Ook ten aanzien van het voornoemde is van onrechtmatigheid geen sprake.
B.2. De heimelijke doorzoeking, PV1023 en PV1033
Het hof stelt bij de beoordeling van dit verweer voorop dat het van oordeel is dat er met betrekking tot de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de verdachte rechtspersoon sprake was van voldoende concrete feiten en omstandigheden die een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, te weten witwassen, rechtvaardigen. Vervolgens zijn diverse (bijzondere) opsporingsmiddelen ingezet, waaronder de doorzoeking van het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] op 19 maart 2017. Zoals reeds overwogen is de verdenking van witwassen jegens de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] in 2016 uitgebreid met een verdenking van overtreding van de Wft. Dit is vastgelegd in PV406. Het hof acht de inzet van (bijzondere) opsporingsmiddelen, gelet op de aanwezigheid van een redelijk vermoeden van schuld aan een of meer strafbare feiten, niet onrechtmatig. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, doet de omstandigheid dat in het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] administratie is gekopieerd van – de op dat moment nog niet verdachte rechtspersoon – [verdachte rechtspersoon 1] , aan de rechtmatigheid van de doorzoeking niet af. De inzet van de (bijzondere) opsporingsmiddelen was gericht op [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] en uit feiten en omstandigheden was gebleken dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betrokken waren bij [verdachte rechtspersoon 1] en regelmatig in het bedrijfspand in [plaats 3] verbleven. Hierdoor bestond het vermoeden dat relevante administratie rondom de financieringen van [verdachte] en de bedrijven van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aanwezig was in het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] .
Het hof is verder van oordeel dat aan de inzet van het opsporingsmiddel van de heimelijke doorzoeking geen gebreken zijn gebleken. In dat kader stelt het hof aan de hand van het dossier het volgende vast:
  • In het proces-verbaal aanvraag uitoefenen bevoegdheden in een besloten plaats d.d. 16 januari 2017, procesverbaalnummer: 743D, wordt onder meer de start van het strafrechtelijk onderzoek en de verdenkingen jegens de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] beschreven. Dit betreft, zoals eerder genoemd, de verdenking van witwassen (PV26) en overtreding van de Wft (PV403). Daarnaast is beschreven dat uit onderzoek is gebleken dat verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betrokken zijn bij [verdachte rechtspersoon 1] en dat het vermoeden bestaat dat de relevante (fysieke en digitale) administratie rondom de financieringen van [verdachte] en de bedrijven van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aanwezig is in het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] . Gelet hierop wordt voorgesteld om een heimelijke doorzoeking uit te voeren in dit bedrijfspand. Om de heimelijke doorzoeking uit te kunnen voeren is een intensieve voorbereiding nodig. Hiervoor is nodig dat de aangewezen opsporingsambtenaren (heimelijk) het bedrijfspand kunnen betreden en opnemen. Deze bevoegdheid wordt ingezet op grond van artikel 126k Sv. De heimelijke doorzoeking zal uiteindelijk plaatsvinden onder leiding van de officier van justitie op grond van artikel 96c in verbinding met artikel 125i Sv.
  • Door de officier van justitie wordt jegens de verdachte rechtspersoon op 17 januari 2017 ex artikel 125k Sv schriftelijk bevel gegeven de besloten plaats, te weten het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] , heimelijk te betreden teneinde die plaats op te nemen (743C).
  • In het proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 15 maart 2017, procesverbaalnummer: 934, zijn de beschrijvingen van de start van het strafrechtelijk onderzoek en de verdenkingen jegens de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] herhaald. Tevens is beschreven dat door de officier van justitie ex artikel 127k Sv schriftelijk bevel is gegeven het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] heimelijk te betreden en op te nemen in het kader van de intensieve voorbereiding van de heimelijke doorzoeking. Geconcludeerd wordt dat het in het belang van het opsporingsonderzoek dringend noodzakelijk is een doorzoeking te verrichten in het voornoemde bedrijfspand ter inbeslagneming conform artikel 96c in verbinding met artikel 125i Sv.
  • In het proces-verbaal van bevindingen “Doorzoeking ter vastlegging van gegevens ex artikel 125i Wetboek van Strafvordering” d.d. 23 maart 2017, proces-verbaalnummer: 743F, is het volgende geverbaliseerd:
“( …) Op zondag 19 maart 2017 werd onder leiding van de officier van justitie mr. E.J.A. Melssen, in het strafrechtelijk onderzoek bekend onder parketnummer 011997520-16, ter vastlegging van gegevens overeenkomstig artikel 125i van het Wetboek van Strafvordering, een plaats doorzocht. Dit betrof het bedrijfspand van “ [verdachte rechtspersoon 1] ” gelegen aan [adres 2] . De betreding vond plaats zonder dat er iemand aanwezig was.
Op zondag 19 maart 2017, te 00:20 uur, hoorde ik, verbalisant, dat officier van justitie mr. E.J.A. Melssen de doorzoeking opende op grond van artikel 125i van het Wetboek van Strafvordering.
Op zondag 19 maart 2017, te 00:36 uur heb ik, verbalisant, te samen met 7 collega’s, tevens opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, het pand betreden.
Eenmaal binnen is direct een beeld/spraakverbinding opgezet met officier van justitie mr. E.J.A. Melssen. Middels deze beeld/spraakverbinding had officier van justitie mr. E.J.A. Melssen voortdurend de leiding en voerde zij de regie uit over de doorzoeking.
Doorzoeking artikel 125i Wetboek van Strafvordering
Met toestemming van officier van justitie mr. E.J.A. Melssen werden 2 kantoorruimtes doorzocht ter vastlegging van gegevens. Deze kantoorruimtes bevonden zich op de begane grond direct na binnenkomst via de centrale toegangsdeur. Beide kantoorruimtes zijn direct naast elkaar gelegen. In beide kantoren zijn diverse gegevensdragers doorzocht en werden diverse gegevens vastgelegd middels scan/foto en video. (…)”
Gelet op voorgaande vaststellingen op basis van het dossier, concludeert het hof als volgt:
  • De doorzoeking op 19 maart 2017 is verricht onder leiding van de officier van justitie op grond van artikel 96c in verbinding met artikel 125i Sv. Artikel 125i Sv geeft aan de officier van justitie de bevoegdheid tot het doorzoeken van een plaats – anders dan een woning of een kantoor van een persoon met bevoegdheid tot verschoning – ter vastlegging van gegevens.
  • Het bevel ex artikel 125k Sv van de officier van justitie d.d. 17 januari 2017 ziet op het (heimelijk) betreden van het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] teneinde die plaats op te nemen en de latere doorzoeking op grond van artikel 96c in verbinding met artikel 125i Sv intensief voor te bereiden.
Dit leidt tot het oordeel van het hof dat het verweer namens de verdachte rechtspersoon, inhoudende dat de heimelijke doorzoeking onrechtmatig heeft plaatsgevonden, faalt. Gelet op het voorgaande acht het hof het ook niet onrechtmatig dat de bij de doorzoeking verzamelde informatie is gebruikt ten behoeve van het opmaken van PV1023 en PV1033.
B.3. Conclusie
Het hof ziet gelet op hetgeen is overwogen onder B.1. en B.2. geen aanleiding om het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk te verklaren in de strafvervolging van de verdachte rechtspersoon, dan wel de op basis van de bij de heimelijke doorzoeking verzamelde informatie opgemaakte PV1023 en PV1033 van het bewijs uit te sluiten. Het namens de verdachte rechtspersoon gevoerde verweer wordt derhalve verworpen.
Start strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO)
De rechter-commissaris heeft op 21 juni 2017 de machtigingen afgegeven tot het strafrechtelijk financieel onderzoek jegens [medeverdachte 2] ( [nummer 1] ), [medeverdachte 1] ( [nummer 2] ), [verdachte rechtspersoon 2] ( [nummer 3] ), [verdachte rechtspersoon 1] ( [nummer 4] ), [verdachte rechtspersoon 4] ( [nummer 5] ), [verdachte rechtspersoon 3] ( [nummer 6] ) en [verdachte] ( [nummer 7] ). Op dat moment bestond, gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen met betrekking tot PV26, PV1023 en PV1033, jegens deze personen en vennootschappen een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit in de zin van artikel 27 Sv Pro. Van een onrechtmatige start van het strafrechtelijk financieel onderzoek acht het hof aldus geen sprake. Het hof ziet derhalve geen aanleiding om de resultaten van het SFO van het bewijs uit te sluiten en verwerpt in zoverre het verweer van de vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon.
