ECLI:NL:GHDHA:2026:324

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
BK-24/315
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Wet WOZArt. 40 lid 2 Wet WOZArt. 8:42 AwbArt. 7:4 AwbArt. 6:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen weigering uitstel en informatieplicht WOZ-waarde woning

Belanghebbende is eigenaar van een woning waarvan de WOZ-waarde voor 2022 is vastgesteld op €438.000. Hij maakte bezwaar tegen de beschikking en stelde dat de heffingsambtenaar niet alle gevraagde gegevens tijdig had verstrekt, waaronder grondstaffels en KOUDV-factoren. De Rechtbank wees het beroep ongegrond en weigerde uitstel van de mondelinge behandeling ondanks ziekte van de gemachtigde.

In hoger beroep stelde belanghebbende dat het uitstelverzoek ten onrechte was afgewezen en dat de informatieplicht op grond van artikel 40 Wet Pro WOZ en artikel 8:42 Awb Pro was geschonden. Het Hof oordeelde dat de Rechtbank geen juiste belangenafweging had gemaakt bij het weigeren van uitstel en dat de informatieplicht niet was geschonden omdat de relevante gegevens tijdig en voldoende inzichtelijk waren verstrekt.

Het Hof vernietigde daarom de uitspraak van de Rechtbank, bevestigde de uitspraak op bezwaar, en besloot de zaak zelf af te doen. Tevens veroordeelde het Hof de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan belanghebbende. De WOZ-waarde van de woning blijft ongewijzigd.

Uitkomst: Het Hof vernietigt de uitspraak van de Rechtbank wegens onterecht afgewezen uitstelverzoek, bevestigt de uitspraak op bezwaar en veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/315

uitspraak van 25 februari 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: G. Gieben)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 14 februari 2024, nummer SGR 22/6676.

