ECLI:NL:GHDHA:2026:262

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
BK-25/199
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 234 GemeentewetArt. 229b GemeentewetArt. 2 Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag parkeerbelasting en kostenraming gemeente Rotterdam

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd wegens het parkeren zonder geldige vergunning en het niet betalen van parkeerbelasting. De aanslag bestond uit de parkeerbelasting zelf en kosten voor het opleggen van de naheffingsaanslag. Na bezwaar en een ongegrond verklaard beroep bij de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in tegen de uitspraak.

De kern van het geschil betrof de vraag of de kostenraming die ten grondslag ligt aan de naheffingsaanslag voldoet aan de wettelijke eisen, met name of de kosten meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting zoals voorgeschreven in artikel 234 van Pro de Gemeentewet en artikel 2 van Pro het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen.

Het hof overwoog dat de jurisprudentie over de opbrengstlimiet analoog moet worden toegepast en dat kosten die meer dan zijdelings samenhangen met de inning volledig mogen worden toegerekend. De kostenraming van de gemeente Rotterdam, inclusief vaste en variabele informatieverwerkingskosten en personeelskosten, werd als voldoende onderbouwd en passend beoordeeld. Ook het betrekken van oninbare naheffingsaanslagen in de kostenraming werd geaccepteerd.

De conclusie is dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en dat de kostenraming voldoet aan de wettelijke normen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de naheffingsaanslag en oordeelt dat de kostenraming voldoet aan de wettelijke eisen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/199

Uitspraak van 11 februari 2026

in het geding tussen:
[X]te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: I.N.D.J. Rissema)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 20 februari 2025, nummer ROT 23/2749.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 69,10, bestaande uit € 2,60 parkeerbelasting en € 66,50 kosten voor het opleggen van de naheffingsaanslag.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De griffier heeft ter zake € 50 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 19 november 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2. Op 21 oktober 2022 om 17:16 uur is geconstateerd dat de auto van belanghebbende met kenteken [kenteken] (de auto) stond geparkeerd op locatie [straat] te [woonplaats] . Deze locatie is door burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam aangewezen als een plaats waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting of met een geldige parkeervergunning mag worden geparkeerd. Tijdens een controle op het genoemde tijdstip is door de parkeercontroleur geconstateerd dat de auto zonder geldige parkeervergunning geparkeerd stond en dat ook geen parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding daarvan heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