Beginselen van een behoorlijke procesorde
Hetgeen namens de verdachte rechtspersoon is aangevoerd heeft betrekking op de op het Openbaar Ministerie berustende bewijslast en het al dan niet weerlegd zijn van een eventueel bewijsvermoeden. Dat is geen vraagstuk dat besproken dient te worden bij de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, maar bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Dit verweer wordt derhalve verworpen, omdat het hof tot het oordeel komt dat wat is aangevoerd – wat daar ook van zij – niet noopt tot één van de in artikel 359a, lid 1, Sv genoemde rechtsgevolgen. [26]
Eerlijk proces (‘fair trial’)
Het is het hof niet van feiten of omstandigheden gebleken dat de rechtbank in eerste aanleg niet onpartijdig is geweest. Ook is geen sprake geweest van de schijn van partijdigheid of van enige vorm van vooringenomenheid. Het dossier, noch de processen-verbaal van de terechtzittingen of het vonnis van de rechtbank geven daarvan blijk. De omstandigheid dat de rechtbank in het vonnis tot een gemotiveerde bewezenverklaring is gekomen en zich daarmee in de ogen van de vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon aan de zijde van het Openbaar Ministerie heeft geschaard, leidt niet tot de conclusie dat de rechters in eerste aanleg vooringenomen zijn geweest. In het verlengde daarvan acht het hof ook geen sprake van schending van de onschuldpresumptie. Zoals reeds overwogen is het hof van oordeel dat er met betrekking tot de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [verdachte] sprake was van voldoende concrete feiten en omstandigheden die een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, te weten witwassen, rechtvaardigden. Dit is later uitgebreid met de verdenking van (onder andere) een fiscaal delict. Voor zover namens de verdachte rechtspersoon is betoogd dat sprake is van zodanige koerswijzigingen van de zijde van het Openbaar Ministerie dat het onmogelijk is gemaakt om zich namens de verdachte rechtspersoon te verweren, wordt dit verweer verworpen. Zoals de rechtbank reeds terecht heeft overwogen, is het inherent aan een strafrechtelijk onderzoek dat gedurende het onderzoek tot nieuwe inzichten wordt gekomen en dat verdenkingen zich kunnen uitbreiden of concretiseren.
Dat de verdachte rechtspersoon is gedwongen om mee te werken aan de eigen veroordeling, onder andere door de beslagleggingen is het hof niet gebleken. Door de rechtbank is terecht overwogen dat de aard van de verdenkingen en het door het Openbaar Ministerie berekende geldelijke nadeel de omvangrijke beslagleggingen, rechtvaardigen. De beslagleggingen zijn via de gerechtelijke procedures die daarvoor openstaan, getoetst en rechtmatig bevonden. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de waarborgen die aan een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek toekomen niet in acht zijn genomen.
Het hof concludeert gelet op het voorgaande dat geen sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces, hetgeen zou moeten leiden tot één van de in artikel 359a, lid 1, Sv genoemde rechtsgevolgen. Het namens de verdachte rechtspersoon gevoerde verweer wordt derhalve verworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
De tekst van de tenlastelegging is aan dit arrest gehecht (bijlage I).
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte rechtspersoon is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte rechtspersoon het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
Feit 1:zij op tijdstippen in de periode vanaf 1 juli 2007 tot en met 26 mei 2017, in Nederland en in
[plaats 1] ,
telkens tezamen en in vereniging met een ander,
telkens van een voorwerp de werkelijke herkomst heeft verhuld en verhuld wie de rechthebbenden op een voorwerp waren en
telkens een voorwerp heeft verworven en voorhanden gehad en overgedragen en van een voorwerp gebruik heeft gemaakt,
immers hebben zij, verdachte en haar mededader - zakelijk weergegeven -
= een bedrag aan geld tot een totaalbedrag groot (maximaal) EUR 6.150.000,- uitgeleend aan [verdachte rechtspersoon 2] ten behoeve van het verlenen van een financiering aan [bedrijf 2] (bijlage nr. 1391C 214/260, pag. 00032871 proces-verbaal) en
= een bedrag aan geld tot een totaalbedrag groot (maximaal) USD 13.500.000,- uitgeleend aan [verdachte rechtspersoon 2] ten behoeve van het verlenen van financiering aan [bedrijf 1] (bijlage nr. 1391C 209/260, pag. 00032866 proces-verbaal) en
= een bedrag aan geld groot EUR 17.699.994,56, door [verdachte rechtspersoon 2] , ontvangen als terugbetaling van leningen, overgeboekt vanaf de bankrekening van [verdachte rechtspersoon 2] , ontvangen op een bankrekening van haar, verdachte (bijlage nr. 1391AA 11/41, pag. 00032622 proces-verbaal),
terwijl zij, verdachte en haar mededader telkens wisten, dat dat voorwerp gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf,
en
zij in of omstreeks de periode vanaf 1 juli 2007 tot en met 26 mei 2017 in Nederland en in [plaats 1] ,
van een voorwerp de werkelijke herkomst heeft verhuld en verhuld wie de rechthebbenden op een voorwerp waren en
een voorwerp heeft verworven en voorhanden gehad en overgedragen en van een voorwerp gebruik heeft gemaakt,
immers heeft zij, verdachte - zakelijk weergegeven -
= een bedrag aan geld tot een totaalbedrag groot (maximaal) EUR 4.500.000,- uitgeleend aan [bedrijf 3] ten behoeve van het verlenen van financiering aan [bedrijf 3] (SFO022094, SFO022113, SFO022114, SFO022115, SRD00034067),
terwijl zij, verdachte, wist, dat dat voorwerp gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
Feit 2:zij in de periode vanaf de maand juli 2007 tot en met de maand november 2008 in [plaats 1] en te [plaats 2] en in Nederland en Duitsland,
telkens
= een leningsovereenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 3] en anderzijds haar, verdachte gedateerd 15 juli 2007 en ondertekend op 7 november 2008, ter zake - zakelijk weergegeven - de verstrekking van een lening door [medeverdachte 3] aan haar, verdachte tot een maximum bedrag groot EUR 6.150.000,- voor de financiering van [bedrijf 2] en/of haar hotelprojecten in Kalkar onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden, en
= een leningsovereenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 3] en anderzijds haar, verdachte gedateerd 15 juli 2007 en ondertekend op 7 november 2008, ter zake - zakelijk weergegeven - de verstrekking van een lening door [medeverdachte 3] aan haar, verdachte tot een maximum bedrag groot USD 13.500,000,- voor de financiering van [bedrijf 1] , vestiging Meppen, haar hotelproject in Duitsland, onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden, en
= een leningsovereenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 3] en anderzijds haar, verdachte gedateerd 15 november 2007 en ondertekend 7 november 2008, ter zake - zakelijk weergegeven - de verstrekking van een lening door [medeverdachte 3] aan de Limited tot een maximum bedrag groot EUR 5.000.000,- voor de financiering van onroerend goed- en/of bouwprojecten in Duitsland en/of in Nederland, onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden,
zijnde die leningsovereenkomsten voornoemd telkens geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen,
telkens valselijk heeft opgemaakt,
immers heeft zij, verdachte alstoen aldaar telkens opzettelijk valselijk in strijd met de waarheid genoemde leningsovereenkomsten telkens namens haar laten ondertekenen door [betrokkene 4] , telkens ter bevestiging van de juistheid van het daarin gestelde,
terwijl in die leningsovereenkomsten voornoemd telkens valselijk en in strijd met de waarheid was opgenomen - zakelijk weergegeven - dat de in die leningsovereenkomsten vermelde leningsbedragen verstrekt zouden worden door [medeverdachte 3] aan haar, verdachte, zulks terwijl in werkelijkheid geen sprake was van door [medeverdachte 3] te verstrekken leningen aan haar, verdachte,
zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
A.
Witwassen (feit 1)
A.1. Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het vonnis van de rechtbank – zowel wat betreft de beslissingen als de motivering daarvan – juist is. In de kern komt de motivering van de rechtbank voor wat betreft feit 1 en daarmee in zoverre het standpunt van de advocaat-generaal op het volgende neer. [27]
Op basis van de feiten en omstandigheden kan een bewijsvermoeden van witwassen worden geconstateerd. Dit volgt allereerst uit de witwasindicatoren in PV26 en bovendien uit het navolgende:
  • [verdachte] heeft niets om het lijf.
