5.4.Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb, zendt het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter. De heffingsambtenaar moet tegemoetkomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk als deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in de zaak.[4] In dit geval heeft eiser onvoldoende gemotiveerd gesteld dat de bouwtekeningen of de iWOZ-kaarten van enig belang kunnen zijn geweest voor de besluitvorming in deze zaak.
Heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld?
6. Eiser betoogt dat de waarde van de woning ten hoogste € 453.000,- bedraagt.
De indexering is niet inzichtelijk. De inhoud en oppervlakte van de vergelijkingsobjecten is onjuist. De VLOK-factoren en de objectkenmerken van de vergelijkingsobjecten zijn niet onderbouwd. De heffingsambtenaar heeft onvoldoende rekening gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. De wortelformule is ten onrechte niet toegepast, zodat de heffingsambtenaar geen rekening heeft gehouden met het afnemende grensnut van de perceeloppervlakte. Bij de toelichting op de zitting is de wortelformule niet inzichtelijk gemaakt, eiser heeft in dit kader verwezen naar het
black box-arrest.[5] De wortelformule moet worden toegepast op de vierkantemeterprijs van de woning. De verkoop van [adres 4] die op 19 mei 2020 is verkocht voor een bedrag van € 402.500 onderbouwt een lagere waarde voor de woning. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser een overzicht van vergelijkingsobject [adres 4] van ‘ [A B.V.] ’ overgelegd. Eiser bestrijdt bij gebrek aan wetenschap dat de objectkenmerken van de vergelijkingsobjecten juist zijn. De heffingsambtenaar had de volledige iWOZ-kaarten van de vergelijkingsobjecten moeten overleggen.
7. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever ‘de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding’.[6] De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld.[7]
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Uit het taxatierapport blijkt dat de waarde van de woning is bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, waarbij de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten voldoende zijn toegelicht. De vergelijkingsobjecten zijn bruikbaar bij de waardering, omdat deze op de belangrijkste waardebepalende kenmerken, zoals ligging, type en bouwjaar voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De gemiddelde gecorrigeerde vierkantemeterprijs van de vergelijkingsobjecten is hoger dan de vierkantemeterprijs van de woning.
9. Wat eiser heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het dossier volgt dat de heffingsambtenaar het indexeringspercentage met een korte toelichting aan eiser heeft verzonden. Dat de heffingsambtenaar dat percentage niet nader heeft onderbouwd, doet geen afbreuk aan de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld, nu eiser het toegepaste indexeringspercentage niet (gemotiveerd) heeft betwist. Daarmee heeft de heffingsambtenaar de indexering voldoende inzichtelijk gemaakt. De heffingsambtenaar baseert zijn waardering op de gebruiksoppervlakte en niet op de inhoud, zodat een eventuele onjuistheid van de inhoud niet relevant is. Eiser heeft in bezwaar alleen gesteld dat de heffingsambtenaar er ten onrechte van uitgaat dat [adres 2] een oppervlakte van 162 m² heeft in plaats van 157 m². In beroep is de heffingsambtenaar uitgegaan van 157 m². De heffingsambtenaar was (verder) niet gehouden tot een onderbouwing van de VLOK-factoren en de objectkenmerken, al dan niet door het overleggen van (volledige) iWOZ-kaarten, omdat eiser de juistheid daarvan niet (gemotiveerd) heeft betwist.[8] Op de zitting heeft de heffingsambtenaar voldoende toegelicht dat ook met toepassing van de wortelformule aannemelijk is dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Niet vereist is dat de heffingsambtenaar volledig inzicht geeft in de aanvankelijk vastgestelde waarde. De heffingsambtenaar heeft het door eiser aangedragen vergelijkingsobject [adres 4] in beroep in zijn matrix opgenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de heffingsambtenaar het motiveringsbeginsel geschonden?
10. Eiser bestrijdt dat de uitspraak op het bezwaar deugdelijk is gemotiveerd. Wat op de hoorzitting is besproken is niet volledig weergegeven. De rechtbank oordeelt anders. Eiser heeft zijn stelling niet onderbouwd, zodat van een schending van het motiveringsbeginsel niet is gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Verzoek tot immateriële schadevergoeding
11. Eiser heeft ter zitting verzocht om een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.