Uitspraak
1.Geding in cassatie
2. Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde middel
3. Beoordeling van het door de Advocaat-Generaal bij het Hof voorgestelde middel
Vrijspraak feit 3
4.Beslissing
28 januari 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stond verdachte terecht voor gewoontewitwassen, waarbij hem werd verweten gedurende de periode van december 2007 tot februari 2010 diverse geldbedragen, luxe goederen en onroerend goed te hebben witgewassen. Het hof sprak verdachte vrij omdat het bewijs onvoldoende was om met voldoende zekerheid vast te stellen dat de geldbedragen en goederen afkomstig waren uit enig misdrijf.
Het hof stelde vast dat het Openbaar Ministerie onvoldoende onderzoek had verricht naar de legale herkomst van de ten laste gelegde geldbedragen en goederen. Hoewel er een vermoeden van witwassen bestond vanwege discrepanties tussen het legale inkomen en de bestedingen van verdachte, kon niet met zekerheid worden uitgesloten dat de goederen en geld legaal waren verkregen. De verklaringen van verdachte waren gefragmenteerd maar boden geen aanleiding tot verwerping zonder nader onderzoek.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof het juiste toetsingskader had toegepast en dat het oordeel over het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs niet onbegrijpelijk was. Ook werd bevestigd dat het bewijs niet vereist dat de concrete omvang van illegaal vermogen steeds met precisie moet worden vastgesteld, maar dat in deze zaak het bewijs ontbrak. De beroepen van verdachte en het Openbaar Ministerie werden verworpen en de vrijspraak gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak van verdachte wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor gewoontewitwassen.