  • [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] lenen via de opgetuigde constructie indirect aan en van zichzelf.
  • [verdachte] maakt winst die in [plaats 1] niet wordt belast. –
  • Een volgbare en toetsbare stroom documenten die inzichtelijk maakt hoe [verdachte] aan het uit te lenen geld komt, ontbreekt. Er is slechts een paper trail vanaf [verdachte] naar de partijen die geld lenen, al bestaan daar soms wel verschillende versies van. De bron waar [verdachte] daadwerkelijk uit put, blijft onzichtbaar.
  • [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gebruikten de bankrekeningen van hun rechtspersonen in [plaats 1] als hun persoonlijke portemonnee. Ze nemen wat ze nodig hebben.
  • Er worden kunstgrepen toegepast waardoor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] persoonlijk buiten beeld blijven voor de fiscus, zoals het zich uitschrijven als inwoner van Nederland, ondanks dat men verblijft en werkt in Nederland, het stallen van vermogen op een Zwitserse bankrekening en het opvoeren van een alternatieve vermogensbron voor [verdachte] in de persoon van de niet-Nederlandse [medeverdachte 3] .
Evenals de rechtbank ziet de advocaat-generaal een patroon. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij nog nooit belasting heeft betaald, waar dan ook ter wereld. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij voor het laatst in 1979 belasting heeft betaald in Nederland. Ook de rechtspersonen, waaronder de verdachte rechtspersoon, waarmee [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich bedienen hebben tot op heden niet of nauwelijks belasting betaald. Daarnaast is gebleken dat [verdachte] niet de eerste rechtspersoon uit [plaats 1] is met een sleutelfunctie in de financieringsactiviteiten van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . In het verleden vervulde [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ) die rol. Tevens is gewezen op het verplaatsen van de winsten uit de handel in legeronderdelen naar [plaats 1] via [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 5] .
Het hiervoor geschetste patroon leidt tot de tussenconclusie dat in elk geval belastingfraude ten grondslag ligt aan de aanwas van het vermogen dat [verdachte] – al dan niet via [verdachte rechtspersoon 2] – in de tenlastegelegde periode kon uitlenen. Het kan niet anders dan dat de niet afgedragen belasting, vermeerderd met het vervolgprofijt dat met de financieringsactiviteiten is behaald, over een periode van 10 tot 20 jaar voorafgaand aan de tenlastegelegde periode een zo groot deel is gaan uitmaken van het totaalvermogen, dat dit niet meer te isoleren is. Dat betekent dat het niet anders kan zijn dan dat [verdachte] vermogen voorhanden heeft gehad en daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dat dit vermogen afkomstig was van enig misdrijf, te weten belastingfraude. Tevens heeft [verdachte] verhuld wat de herkomst van dit vermogen was en wie de rechthebbenden tot dit vermogen waren. De wetenschap van [verdachte] van de criminele herkomst van het vermogen valt samen met de wetenschap van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] daaromtrent.
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het rapport met de titel
“Rapport over de geloofwaardigheid en weergave van een retrogade controle van op het verleden georiënteerde financiële overzichten voor mevrouw [medeverdachte 1] ”(D1586A), opgemaakt d.d. 11 juni 2018 door Mark Reiser (hierna: het rapport Reiser) geen bewijskracht behoort te hebben, omdat dit rapport aantoonbare onjuistheden bevat, niet verifieerbaar is en de uitkomsten hoogst onwaarschijnlijk zijn.
A.2. Standpunt namens de verdachte rechtspersoon
De vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon heeft zeer uitvoerig verweer gevoerd tegen het tenlastegelegde witwassen en daarbij vrijspraak bepleit. Het hof zal dit verweer zakelijk weergeven. Deze weergave is met name gebaseerd op de schriftelijke stukken die namens de verdachte rechtspersoon tijdens de mondelinge behandeling ter terechtzittingen in hoger beroep zijn voorgedragen en/of overgelegd.
A.2.1. Geen toepassing ‘zes-stappenplan’ vanwege ontbreken concreet gronddelict
Volgens de vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon dient voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, lid 1, onder a en b, Sr opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, sprake te zijn van een causaal verband met een specifiek strafbaar feit. De strafrechter kan volgens de vertegenwoordiger niet volstaan met de stelling dat sprake is van ‘enig misdrijf’, maar moet een concreet misdrijf aanwijzen als gronddelict. In de onderhavige strafzaak kan niet een concreet misdrijf worden aangewezen als gronddelict, zodat stap 1 van het zogenoemde ‘zes-stappenplan’ niet kan worden vervuld, aldus de vertegenwoordiger. Dit betekent dat het ‘zes-stappenplan’ niet kan worden toegepast.
A.2.2. Geen toepassing ‘zes-stappenplan’ vanwege verdenking belastingfraude
Indien wel een vermoeden van witwassen kan worden aangenomen, dan is in de onderhavige strafzaak wel degelijk sprake van een verdenking van een vermeend gronddelict, te weten belastingfraude. Dit betekent dat geen gebruik kan worden gemaakt van een bewijsvermoeden middels het ‘zes-stappenplan’.
A.2.3. Belastingfraude kan niet ten grondslag liggen aan het vermogen
Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor het oordeel dat het vermogen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] afkomstig is uit belastingfraude. In dat kader heeft de vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon erop gewezen dat van belastingfraude in de financieringsbranche en/of in de handel in legeronderdelen in het geheel geen sprake is, omdat deze activiteiten via [bedrijf 4] (voor 2007), [verdachte] (na 2007) en [bedrijf 5] volstrekt legaal zijn gedreven onder het territoriale belastingstelsel van [plaats 1] . Bovendien kan de vermeende belastingfraude als gevolg van het verplaatsen van de winsten uit de handel in legeronderdelen door [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 5] niet ten grondslag hebben gelegen aan het vermogen van [verdachte] van om en nabij € 20 miljoen in 2007.
A.3. Bewijsoverwegingen van het hof
Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen. Het hof zal tevens ingaan op de door de vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon gevoerde verweren.
A.3.1. Juridisch kader “afkomstig uit enig misdrijf” [28]
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, lid 1, onder a en b, Sr opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dus dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie om bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het tenlastegelegde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat deze een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat een zodanige verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het tenlastegelegde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan tegenwicht aan de verdenking heeft geboden of dat deze pas in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Als een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Gelet op voornoemd toetsingskader kan ook zonder concreet gronddelict een criminele herkomst van vermogensbestanddelen worden vastgesteld, maar dan moet met voldoende mate van zekerheid een legale herkomst kunnen worden uitgesloten. Het belang hiervan wordt nog versterkt doordat een veroordeling voor witwassen de weg kan openen naar ontneming van het gestelde witgewassen vermogen, zoals in dit geval ook door het Openbaar Ministerie is geëist.
A.3.2. De toepassing van het ‘zes-stappenplan’
Het Combiteam FIOD-Landelijke Eenheid is in het voorbereidend onderzoek op basis van het ‘zes-stappenplan’ tot de conclusie gekomen dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het vermogen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een legale herkomst heeft. Derhalve kan een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring gelden. Dit leidt tot de conclusie dat sprake is van witwassen. [29]
Ook de advocaat-generaal stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat op basis van de feiten en omstandigheden – de witwasindicatoren in PV26 en de aanvullende feiten en omstandigheden – sprake is van een bewijsvermoeden van witwassen en dat van de verdachte(n) een voldoende concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het vermogen mag worden geëist. De advocaat-generaal acht de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kennelijk ontoereikend. Vervolgens komt de advocaat-generaal tot de (tussen)conclusie dat ‘het niet anders kan zijn dan dat’ de tenlastegelegde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. In dat kader noemt de advocaat-generaal wél een specifiek gronddelict, namelijk belastingfraude. Daarmee lijkt de advocaat-generaal op twee gedachten te hinken. Het is echter het één of het ander: ófwel er wordt een concreet gronddelict opgevoerd, ófwel een concreet gronddelict is niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen en dan komt het zogenoemde ‘zes-stappenplan’ in beeld. In het laatste geval komt een grotere nadruk te liggen op de bewijsbaarheid dan wel aannemelijkheid van de overige feiten en omstandigheden die in onderlinge samenhang het ontbreken van een legale herkomst zouden kunnen onderbouwen.