Procesverloop

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 438.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelasting van de [gemeente] en de watersysteemheffing eigenaren van het Hoogheemraadschap van Rijnland (de aanslagen), alsmede aanslagen in de rioolheffing, de afvalstoffenheffing, de watersysteemheffing ingezetenen en de zuiveringsheffing woonruimten (de overige heffingen).
1.2.
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en de aanslagen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. In de uitspraak op bezwaar staat vermeld dat over belanghebbendes bezwaren tegen de overige heffingen separaat uitspraak op bezwaar zal worden gedaan.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 15 januari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is een rijwoning met een dakopbouw, een aanbouw en een berging. De gebruiksoppervlakte van de woning is ongeveer 127 m2 en de oppervlakte van het perceel bedraagt ongeveer 118 m2.
2.2.
In het bezwaarschrift is, onder meer, het volgende opgenomen:
“(…) Om de WOZ-waarde en de opgelegde aanslag nader te controleren verzoek ik u ons uiterlijk binnen twee weken […] het taxatieverslag of een taxatiekaart/-matrix met daarop een uitgebreide onderbouwing van de waarde toe te sturen.
Tevens verzoek ik u conform artikel 40 Wet Pro WOZ om alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan mij te verstrekken zodat ik de door u gemaakte keuzes te allen tijde kan controleren. Ik doel hierbij op alle stukken/gegevens die u bij de initiële waardebepaling en bij de behandeling van dit bezwaar heeft betrokken. Hieronder kunnen bijvoorbeeld vallen de grondstaffels, liggingsfactoren, onderbouwing van de indexering naar waardepeildatum, de KOUDV-factoren van het onderhavige object/en de referentiepanden, huurcijfers voor de gehanteerde huurwaarde, onderbouwing van de kapitalisatiefactor, de correctie in verband met Covid-19 etc. Dit verzoek ziet op de gehele bezwaarfase; ook als u na de hoorzitting nog nieuwe stukken in de procedure betrekt wil ik deze van u ontvangen. Dat u hiertoe verplicht bent volgt uit ECLI:NL:HR:2018:1316, ECLI:NL:PHR:2017:1051, ECLI:NL:RBAMS:2021:3591, ECLI:NL:RBAMS:2021:5041 en ECLI:NL:GHARL:2021:7246
2.3.
In de aanvulling op het bezwaarschrift is, onder meer, het volgende opgenomen:
“Tevens verzoek ik u nogmaals conform artikel 40 Wet Pro WOZ om alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan mij te verstrekken zodat ik de door u gemaakte keuzes te allen tijde kan controleren. Ik doel hierbij op alle stukken/gegevens die u bij de initiële waardebepaling en bij de behandeling van dit bezwaar heeft betrokken. Hieronder kunnen bijvoorbeeld vallen de grondstaffels, liggingsfactoren, onderbouwing van de indexering naar waardepeildatum, de KOUDV-factoren van het onderhavige object/en de referentiepanden, huurcijfers voor de gehanteerde huurwaarde, onderbouwing van de kapitalisatiefactor, de correctie in verband met Covid-19 etc. Dit verzoek ziet op de gehele bezwaarfase; ook als u na de hoorzitting nog nieuwe stukken in de procedure betrekt wil ik deze van u ontvangen. Dat u hiertoe verplicht bent volgt uit ECLI:NL:HR:2018:1316, ECLI:NL:PHR:2017:1051, ECLI:NL:RBAMS:2021:3591, ECLI:NL:RBAMS:2021:5041 en ECLI:NL:GHARL:2021:7246
2.4.
In het verslag van het hoorgesprek is, onder meer, het volgende opgenomen:
“1. Brandgang van 6m2 moet opgenomen worden als erfdienstbaarheid gezien deze niet privé gebruikt kan worden.
2. Volgens het BAG betreft de GO 79m2 en dit wijkt van het verslag.
Aan te dragen referenties ter onderbouwing lagere waarde
1. [adres 2] w84 p1 22 27-3-2020 330.000
2. [adres 3] w94 p1 18 28-5-2021 375.000
3. [adres 4] w87 p119 3-8-2020 345.116
Verzoek tot gegevens aan gemeente ter onderbouwing vastgestelde waarde:
Graag ontvangen wij inzicht in de gehanteerde KOUDV- en liggingsfactoren van de referentiepanden en het onderhavige object
Graag ontvangen wij inzicht in de manier waarop en de percentages waarmee gecorrigeerd wordt bij afwijking van gemiddelde KOUDV- en liggingswaardering.
Graag ontvangen wij inzicht in de gehanteerde grondstaffel van de referentiepanden en het onderhavige object.
Graag ontvangen wij een controleerbare onderbouwing van de primaire grondprijs per m2 van de grondstaffel van de referentiepanden en het onderhavige object.
Graag ontvangen wij inzicht in het indexeringspercentage en in de onderbouwing van het indexeringspercentage van de referentiekoopsommen. Zowel voor- als na de geldende waardepeildatum.”
2.5.
Tot de gedingstukken behoort een door een medewerker van het kantoor van de gemachtigde van belanghebbende getekende verklaring met daarin de volgende gegevens:
“Inzage 8 juni 2022
Bij deze verklaar ik,
Medewerker [naam] ,
dat ik inzage heb gehad in de grondstaffels en kopieen van de grondstaffels heb
meegekregen van de volgende gemeenten:
(…)
[woonplaats]
(…)
Datum: 8-6-2022
Handtekening: [handtekening]”
2.6.
Bij e-mailbericht van 12 juli 2022 heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende uitleg verschaft over de in 2.5 bedoelde grondstaffels.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld:

Verzoek tot uitstel van de zitting
1. De gemachtigde van belanghebbende heeft de ochtend van de zitting schriftelijk aan de rechtbank bericht dat hij vanwege ziekte niet aanwezig is bij de zitting, daarbij heeft hij tevens een verzoek tot uitstel ingediend. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, omdat het op de weg van gemachtigde had gelegen zorg te dragen voor vervanging. Dat gemachtigde geen vervanging kon regelen komt, gelet op de omvang van diens organisatie, voor zijn rekening en risico.

