ECLI:NL:HR:2005:AT4094
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor schuldwitwassen van geld afkomstig uit enig misdrijf
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor schuldwitwassen van een groot geldbedrag dat zij op 2 oktober 2002 bij zich had op Schiphol. Het hof oordeelde dat het geld, verstopt in haar bagage, afkomstig moest zijn uit enig misdrijf, ook al was niet vastgesteld welk misdrijf dat precies was. De verdachte gaf wisselende verklaringen over de herkomst en het doel van het geld en reisde zonder ruimbagage naar Spanje.
Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van verdachte en haar reisgenoot, politieprocessen-verbaal en de wijze van vervoer van het geld. De verdachte deed vrijwillig afstand van het verbeurd verklaarde geldbedrag. De Hoge Raad bevestigt dat voor een veroordeling op grond van art. 420bis en 420quater Sr niet vereist is dat het precieze misdrijf wordt vastgesteld, maar wel dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast werd het geldbedrag verbeurd verklaard, hoewel de verdachte geen belang had bij behandeling van die klacht vanwege haar afstandsverklaring.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor schuldwitwassen en verwerpt het cassatieberoep.