Indien wordt geredeneerd vanuit het ‘zes-stappenplan’, zoals het Openbaar Ministerie lijkt te doen, kan worden vastgesteld dat door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een voldoende concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het vermogen is gegeven, te weten – kort samengevat – dat zij tot 1994 op legale wijze een startkapitaal van ongeveer ƒ 5 miljoen hebben verworven met onder meer de wereldwijde handel in legeronderdelen. Ook in de jaren na 1994 heeft die handel zich voortgezet. Daar komt nog bij dat [medeverdachte 2] aantoonbaar om en nabij ƒ 2,5 miljoen heeft verdiend met de verkoop van onroerend goed in de periode vanaf 1961 tot 1995. Dit geld is gebruikt voor het verstrekken van financieringen vanaf 1994 en uitgegroeid tot een aanzienlijk vermogen van ongeveer € 46 miljoen. Uit het dossier volgt dat [medeverdachte 2] reeds vanaf de jaren ’60 actief was in de handel in legeronderdelen. [medeverdachte 1] is vanaf de jaren ’80 actief geworden. Het is niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk dat die handel (zeer) lucratief is geweest. Uit het dossier en met name uit getuigenverklaringen is inderdaad gebleken dat [medeverdachte 2] op grote schaal handelde in grote partijen legergoederen en daarmee ook behoorlijk succesvol was (‘goed boerde’). [30] Het Openbaar Ministerie heeft de verklaring(en) van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar het oordeel van het hof onvoldoende kunnen weerleggen. Daarbij geldt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gelet op het lange tijdsverloop in een lastige bewijspositie zaten. Die omstandigheid mag naar het oordeel van het hof niet in het nadeel van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] worden meegewogen. Dit leidt het hof tot de conclusie dat het ‘zes-stappenplan’ in het onderhavige geval geen toepassing dient te vinden.
Een bewezenverklaring ter zake van witwassen kan naar het oordeel van het hof dan alleen aan de orde zijn indien wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is van een ander misdrijf, waardoor de uit de handel in legeronderdelen en – later – uit de financieringsactiviteiten afkomstige gelden zijn vermengd met uit een illegale bron afkomstige gelden, bijvoorbeeld doordat sprake is van belastingontduiking, gepleegd vóór de gewraakte handelingen. Dit brengt het hof ertoe om te beoordelen of belastingfraude in aanmerking komt als gronddelict voor het tenlastegelegde witwassen.
A.3.3. Belastingfraude als gronddelict voor witwassen
Het hof stelt voorop dat ook vermogensbestanddelen waarover men de beschikking heeft doordat belasting is ontdoken, kunnen worden aangemerkt als voorwerpen “afkomstig (...) van enig misdrijf” in de zin van artikel 420bis Sr. [31]
[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij eind jaren ’70 ten onrechte uit zijn huis in Gendt is gezet en hij zich toen heeft voorgenomen om nooit meer belasting in Nederland te betalen. [32] [medeverdachte 2] heeft zich na zijn vertrek uit Nederland in de Filipijnen gevestigd en was gehouden daar belastingaangifte te doen. Feitelijk heeft [medeverdachte 2] echter geen belasting betaald in de Filipijnen, omdat hij naar eigen zeggen geen belasting hoefde te betalen over inkomen dat buiten de Filipijnen was verdiend. [33] Dit komt er eigenlijk op neer dat [medeverdachte 2] sinds het einde van de jaren ’70 nergens ter wereld belasting over zijn inkomen en/of winsten heeft afgedragen.
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij zich in 1986 heeft laten uitschrijven in Nederland en vanaf dat moment officieel woonachtig is in [plaats 2] . [34] Aangezien [medeverdachte 1] geen inkomen heeft in [plaats 2] , hoeft zij daar naar eigen zeggen geen (inkomsten)belasting te betalen en geen belastingaangifte te doen. [35] Daarnaast heeft [medeverdachte 1] ten overstaan van de rechtbank verklaard dat zij nog nooit ergens ter wereld belasting over haar vermogen heeft betaald, omdat zij daartoe niet verplicht is. [36] Dit komt er feitelijk op neer dat ook [medeverdachte 1] vanaf het midden van de jaren ‘80 nergens ter wereld belasting over haar inkomen en/of winsten heeft afgedragen, evenals [medeverdachte 2] .
Eenzelfde beeld is te onderkennen voor de vennootschappen [bedrijf 4] , [verdachte] en [bedrijf 5] . Deze vennootschappen zijn opgericht naar het recht van [plaats 1] en officieel aldaar gevestigd. [37] Volgens [medeverdachte 2] zijn deze vennootschappen gehouden om in [plaats 1] belastingaangifte te doen, maar hoeft er feitelijk geen belasting te worden betaald omdat er geen winst wordt gemaakt in [plaats 1] . [38] Tevens bevestigt [medeverdachte 2] dat deze vennootschappen in [plaats 1] zijn gevestigd puur uit fiscale overwegingen om geen belasting te hoeven betalen. [39]
Zoals reeds hiervoor is overwogen in het kader van het ‘zes-stappenplan’, hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verklaard een aanzienlijk vermogen te hebben opgebouwd met de wereldwijde handel in legeronderdelen. Diverse getuigen bevestigen dat deze handel zeer lucratief was. [40] Het ontduiken van belasting over aanzienlijke winsten, waar dat wel had gemoeten, levert belastingfraude op en het gebruiken van die ontdoken belasting om inkomen te genereren kan witwassen opleveren. Het hof acht bewezen dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] feitelijke leiding hebben gegeven aan de door [verdachte rechtspersoon 1] gepleegde belastingfraude over de jaren 2010 tot en met 2013 en 2015. Deze belastingfraude bestond eruit dat vennootschapsbelasting in Nederland is ontdoken door (handels-)winsten te verschuiven van [verdachte rechtspersoon 1] , gevestigd in Nederland, naar [bedrijf 5] , gevestigd in [plaats 1] . In het verlengde hiervan acht het hof bewezen dat dit patroon van belastingfraude door [verdachte rechtspersoon 1] zich in ieder geval vanaf het jaar 1998 heeft voorgedaan. Hiertoe overweegt het hof in het bijzonder het volgende.