Waarde van de woning

2. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van € 388.000.
(…)
5. Volgens belanghebbende heeft de heffingsambtenaar in de bezwaarfase ten onrechte de opgevraagde gegevens in bezwaar, de opbouw van de kavelwaarde, de grondstaffel en de taxatiekaart met de KOUDV- en liggingsfactoren niet toegezonden. Wat betreft de grondstaffels oordeelt de rechtbank dat de heffingsambtenaar heeft voldaan aan zijn toezendplicht door op 8 juni 2022 deze in bulk te overleggen aan belanghebbende en deze per mail van 12 juli 2022 nader toe te lichten. Verder stelt de rechtbank vast dat de heffingsambtenaar ook voldaan heeft aan zijn toezendplicht wat betreft de KOUDV- en liggingsfactoren en de taxatiekaart door deze bij de uitspraak op bezwaar toe te zenden. De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat er geen schending is van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ of van artikel 7:4 en Pro artikel 6:17 Algemene Pro wet bestuursrecht.
6. Belanghebbende stelt verder dat de heffingsambtenaar de totstandkoming van de onderlinge correcties van KOUDV- en liggingsfactoren, de prijs per eenheid van de grond, de waarde van de objectonderdelen en de indexeringscijfers onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar niet verplicht is om de correctie bij onderlinge afwijking van gemiddelde KOUDV- en liggingsfactoren en de waarde van de deelobjecten te verstrekken. Waarderen is geen exacte wetenschap en het beoordelen van de juistheid van de waarde gaat niet over de vraag of de juiste bedragen van verschillen in KOUDV- en liggingsfactoren zijn vastgesteld, of over de totstandkoming van de prijs per eenheid van de grond, of over het vaststellen van de juiste bedragen van samenstellende onderdelen van het object, maar om de beoordeling van de WOZ-waarde als geheel.[1] Verder stelt de rechtbank vast dat de heffingsambtenaar de indexeringscijfers tijdens de hoorzitting voldoende inzichtelijk heeft gemaakt door met een voorbeeld in het systeem te laten zien dat de indexeringscijfers door permanente marktanalyse tot stand komen. De rechtbank overweegt ten overvloede dat de belanghebbende – die procedeert met een professionele gemachtigde - uit de in het taxatieverslag opgenomen verkoopprijzen en vastgestelde WOZ-waardes van de referentiepanden het indexeringspercentage had kunnen afleiden. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar ter zitting duidelijk onderbouwd, dat het onmogelijk is om alle verkopen die ten grondslag liggen aan het indexeringscijfer te verstrekken.
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)
[1] Gerechtshof Den Haag 19 mei 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:886.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil:
of de Rechtbank het verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling ten onrechte heeft afgewezen;
of de Heffingsambtenaar artikel 40 Wet Pro WOZ heeft geschonden, en
of de Heffingsambtenaar artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden.
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot toekenning van een proceskostenvergoeding in bezwaar, beroep en hoger beroep.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het geschil

