Belanghebbende maakte bezwaar tegen een rentebeschikking in verband met een BPM-teruggave. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en verhoogde de rentevergoeding, maar wees een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af. Belanghebbende stelde in hoger beroep diverse formele grieven, waaronder de bevoegdheid van nationale rechters om Unierecht uit te leggen, de hoogte en berekening van de rentevergoeding, en de vergoeding van proceskosten en immateriële schade.
Het hof oordeelt dat nationale rechters bevoegd zijn om Unierecht uit te leggen en dat het griffierecht niet in strijd is met het Unierecht. De door belanghebbende gevorderde hogere rentevergoeding wordt verworpen op grond van een prejudiciële beslissing van de Hoge Raad. Het hof is niet bevoegd om te oordelen over invorderingsrente op grond van artikel 28c Invorderingswet.
De rechtbank heeft de kostenvergoeding op juiste gronden vastgesteld en het hof ziet geen aanleiding dit te wijzigen. Hoewel de redelijke termijn voor bezwaar en beroep is overschreden, acht het hof het financiële belang van de zaak gering en wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af. Het hof benadrukt het accessoire karakter van rentebeschikkingen en wijst op de maatschappelijke context waarin forfaitaire vergoedingen onder druk staan. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.