[verdachte rechtspersoon 1] heeft in de periode 1998 tot en met 2015 in totaliteit slechts fiscale verliezen gemaakt, zodanig dat in deze periode per saldo geen bedrag aan vennootschapsbelasting verschuldigd was. [41] Volgens een cijfermatige analyse van de Belastingdienst van de gedane aangiften vennootschapsbelasting is in de periode 1998 tot en met 2015 in totaal een belastbare winst gerealiseerd van negatief € 185.798. Dit gevoegd bij het feit dat in de periode 2002 tot en met 2015 (over de periode 1998 tot en met 2001 is de omzet niet meer na te gaan) redelijk stabiele omzetten werden gegenereerd, tot een totaalbedrag van € 24.235.390, bij een inkoopwaarde van per saldo € 17.347.782, rechtvaardigt na bestudering van de administratie, het vermoeden dat in de opbrengst- en/of kostenstructuur onzakelijke elementen zijn geslopen die de belastbare winst hebben beïnvloed. [42]
Tijdens het strafrechtelijk onderzoek zijn aanwijzingen voor fiscale fraude gepleegd door [verdachte rechtspersoon 1] naar voren gekomen. Zo is geconstateerd dat zeker vanaf het jaar 1998 sprake is van transacties tussen [verdachte rechtspersoon 1] (opgericht in 1989) en [bedrijf 5] (opgericht in 1994). Aannemelijk is dat ook vóór 1998 sprake was van transacties tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 5] . Uit de door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ondertekende “Partnership Agreement” d.d. 1 november 2012 volgt dat de ondernemingen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 5] ) reeds sinds 1994 een “agency, joint venture and partnership business relations of international trades in auto spare parts and others” hebben. [43] [medeverdachte 2] handelde eerst via [bedrijf 6] en daarna via [verdachte rechtspersoon 1] door aan afnemers een provisie bovenop de koopprijs in rekening te brengen. Na de oprichting van [bedrijf 5] in 1994 waren de in- en verkopen voortaan voor [bedrijf 5] en werden via [bedrijf 5] facturen verstuurd. Die facturen werden opgemaakt door [betrokkene 3] en later door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft bevestigd dat zij de laatste jaren de facturen voor [bedrijf 5] maakt. [44]
Uit het door de Belastingdienst/Douane verstrekte overzicht van de uitvoeraangiften van [verdachte rechtspersoon 1] volgt dat in ieder geval vanaf 2005 zogenoemde ABC-transacties plaatsvinden tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 5] . Dit houdt in dat [verdachte rechtspersoon 1] de goederen rechtstreeks aan de afnemers van [bedrijf 5] leverde. Er werden derhalve geen goederen fysiek aan [bedrijf 5] in [plaats 1] geleverd. Deze ABC-transacties werden gebruikt om winst die feitelijk aan [verdachte rechtspersoon 1] toekwam te verschuiven naar [bedrijf 5] in [plaats 1] . In tegenstelling tot wat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de buitenwereld hebben proberen voor te spiegelen, [45] is [bedrijf 5] naar het oordeel van het hof géén onafhankelijke handelspartner van [verdachte rechtspersoon 1] . Het persoonlijke en zakelijke leven van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is dusdanig met elkaar verweven, dat zij feitelijk fungeren als één economische eenheid, te weten als “het concern” van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [46] [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn degenen die in de jaren 1998 tot en met 2015 de gang van zaken bij zowel [verdachte rechtspersoon 1] als [bedrijf 5] konden bepalen en daarmee het economische resultaat van die vennootschapen naar believen konden verdelen. De bij de ABC-transacties betrokken goederen werden door [verdachte rechtspersoon 1] ingekocht en in de loods in [plaats 3] opgeslagen. Na verkoop werden de goederen rechtstreeks door [verdachte rechtspersoon 1] aan de afnemer geleverd. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 2] actief betrokken was bij de inkoop en voorraadbepaling van [verdachte rechtspersoon 1] . Zo verklaart [naam] dat [medeverdachte 2] degene was die de inkoopwaarde doorgaf van non licensed goederen op voorraad bij [verdachte rechtspersoon 1] , omdat hij – en hij alleen – de waarde van die goederen kende en wist waarvoor er werd ingekocht . [47] [medeverdachte 2] bevestigt dat hij zich bemoeide met de in- en verkoop van [verdachte rechtspersoon 1] en dat “wat er staat” – het hof begrijpt: de voorraad van [verdachte rechtspersoon 1] in de loods in [plaats 3] – door hem is ingekocht. [48] Ook [medeverdachte 1] verklaart dat [medeverdachte 2] inkocht voor [verdachte rechtspersoon 1] . [49] Daarnaast was [medeverdachte 2] actief betrokken bij het bepalen van de verkoopprijzen van goederen bij [verdachte rechtspersoon 1] . In verschillende tapgesprekken informeert [medeverdachte 1] bij [medeverdachte 2] wat de prijs voor bepaalde onderdelen moet zijn. [50] [medeverdachte 1] bevestigt dat [verdachte rechtspersoon 1] zich regelmatig laat adviseren over verkoopprijzen door [medeverdachte 2] . Zij vraagt altijd aan [medeverdachte 2] wat de prijs is om te verkopen. [51] [medeverdachte 2] weet alles uit zijn hoofd, kent heel veel mensen en bepaalt de inkoop- en verkoopprijzen altijd zelf in de branche, aldus [medeverdachte 1] . [52] Het voorgaande bevestigt dat [medeverdachte 2] beschikte over de kennis aangaande de voorraad van [verdachte rechtspersoon 1] en de in- en verkoopwaarde van de in die voorraad opgeslagen goederen. Tevens beschikte hij over het netwerk om de transacties tot stand te kunnen brengen. Hij is volgens [medeverdachte 1] immers “een legend” in de handel. [53] Van een onafhankelijke partij in de vorm van [bedrijf 5] c.q. [medeverdachte 2] ten opzichte van [verdachte rechtspersoon 1] is in het geheel geen sprake. Een inkoop via [verdachte rechtspersoon 1] en een verkoop via [bedrijf 5] heeft gelet op het voorgaande dan ook geen enkele economische realiteit. [bedrijf 5] fungeerde feitelijk slechts als een bankrekening in [plaats 1] waarop een deel van de transactiewinst kon worden afgeroomd.
Tot september 2014 beschikte [bedrijf 5] over twee op naam gestelde bankrekeningen bij de [bank 2] in [plaats 1] . [54] [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren beiden gemachtigd tot deze bankrekeningen. [55] In 1999 wordt het correspondentieadres van deze bankrekeningen gewijzigd in [medeverdachte 1] , [adres 3] . [56] Volgens [medeverdachte 2] stonden de bankafschriften van [bedrijf 5] in [adres 3] in de kast. [medeverdachte 1] zou volgens [medeverdachte 2] de gehele administratie doen van [bedrijf 5] . [medeverdachte 2] kreeg die bankafschriften te zien als hij in het Schliertal was (het hof begrijpt: [adres 3] ). [57] In 2012 wordt bij de [bank 3] in [plaats 1] een gezamenlijke rekening (en/of rekening) ten name van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] geopend. [58] Omdat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen zaken doen, hebben zij een gezamenlijke rekening geopend. [59] Deze rekening wordt geopend ten behoeve van [bedrijf 5] . [60] [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het betalingsverkeer van [bedrijf 5] eerst binnenkwam op de bankrekeningen bij [bank 2] en vanaf 2012 op de gezamenlijke rekening bij [bank 3] . [61] [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij de bankrekeningen kon inzien en de bankafschriften ontving. [62] [medeverdachte 1] deed ook betalingen namens [bedrijf 5] . [63] Dit is bevestigd door [medeverdachte 2] . [64] [medeverdachte 1] had als enige de toegang tot internetbankieren en deed ook daarmee betalingen. [medeverdachte 2] werd daarover door [medeverdachte 1] op de hoogte gehouden. [65] [medeverdachte 2] heeft verklaard dat alle ontvangsten van de handel van [bedrijf 5] binnenkwamen op de gezamenlijke bankrekening en dat dit het gezamenlijk vermogen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] was. [66] Zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] ontvingen bedragen op die bankrekening, [67] maar zij hebben nooit een splitsing gemaakt van de inkomende en uitgaande bedragen. Zoals [medeverdachte 1] het verwoordde: “Iedereen neemt wat hij nodig heeft”. [68] Zo is geconstateerd dat voor een totaal bedrag van USD 1.770.000 van de bankrekening van [bedrijf 5] , rekeningnummer [rekeningnummer] , is overgeschreven onder vermelding van “ [medeverdachte 1] ”. Deze overboekingen vonden plaats in een zevental mutaties in de periode september 2011 tot en met juli 2013. [69]
Over het motief om winsten in [plaats 1] te laten neerslaan, is [medeverdachte 2] zoals hiervoor is overwogen van meet af aan duidelijk geweest: dit is fiscaal ingegeven. In [plaats 1] vindt geen belastingheffing plaats over activiteiten die fysiek buiten [plaats 1] plaatsvinden en niet hun oorsprong in [plaats 1] hebben. Daarnaast zijn de informatieverplichtingen daarover jegens de lokale belastingautoriteiten relatief beperkt.
De bij de doorzoeking in het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] aangetroffen facturen bevestigen het beeld dat [verdachte rechtspersoon 1] een te lage winst heeft aangegeven in de aangiften vennootschapsbelasting doordat handelswinsten zijn verschoven naar [bedrijf 5] , gevestigd in [plaats 1] . [70] Het totaalbedrag van de vanaf 1998 tot en met 2015 niet aangegeven winsten bedraagt volgens de Belastingdienst € 15.857.279. Het daarmee samenhangende bedrag aan vennootschapsbelasting is € 4.729.793. [71] Van vóór 1998 zijn geen gegevens bekend.