Uitstel mondelinge behandeling
5.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank zijn hoorrecht heeft geschonden door zijn gemachtigde geen uitstel voor de mondelinge behandeling te verlenen. Belanghebbende heeft hiertoe aangevoerd dat zijn gemachtigde de avond voor de zitting ziek is geworden. Om die reden is op de ochtend van de zitting een verzoek gedaan tot uitstel van de zitting. Op de zitting stonden twaalf zaken gepland waarin de gemachtigde van belanghebbende zou optreden. Het was niet mogelijk om een kantoorgenoot van de gemachtigde de dag van de zitting vrij te maken en ervoor te zorgen dat deze persoon om 10.00 uur in Den Haag zou zijn, nog daargelaten dat de tijd ontbrak voor de voorbereiding van de twaalf zaken, aldus belanghebbende.
5.2.
Het Hof stelt het volgende voorop. Indien een belanghebbende of zijn gemachtigde tijdig, onder aanvoering van gewichtige redenen waarom hij niet op de voor de behandeling van de zaak vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn of hij zich daarop niet kan voorbereiden, verzoekt die behandeling op een nader te bepalen dag te doen plaatsvinden, dient de rechter dat verzoek in te willigen, tenzij hij oordeelt dat zwaarder wegende belangen aan uitstel in de weg staan. Dit oordeel dient de rechter in zijn uitspraak te motiveren (zie HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:358, r.o. 3.2, HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:789, r.o. 2.2.2, en HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3529, r.o. 3.3.1).
5.3.
De omstandigheid dat de gemachtigde wegens ziekte verhinderd was de zitting bij te wonen, vormt een gewichtige reden die ertoe leidt dat de rechter het uitstelverzoek in de regel toewijst. Bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat ondanks de ziekte (i) het belang van een behoorlijke procesorde – die afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn omvat – ernstig in het gedrang zou komen indien het onderzoek ter zitting zou worden aangehouden, en (ii) dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de belanghebbende om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn (HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:525). Het oordeel van de Rechtbank geeft geen blijk van een zodanige belangenafweging. Het oordeel dat het op de weg van de gemachtigde had gelegen om zorg te dragen voor vervanging en dat de omstandigheid dat dit niet gelukt is voor rekening en risico van belanghebbende komt, is onbegrijpelijk gelet op de tijdspanne tussen de ziekte en de zitting en het aantal zaken waarin vervanging zou moeten plaatsvinden.
5.4.
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de uitspraak van de Rechtbank om die reden moet worden vernietigd. Belanghebbende heeft niet verzocht om terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank. Ook het Hof ziet daartoe geen aanleiding en zal de zaak daarom, conform het verzoek van belanghebbende, zelf afdoen.
Informatieverplichting
5.5.
Op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ dient aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen, en die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens te worden verstrekt (HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052). Indien een verzoek als hiervoor bedoeld in de bezwaarfase wordt gedaan, moeten deze gegevens, met het oog op een zinvolle benutting van de bezwaarprocedure, voortvarend en in ieder geval uiterlijk bij het doen van uitspraak op bezwaar worden verstrekt (HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106).
5.6.
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de Heffingsambtenaar artikel 40 Wet Pro WOZ heeft geschonden door de grondstaffel, de taxatiekaart en de zogenoemde KOUDV-factoren pas bij uitspraak op bezwaar te verstrekken. Voorts stelt belanghebbende dat artikel 40 Wet Pro WOZ is geschonden omdat de Heffingsambtenaar de onderlinge correcties van de KOUDV- en liggingsfactoren, de prijs per eenheid van de grond, de waarde van de objectonderdelen en de indexeringscijfers onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft deze stellingen betwist. Volgens de Heffingsambtenaar zien de gegevens die belanghebbende nog stelt te missen enkel op een cijfermatige invloed van verschillen tussen de woning en de referentiewoningen en kwalificeren deze niet als gegevens in de zin van artikel 40 Wet Pro WOZ.
5.7.
Vast staat dat de Heffingsambtenaar de grondstaffel, de taxatiekaart en de KOUDV- en liggingsfactoren uiterlijk bij de uitspraak op bezwaar heeft verstrekt. Het verstrekken van inzicht in het rekenkundige gevolg dat wordt gegeven aan het toekennen van een bepaalde KOUDV-factor is geen gegeven als bedoeld in artikel 40 Wet Pro WOZ. Ook het interpreteren van deze gegevens valt niet onder deze bepaling. Dit geldt eveneens voor de waarde van de objectonderdelen; ook die waarde is geen gegeven in vorenbedoelde zin. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat waarderen geen exacte wetenschap is en dat het bij het beoordelen van de juistheid van de WOZ-waarde niet gaat over de vraag of de samenstellende onderdelen van een woning op de juiste bedragen zijn vastgesteld, maar om de beoordeling van de WOZ-waarde als geheel. Voorts stelt het Hof net als de Rechtbank vast dat de Heffingsambtenaar de door hem verstrekte indexeringscijfers voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting van het Hof onweersproken gesteld dat hij tijdens het hoorgesprek aan een medewerker van het kantoor van de gemachtigde van belanghebbende inzicht heeft gegeven in de manier waarop onder meer indexeringspercentages tot stand komen en dat deze medewerker daarbij te kennen gaf geen behoefte te hebben aan een nadere bespreking van de gegevens. Gelet op het voorgaande is geen sprake van een schending van de informatieverplichting als bedoeld in artikel 40, lid 2, Wet WOZ.
Schending artikel 8:42 Awb Pro
5.8.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Heffingsambtenaar artikel 8:42 Awb Pro heeft geschonden en wijst daartoe op dezelfde stukken als waarop hij zijn beroep op schending van artikel 40 Wet Pro WOZ heeft gestoeld.
5.9.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, behoren tot de op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb over te leggen stukken alle stukken die de Heffingsambtenaar ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Ten aanzien van de door belanghebbende genoemde stukken geldt hetzelfde als hetgeen in 5.7 is overwogen in het kader van artikel 40 Wet Pro WOZ. Ook overigens is niet gebleken dat de Heffingsambtenaar heeft beschikt over stukken die niet in het geding zijn gebracht. Van een schending van artikel 8:42 Awb Pro is dan ook geen sprake.
Slotsom
5.10.
Het hoger beroep is, gelet op hetgeen is overwogen in 5.4, gegrond. Aangezien de waarde van de woning tussen partijen niet meer in geschil is en de overige gronden falen, zal het Hof de uitspraak van de Rechtbank vernietigen.