Dit bedrag aan niet-afgedragen vennootschapsbelasting van € 4.729.793 moet naar het oordeel van het hof als ‘uit misdrijf verkregen’ worden beschouwd en is in de loop der jaren zozeer vermengd geraakt met het overige (legale) vermogen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat het niet meer kan worden onderscheiden en geïndividualiseerd. Dit heeft tot gevolg dat het gehele vermogen – en nadien elke betaling daaruit – moet worden aangemerkt als (middellijk) gedeeltelijk van misdrijf afkomstig in de zin van artikel 420bis Sr. [72] Daarbij neemt het hof in overweging het structurele karakter van de vermenging en de omstandigheid dat het gaat om een aanzienlijk uit misdrijf afkomstig vermogen van bijna € 5 miljoen, ook bezien in verhouding tot het totale vermogen van ongeveer € 46 miljoen in 2017. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [verdachte] zelf geen geld heeft en dat het geld dat [verdachte] uitleent van hem en [medeverdachte 1] afkomstig is. [73] [medeverdachte 1] verklaart dat het geld in [verdachte] afkomstig is van haarzelf. [74] Het hof constateert dat de door [verdachte rechtspersoon 1] ontdoken belasting via [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in verband staat met het vermogen van [verdachte] . Zoals eerder benoemd: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] “namen wat zij nodig hadden” vanaf de bankrekening(en) van [bedrijf 5] , waarop de winst die feitelijk aan [verdachte rechtspersoon 1] toekwam werd afgeroomd. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de geldbedragen uit het vermogen van [verdachte] , die – al dan niet via [verdachte rechtspersoon 2] – zijn uitgeleend aan [bedrijf 2] , [bedrijf 1] en [bedrijf 3] , moeten worden aangemerkt als gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig uit enig misdrijf.
Zoals hiervoor overwogen leidt het hof uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzittingen af dat het geld dat [verdachte] – al dan niet via [verdachte rechtspersoon 2] – uitleent afkomstig is van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Het hof beschouwt het tussenschuiven van de in [plaats 1] gevestigde vennootschap [verdachte] slechts als een verhullingshandeling. Hierbij neemt het hof in overweging dat de aandelen in [verdachte] vanaf de oprichting op 16 april 1997 tot augustus 2007 in handen waren van diverse op de Britse Maagdeneilanden en in [plaats 1] gevestigde vennootschappen, alsmede de zus van [medeverdachte 1] . [75] In augustus 2007 zijn de aandelen in [verdachte] overgedragen aan [medeverdachte 3] , maar uit de in opdracht van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] opgemaakte ‘declarations of trust’ blijkt dat de feitelijke beschikkingsmacht over de aandelen steeds bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is gebleven. [76] Die constructie leidde ertoe dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] onzichtbaar bleven in het handelsregister. Dergelijke ‘declarations of trust’ zijn ook gebruikt door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in relatie tot [bedrijf 7] alsmede de zus van [medeverdachte 1] , die zoals hiervoor genoemd de aandelen in [verdachte] in haar bezit heeft gehad. [77] Daarnaast zijn met de genoemde [medeverdachte 3] valse leningsovereenkomsten gesloten, welke door [verdachte] zijn gebruikt als ware echt en onvervalst (zie hiervoor hetgeen hierna is overwogen onder B.3.1. e.v.). Vanaf 4 februari 2013 zijn de aandelen in [verdachte] in handen van de medeverdachte [medeverdachte 1] . [78]
A.4. Conclusie
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen (feit 1, 1e, 2e en 3e gedachtestreepje) en het plegen van witwassen (feit 1, 4e gedachtestreepje), zoals hiervoor in de bewezenverklaring is vermeld.
Alle namens de verdachte rechtspersoon gevoerde verweren worden aldus op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen verworpen.
Valsheid in geschrift (feit 2)
B.1. Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het vonnis van de rechtbank –zowel wet betreft de beslissingen als de motivering daarvan – juist is. In de kern komt de motivering van de rechtbank voor wat betreft feit 2 en daarmee in zoverre het standpunt van de advocaat-generaal op het volgende neer. [79]
De advocaat-generaal concludeert evenals de rechtbank dat de drie leningsovereenkomsten tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] zijn opgemaakt met als enige doel de ware herkomst van het geld te verhullen. Ten tijde van het opmaken en ondertekenen van de leningsovereenkomsten op 15 juli 2007 en 7 november 2008 waren er geen leningsovereenkomsten tussen [verdachte] enerzijds en [bedrijf 2] en [bedrijf 1] anderzijds. Er waren slechts leningsovereenkomsten tussen [verdachte rechtspersoon 2] enerzijds en [bedrijf 2] en [bedrijf 1] anderzijds. Uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] blijkt voorts dat [medeverdachte 3] feitelijk nooit geld heeft verstrekt aan [verdachte] . Op papier is een schijnwerkelijkheid ontstaan dat [medeverdachte 3] de geldverstrekker is van [verdachte] .
B.2. Standpunt namens de verdachte rechtspersoon
Namens de verdachte rechtspersoon is – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – ten aanzien van feit 2 in de kern het volgende bepleit.
B.2.1. Geen criminele herkomst van de door [verdachte] uitgeleende gelden
Volgens de vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon dient voor een veroordeling voor valsheid in geschrift sprake te zijn van het verhullen van een criminele herkomst van de door [verdachte] uitgeleende gelden. Van een criminele herkomst is geen sprake, zodat ook geen sprake is van valsheid in geschrift met het oog op het verhullen van een criminele herkomst. Tevens bestrijdt de vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon dat zij, [medeverdachte 1] , en [medeverdachte 2] met de geldleningsovereenkomsten hebben willen verhullen dat zij gerechtigd waren in [verdachte] . De ‘declarations of trust’ en de overdracht van de aandelen in [verdachte] aan [medeverdachte 3] zijn volgens vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon niet relevant voor beoordeling van de vraag of sprake is van valsheid in geschrift.
B.2.2. Geen sprake van valsheid
De vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon heeft bepleit dat [medeverdachte 3] en [verdachte] bij ondertekening van de vermeend valse geldleningsovereenkomsten voornemens waren om uitvoering te geven aan de in die overeenkomsten gemaakte afspraken. Dat die afspraken niet zijn gerealiseerd, maakt de geldleningsovereenkomsten niet valselijk opgemaakt.
B.2.3. Geen sprake van opzet / oogmerk
Tot slot heeft de vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon bepleit dat het voor de bewezenverklaring vereiste (voorwaardelijk) opzet op het valselijk opmaken ontbreekt, evenals het vereiste oogmerk om de geldleningovereenkomsten als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken.
B.3. Beoordeling
B.3.1. Geen criminele herkomst van de door [verdachte] uitgeleende gelden
Aan de verdachte rechtspersoon is tenlastegelegd het valselijk opmaken of vervalsen van een drietal leningsovereenkomsten, welke overeenkomsten bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, door daarin valselijk en/of in strijd met de waarheid op te nemen dat de in die leningsovereenkomsten vermelde geldbedragen verstrekt waren en/of zouden worden door [medeverdachte 3] aan [verdachte] , terwijl in werkelijkheid geen sprake was van door [medeverdachte 3] verstrekte en/of te verstrekken leningen. Aldus wordt [verdachte] verweten dat zij de herkomst van de door haar uitgeleende gelden heeft verhuld en niet zozeer het criminele aspect daarvan. Dat van een criminele herkomst geen sprake is, hetgeen het hof zoals hiervoor is overwogen overigens uitdrukkelijk anders ziet, acht het hof niet relevant voor het antwoord op de vraag of tot een bewezenverklaring van valsheid in geschrift kan komen.
Het hof stelt op basis van het dossier vast dat [verdachte] in 2007 in korte tijd meer dan € 20 miljoen uitleent aan diverse al dan niet verbonden partijen. [80] Tot 7 augustus 2007 waren de aandelen in [verdachte] (middellijk, via [bedrijf 8] en [bedrijf 7] ) in handen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [81] Op 7 augustus 2007 worden alle aandelen in [verdachte] overgedragen aan [medeverdachte 3] . [82] [medeverdachte 3] blijft (enig) aandeelhouder in [verdachte] tot 4 februari 2013, op welke datum alle aandelen in [verdachte] overgaan op de verdachte [medeverdachte 1] [83] . Eveneens op 7 augustus 2007 worden twee ‘declarations of trust’ ondertekend tussen [medeverdachte 3] enerzijds en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] anderzijds. [84] Uit deze trustovereenkomsten volgt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de begunstigden (beneficial owners) zijn van [verdachte] . Deze ‘declarations of trust’ zijn in opdracht van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] opgesteld. [85] Hiermee blijft de betrokkenheid van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] onzichtbaar voor de autoriteiten en andere derden. Het hof acht deze feiten, anders dan namens de verdachte rechtspersoon is bepleit, wel degelijk van belang voor het antwoord op de vraag of sprake is van valsheid in geschrift. In de drie leningsovereenkomsten is namelijk opgenomen dat [medeverdachte 3] geld leent aan [verdachte] , terwijl het geld in werkelijkheid nooit door [medeverdachte 3] aan [verdachte] is verstrekt. Uit niets bleek destijds de betrokkenheid bij [verdachte] van de daadwerkelijke geldschieters, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Sterker nog, tijdens een gesprek tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en de Belastingdienst op 6 september 2011 – aldus ruim vier jaar na de data van de geldleningsovereenkomsten – wordt door [medeverdachte 2] verklaard dat de leningen van [verdachte] aan [bedrijf 1] (via [verdachte rechtspersoon 2] ) grotendeels afkomstig zijn van “meneer [medeverdachte 1] , aandeelhouder van [verdachte] ”. Het hof begrijpt dat [medeverdachte 2] hiermee doelt op [medeverdachte 3] . Slechts een klein deel van het uitgeleende geld zou van [medeverdachte 2] zelf afkomstig zijn. [medeverdachte 2] verklaart dat hij directeur is van [verdachte] en aandeelhouder van [verdachte rechtspersoon 2] . [86] Dat [medeverdachte 2] (en [medeverdachte 1] ) op dat moment de ultimate beneficial owners zijn van [verdachte] en tevens de daadwerkelijke geldschieters wordt niet door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan de Belastingdienst gemeld. Hieruit volgt dat [verdachte] de leningsovereenkomsten heeft gebruikt als ware zij echt en onvervalst.
B.3.2. Geen sprake van valsheid
Het hof stelt vast dat aan hetgeen in de drie leningsovereenkomsten is afgesproken, te weten dat [medeverdachte 3] leningen van respectievelijk € 6.150.000, US$ 13.500.000 en € 5.000.000 verstrekt aan [verdachte] , nooit uitvoering is gegeven. Dat [medeverdachte 3] en [verdachte] ten tijde van de ondertekening van de geldleningsovereenkomsten voornemens waren om uitvoering te geven aan de geldleningsovereenkomsten, acht het hof volstrekt ongeloofwaardig. Naar het oordeel van het hof zijn deze overeenkomsten in strijd met de werkelijkheid opgemaakt. Daarnaast is uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzittingen gebleken dat de leningsovereenkomsten zijn gebruikt als ware zij echt en onvervalst, zie hiervoor hetgeen is overwogen onder B.3.1. De bedoeling om daadwerkelijk uitvoering te geven aan hetgeen in de leningsovereenkomsten was opgenomen, wordt hierdoor weersproken.
B.3.3. Geen sprake van opzet / oogmerk
Zoals reeds overwogen onder B.3.1. en B.3.2. is uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzittingen gebleken dat de leningsovereenkomsten zijn gebruikt als ware zij echt en onvervalst. Het hof leidt hieruit het voor de bewezenverklaring vereiste (voorwaardelijk) opzet op het valselijk opmaken, evenals het vereiste oogmerk om de leningsovereenkomsten als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken, af.
B.4. Conclusie
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift (feit 2), zoals hiervoor in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
Medeplegen van witwassen, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd,
en
Witwassen, begaan door een rechtspersoon.
Het onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
Valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon,
meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte rechtspersoon
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte rechtspersoon uitsluiten. De verdachte rechtspersoon is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en gelet op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte rechtspersoon is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, en witwassen (feit 1) en aan valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feit 2).
De verdachte rechtspersoon maakte onderdeel uit van een concern van vennootschappen die hebben gefaciliteerd bij het witwassen van deels op illegale wijze verkregen vermogen. De ‘ultimate beneficial owners’ van de verdachte rechtspersoon, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , waren actief in de handel in legeronderdelen. Bij die handel is belastingfraude gepleegd die eruit bestaat dat vennootschapsbelasting in Nederland is ontdoken door (handels-)winsten te verschuiven van Nederland naar [plaats 1] . Dit patroon van belastingfraude heeft zich in ieder geval vanaf het jaar 1998 voorgedaan. De niet-afgedragen vennootschapsbelasting is dermate vermengd geraakt met het overige (legale) vermogen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat het niet meer te individualiseren valt. Op een zeker moment zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , via de tot hun concern behorende vennootschappen, met het deels op illegale wijze verkregen vermogen omvangrijke en risicovolle leningen gaan verstrekken. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben daarbij gebruik gemaakt van in [plaats 1] gevestigde vennootschappen en zogenoemde ‘declarations of trust’, met de bedoeling de daadwerkelijke oorsprong van de uitgeleende gelden te verhullen. In dat kader zijn voorts valse leningsovereenkomsten opgemaakt, die jegens de Belastingdienst zijn gebruikt als ware echt en onvervalst. Door aldus te handelen heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming, zoals de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde overeenkomsten van geldlening. Met het witwassen van criminele gelden, waaraan de verdachte rechtspersoon zich schuldig heeft gemaakt, wordt getracht om illegaal verkregen geld in het legale circuit te brengen. Dat vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het hof rekent het de verdachte rechtspersoon dan ook aan dat zij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 november 2025, betreffende de verdachte rechtspersoon. Hieruit blijkt dat de rechtspersoon niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.
Verder heeft het hof rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Het hof stelt vast dat deze redelijke termijn is aangevangen op 10 oktober 2017, de datum van inverzekeringstelling en het verhoor van de vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon. Het vonnis van de rechtbank dateert van 23 december 2021, zodat in eerste aanleg sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim twee jaar.
Namens de verdachte is op 24 december 2021 hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis. Nu het hof op 16 april 2026 arrest wijst is tevens sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep met ruim twee jaar.
Het wettelijk strafmaximum voor de bewezenverklaarde feiten is een geldboete van de vijfde categorie (maximaal € 110.000,00). Bij veroordeling van een rechtspersoon kan echter, indien de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat, een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag van de naast hogere categorie. [87]
Het hof is van oordeel dat een geldboete van maximaal € 110.000,00 geen recht doet aan de aard en de ernst van het bewezenverklaarde. Het hof acht daarom in beginsel een geldboete van € 800.000,00 passend en geboden maar rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof aan de verdachte rechtspersoon een geldboete opleggen van € 720.000,00. Het hof acht deze straf in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon en haar draagkracht en de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 47, 51, 57, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte rechtspersoon het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte rechtspersoon meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte rechtspersoon daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte rechtspersoon strafbaar.
veroordeelt de verdachte rechtspersoon tot een
geldboetevan
€ 720.000,00 (zevenhonderdtwintigduizend euro).