Proceskosten en griffierecht

6.1.
Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling van de Heffingsambtenaar in de door belanghebbende in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten en tot vergoeding van de in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten.
Beroepsfase
6.2.
Wat betreft de vergoeding van de proceskosten in beroep stelt het Hof deze kosten op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage, vast op € 467 (1 punt voor het beroepschrift à € 934 x wegingsfactor 1 x factor 0,5).
6.3.
Belanghebbende is slechts ten aanzien van het door de Rechtbank onterecht niet verlenen van uitstel van de mondelinge behandeling in het gelijk gesteld. Hierin ziet het Hof aanleiding om met toepassing van artikel 2, lid 2, Bpb de toe te kennen proceskostenvergoeding te verminderen door toepassing van een factor 0,5. Voor een hogere vergoeding ziet het Hof geen aanleiding.
6.4.
Verder dient aan belanghebbende het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 50 te worden vergoed.
Hogerberoepsfase
6.5.
Wat betreft de vergoeding van de proceskosten in hoger beroep stelt het Hof deze kosten op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage vast op € 46,70 (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 x factor 0,5 (gewicht van de zaak) x factor 0,1 (artikel 30a Wet WOZ)).
6.6.
Bij de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv) is artikel 30a aan de Wet WOZ toegevoegd, waarin de hoogte van proceskostenvergoedingen voor procedures betreffende de WOZ is beperkt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, ten aanzien van de werkingssfeer van de WHpkv het volgende overwogen:
“3.5.1 Uit hetgeen hiervoor in 3.4.1 tot en met 3.4.6 is overwogen, volgt dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ en de bpm het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak.”
6.7
Gevallen die kennelijk niet de hiervoor in 3.5.1 bedoelde kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de WHpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van de tweede volzin van artikel 19a, leden 1 en 2, Wet bpm en artikel 30a, leden 1 en 2, Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10. Een dergelijke uitleg van het begrip bijzondere gevallen draagt bij aan de verwezenlijking van het in artikel 17, lid 1, van de Grondwet begrepen recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende.
6.8.
Uit de bij het hogerberoepschrift gevoegde volmacht volgt dat de gemachtigde van belanghebbende optreedt op basis van no cure, no pay, waarbij de proceskostenvergoedingen en andere vergoedingen aan de gemachtigde of zijn kantoor worden afgedragen. Verder volgt uit de door de gemachtigde ingediende gedingstukken van de op de zitting van het Hof van 15 januari 2026 behandelde zaken, waaronder de hogerberoepschriften, dat deze veelal voor een belangrijk deel inwisselbaar zijn, waarbij ten dele wordt gebruikgemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die zich niet op de zaak toespitsen.
6.9.
De gemachtigde heeft dienaangaande geen feiten en omstandigheden gesteld en ook overigens is niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde een van de drie kenmerken zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670, niet heeft.
6.10.
Nu de uitspraak van de Rechtbank is bekendgemaakt na 1 januari 2024 en het bestreden besluit, de WOZ-beschikking, niet wordt vernietigd of gewijzigd, heeft het Hof factor 0,1 toegepast. Voor een hogere vergoeding ziet het Hof geen aanleiding.
6.11.
De stelling dat artikel 30a Wet WOZ in strijd is met hogere regelgeving, zoals artikel 17 van Pro de Grondwet, het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel, artikel 6 juncto Pro artikel 13 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden en artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, faalt op de gronden als vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.
Griffierechten
6.12.
Verder dient de Heffingsambtenaar het voor de behandeling in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 50 respectievelijk € 138 aan belanghebbende te vergoeden.
Uitbetaling van proceskostenvergoeding en griffierecht
6.13.
Belanghebbende heeft verzocht te bepalen dat de betaling van de vergoeding voor de proceskosten en het griffierecht, in overeenstemming met dat wat is opgenomen in de aan de gemachtigde verleende volmacht, rechtstreeks aan de gemachtigde dient plaats te vinden.
6.14.
De belastingrechter is niet bevoegd een oordeel te geven over de wijze waarop de betaling van de proceskostenvergoeding en het griffierecht dient plaats te vinden. Belanghebbende dient zich bij een geschil daarover te wenden tot de burgerlijke rechter (vgl. HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4). Overigens bepaalt artikel 30a, lid 4, Wet WOZ dat uitbetalingen van – kortgezegd – proceskosten en griffierecht uitsluitend plaatsvinden op de bankrekening die op naam staat van de belanghebbende.

Beslissing

Het Gerechtshof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;
  • bevestigt de uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten van het beroep en hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 513,70; en
  • draagt de Heffingsambtenaar op aan belanghebbende de in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van € 188 te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, H.A.J. Kroon en W. de Wit in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout.
De griffier, de voorzitter,
T. van Hout R.A. Bosman

De beslissing is op 25 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie in stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.