Dit arrest is gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. C.A. van Roosmalen en mr. A.M.F. Geerling, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. van Middelkoop, griffier,
en op 16 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Geerling en mr. Van Middelkoop zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Bijlage I

Feit 1:
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 1 juli 2007 tot en met 26 mei 2017, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand juli 2007 tot en met de maand mei 2017 in de gemeente [plaats 3] , althans in Nederland en/of in Duitsland en/of in [plaats 1] en/of in [plaats 2] ,
(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
(telkens) van (een) voorwerp(en) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld dan wel heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op (een) voorwerp(en) waren/was en/of (het) voorhanden had(den) en/of
(telkens) (een) voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van (een) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,
immers heeft/hebben zij, verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) - zakelijk weergegeven –
= een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaalbedrag groot (maximaal) EUR 6.150.000,- of daaromtrent, althans een of meer bedrag(en) aan geld uitgeleend aan [verdachte rechtspersoon 2] ten behoeve van het verlenen van een financiering aan [bedrijf 2] (bijlage nr. 1391C 214/260, pag.00032871 proces-verbaal) en/of
= een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaalbedrag groot (maximaal) USD 13.500.000,- of daaromtrent, althans een of meer bedrag(en) aan geld uitgeleend aan [verdachte rechtspersoon 2] ten behoeve van het verlenen van financiering aan [bedrijf 1] (bijlage nr. 1391C 209/260, pag. 00032866 proces-verbaal) en/of
= een bedrag aan geld groot EUR 17.699.994,56 of daaromtrent, althans een of meer bedrag(en) aan geld (door [verdachte rechtspersoon 2] , geheel of ten dele ontvangen als terugbetaling door [bedrijf 2] en/of [bedrijf 1] van voornoemde, althans een of meer lening(en)), overgeboekt vanaf de bankrekening van [verdachte rechtspersoon 2] , ontvangen op een bankrekening van haar, verdachte (bijlage nr. 1391AA 11/41, pag. 00032622 proces-verbaal), en/of
= een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaalbedrag groot (maximaal) EUR 4.500.000,- of daaromtrent, althans een of meer bedrag(en) aan geld uitgeleend aan [bedrijf 3] ten behoeve van het verlenen van financiering aan [bedrijf 3] (SFO022094, SFO022113, SFO022114, SFO022115, SRD00034067)
terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat voorwerp(en) (telkens) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf;
Feit 2:
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 juli 2007 tot en met 7 november 2008, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand juli 2007 tot en met de maand november 2008 in [plaats 1] en/of te [plaats 2] en/of (elders) in [plaats 2] en/of in Nederland en/of in Duitsland,
(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
= een leningsovereenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 3] en anderzijds haar, verdachte, gedateerd 15 juli 2007 en ondertekend op 7 november 2008, ter zake - zakelijk weergegeven - (onder meer) de verstrekking van een lening door [medeverdachte 3] aan haar, verdachte tot een maximum bedrag groot EUR 6.150.000,- voor de financiering van [bedrijf 2] en/of haar hotelprojecten in Kalkar onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden (bijlage nr. 1391C 211/260, 227/260 en 228/260, pag. 00032868, 00032884, 00032885 proces-verbaal) en/of
= een leningsovereenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 3] en anderzijds haar, verdachte, gedateerd 15 juli 2007 en ondertekend op 7 november 2008, ter zake -zakelijk weergegeven - (onder meer) de verstrekking van een lening door [medeverdachte 3] aan haar, verdachte tot een maximum bedrag groot USD 13.500.000,- voor de financiering van [bedrijf 1] , vestiging Meppen en/of haar hotelproject in Duitsland, onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden (bijlage nr. D1391C 211/260, 212/260 en 213/260, pag. 00032868, 00032869 en 00032870 proces-verbaal) en/of
= een leningsovereenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 3] en anderzijds haar, verdachte, gedateerd 15 november 2007 en ondertekend 7 november 2008, ter zake - zakelijk weergegeven - (onder meer) de verstrekking van een lening door [medeverdachte 3] aan haar, verdachte tot een maximum bedrag groot EUR 5.000.000,- voor de financiering van onroerend goed- en/of bouwprojecten in Duitsland en/of in Nederland, onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden (bijlage nr. 1391C 229/260 en 230/260, pag. 00032886 en 00032887 proces-verbaal),
zijnde die leningsovereenkomst(en) voornoemd (telkens) (een) geschrift(en) die/dat bestemd zijn/is om tot bewijs van enig feit te dienen,
(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst,
immers heeft/hebben zij, verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) alstoen aldaar (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid genoemde leningsovereenkomst(en) (telkens) (mede) ondertekend, althans (namens namens verdachte) (telkens) mede doen of laten ondertekenen door [betrokkene 4]
, (telkens) ter bevestiging van de juistheid van het daarin gestelde,
terwijl in die leningsovereenkomst(en) voornoemd (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid was opgenomen - zakelijk weergegeven - dat de/het in die leningsovereenkomst(en) vermelde leningsbedrag(en) (telkens) verstrekt waren/was en/of verstrekt zoud(en) worden door [medeverdachte 3] aan haar, verdachte, zulks terwijl in werkelijkheid (telkens) geen sprake was van (een) door [medeverdachte 3] verstrekte en/of te verstrekken lening(en) aan haar, verdachte,
zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door een ander of anderen te doen gebruiken.

Voetnoten

1.Hoge Raad 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2315, r.o. 3.4.
2.Hoge Raad 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2315, r.o. 3.3.2.
3.Hoge Raad 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2315, r.o. 3.4.
4.Hoge Raad 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533.
5.Hoge Raad 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321.
6.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889.
7.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.1.3.
8.Hoge Raad 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, r.o. 3.6.5.
9.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.5.2.
10.Hoge Raad 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321.
11.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.4.2.
12.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.4.4.
13.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.4.5.
14.Hoge Raad 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, r.o. 3.6.3.
15.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.3.2.
16.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.3.3.
17.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.3.4.
18.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.3.5.
19.Hoge Raad 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, r.o. 3.7.
20.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.6.1.
21.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.6.2.
22.Zie recentelijk Hoge Raad 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:116, r.o. 2.3.
23.D1660, pg. 36013.
24.SFO-PV288, pg. 30017.
25.SFOD282A, pg. 22115.
26.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.6.2.
27.Het hof heeft voor de weergave van het standpunt van de advocaat-generaal aansluiting gezocht bij het schriftelijk requisitoir van de advocaat-generaal.
28.Dit beoordelingskader volgt uit de gezamenlijkheid van de volgende arresten: HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094, HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471, HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:194 en HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.
29.Paragraaf 2.7 van het Overzichtsproces-verbaal I (OPV-I), pg. 60084 t/m 60094.
30.G1137, pg. 40058 en G1658, pg. 40337.
31.Hoge Raad 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2774, r.o. 3.8.
32.V1361, pg. 10523.
33.V1303, pg. 10502.
34.V1207, pg. 10141.
35.V1207, pg. 10139 en V1371, pg. 10265.
36.Verklaring van [medeverdachte 1] ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 10 november 2021.
37.PV877, PV843 en PV1017.
38.V1361, pg. 10522 en 10523.
39.V1361, pg. 10523.
40.G1137, pg. 40058 en G1658, pg. 40337, zie ook G1404, pg. 40408.
41.D1622B, pg. 35843.
42.D1622B, pg. 355843 en 35844.
43.PV1412, pg. 20420 en 20421 en D1391D, pg. 32962.
44.V1208, pg. 10152, V1291, pg. 10194 en V1371, pg. 10256.
45.Zo heeft [medeverdachte 1] in 2016 op vragen van de Belastingdienst / Douane geantwoord dat [bedrijf 5] een “relatie” en een “goede klant” van [verdachte rechtspersoon 1] is (D908). Hierbij werd niet verteld dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op zakelijk en persoonlijk vlak sterk verweven zijn en gezamenlijk volledige beheersing hebben over de beide ondernemingen.
46.O-PV, pg. 60024 t/m 60049.
47.G1406, pg. 40166 en 40167.
48.V1303, pg. 10505.
49.V1207, pg. 10142.
50.D1334 en D1593.
51.V1331, pg. 10236 en 10237.
52.V1207, pg. 10142.
53.V1207, pg. 10142.
54.PV1412, pg. 20421.
55.PV1412, pg. 20417 en 20418.
56.PV1412, pg. 20148.
57.V1581, pg. 10568.
58.V1412, pg. 20421.
59.V1276, pg. 10177.
60.PV1412, pg. 20421.
61.V1291, pg. 10195.
62.V1276, pg. 10178.
63.V1276, pg. 10178 en V1291, pg. 10195.
64.V1581, pg. 10568.
65.V1276, pg. 10178.
66.V1303, pg. 10504.
67.V1276, pg. 10177 en 10178 en V1303, pg. 10504.
68.V1362, pg. 10248.
69.PV1403, pg. 20393 en D1397.
70.O-PV, pg. 60049.
71.PV1611, pg. 20575 en D1622, pg. 35841.
72.Hoge Raad 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578.
73.V1354, pg. 10516 en 10517.
74.V1207, pg. 10139 en de verklaring van [medeverdachte 1] ter terechtzittingen van de rechtbank op 9 en 10 november 2021.
75.PV843, pg. 20261 en 20265.
76.PV843, pg. 20265, D1391C/223 en 224, pg. 32880 en 32881 en D1590, pg. 35801 t/m 35804.
77.PV1412, pg. 20425 en 20429.
78.PV843, pg. 20265.
79.Het hof heeft voor de weergave van het standpunt van de advocaat-generaal aansluiting gezocht bij het schriftelijk requisitoir van de advocaat-generaal.
80.O-PV, pg. 60060.
81.PV842, PV1020 en PV899.
82.D1391C/116 t/m 120, pg. 32773 t/m 32777 en D1391C/225, pg. 32882.
83.PV842.
84.D1391C/223, pg. 32880 en D1391C/224, pg. 32881.
85.D1590, pg. 35801 t/m 35804.
86.D1580, pg. 35400 t/m 35402.
87.Artikel 23, lid 7, Wetboek van Strafrecht.