Kostenonderbouwing
4. Eiser voert aan dat de gemeente Rotterdam de kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting voor het jaar 2022 te hoog heeft vastgesteld in de Verordening. Volgens eiser is de berekening van de hoogte van deze kosten in strijd met artikel 2 van Pro het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen.
Beoordelingskader
5. In artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet is bepaald dat ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting kosten in rekening worden gebracht. Die kosten zijn onderdeel van de naheffingsaanslag. Het bedrag ervan dient op grond van artikel 234, zesde lid, van de Gemeentewet in de gemeentelijke belastingverordening te worden bepaald met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.
5.1.
De bedoelde algemene maatregel van bestuur, waarin regels worden gesteld over het kostenverhaal, is het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (hierna: het Besluit). In artikel 2, eerste lid, van het Besluit is bepaald dat het bij kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting gaat om kosten die ten hoogste kunnen bestaan uit een aantal onder a tot en met f specifiek genoemde kostencomponenten voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. Het gaat om geraamde kosten.
5.2.
Anders dan eiser betoogt moet bij de uitleg van het criterium “samenhangen met” van artikel 2, eerste lid, van het Besluit, aansluiting worden gezocht bij de jurisprudentie over de toetsing van de opbrengstlimiet en moet dit criterium zo worden uitgelegd dat kosten die meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelasting, geheel in aanmerking komen als kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting.
Het ligt in de rede om aan te sluiten bij de jurisprudentie over de opbrengstlimiet, omdat de toetsing van de opbrengstlimiet plaatsvindt op basis van artikel 229b van de Gemeentewet, waaruit volgt dat de tarieven van gemeentelijke rechten en bestemmingsheffingen zodanig worden vastgesteld dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde
lasten ter zake.Dit is in lijn met artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet waarin staat dat
ter zakevan het opleggen van een naheffingsaanslag
kosten(lasten) in rekening worden gebracht.
In beide gevallen is sprake van kosten die verhaald mogen worden. De strekking is hetzelfde. De verhaalbare-kostenlimiet strekt ertoe dat niet meer wordt verhaald dan de kosten die verhaald mogen worden. De opbrengstlimiet strekt ertoe dat niet meer geheven wordt dan de lasten ter zake. Steun voor deze opvatting vindt de rechtbank in de conclusies van AG Pauwels van 25 oktober 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1113 en ECLI:NL:PHR:2024:1117 en de bijlage daarbij.[5]
De Hoge Raad heeft over het criterium
ter zakeoverwogen dat het daarbij niet alleen gaat om kosten die rechtstreeks samenhangen met de verleende diensten, maar ook aan die diensten toe te rekenen indirecte kosten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat die indirecte kosten meer dan zijdelings met die diensten moeten samenhangen. De desbetreffende kostenposten kunnen slechts dan niet (geheel of ten dele) als ‘lasten ter zake’ worden aangemerkt indien zij geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen.[6]
5.3.
Deze ruime uitleg sluit ook aan bij de bedoeling van de besluitgever, die per 1 juli 2019 de tekst van het Besluit heeft gewijzigd. Onder meer is in het eerste lid de zinsnede “voor zover deze rechtstreeks voortvloeien uit de inning van niet betaalde parkeerbelastingen” vervangen door “voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen”. De besluitgever heeft die wijziging als volgt toegelicht:
“Dit artikel bevat enkele wijzigingen van overwegend technische aard van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (Bgpb). Allereerst gaat het om twee verduidelijkingen van artikel 2 Bgpb Pro, dat bepaalt welke kostencomponenten gemeenten in rekening mogen brengen bij het opleggen van een naheffingsaanslag voor een niet betaalde parkeerbelasting. Het eerste lid bevat een limitatieve opsomming van kostencomponenten, zoals informatieverwerkingskosten of personeelskosten, en bepaalt dat de kosten slechts in rekening mogen worden gebracht voor zover ze «rechtstreeks voortvloeien uit de inning van niet betaalde parkeerbelastingen». Dit roept in de praktijk met name de vraag op of de kosten van digitale scantechnologie die niet uitsluitend zijn gemaakt ten behoeve van de inning van niet betaalde parkeerbelastingen, ook in rekening mogen worden gebracht. De nieuwe formulering «samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen» (…) stelt buiten twijfel datde kosten niet uitsluitend ten behoeve van de inning van niet betaalde parkeerbelastingen hoeven te zijn gemaakt.De formulering is ontleend aan de modelbepalingen voor de doorberekening van kosten in aanwijzing 5.57 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Dezelfde wijziging is doorgevoerd in de artikelen 5 en 14 Bgpb” (onderstreping door de rechtbank).[7]
5.4.
Voor een andere, striktere uitleg zoals eiser die voorstaat ziet de rechtbank geen steun in de wetsgeschiedenis. Ook niet in de conclusie van AG Pauwels van 28 juni 2024, ECLI:NL:PHR:2024:710, waarnaar eiser heeft verwezen. Onderwerp van deze conclusie is de totstandkoming van het kostenverhaal via de naheffingsaanslag en het karakter daarvan, maar deze conclusie gaat niet over de vraag hoe het criterium “samenhangen met” moet worden uitgelegd. De conclusies van 25 oktober 2024 (door de rechtbank behandeld in r.o. 8.1 van deze uitspraak) gaan daar wel over.
Eiser verwijst naar onderdeel 9.10 en 9.11 van de conclusie van 28 juni 2024. Daarin staat inderdaad onder meer dat het volgens de AG moet gaan om “kosten die verbonden zijn aan het opleggen van de aanslag”, maar dat impliceert geen beperking van het “samenhangen met” criterium dat de besluitgever voor ogen had. AG Pauwels heeft in de gemeenschappelijke bijlage bij zijn conclusie van 25 oktober 2024, zijn eerdere conclusie dat het kader voor het kostenverhaal betrekkelijk strak is, ook genuanceerd.[8]
5.5.
De slotsom is dat de rechtbank bij de toetsing of bepaalde kosten samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen de jurisprudentie over de toetsing van de opbrengstlimiet naar analogie toepast. Daarbij geldt, net als bij de toetsing aan de opbrengstlimiet, dat in de raming van de kosten geen kosten mee mogen worden genomen die de gemeente al anderszins verhaalt of kosten die hooguit zijdelings samenhangen met de inning van parkeerbelasting.
Het kostenverhaal van de gemeente Rotterdam
6. De heffingsambtenaar heeft voor het jaar 2022 een kostenoverzicht in geding gebracht. Dit overzicht is als bijlage bij deze uitspraak gevoegd. Eiser heeft van een aantal van de opgevoerde kosten bestreden dat deze (voldoende) samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen.
6.1.
De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift zoals hieronder weergegeven uiteengezet waarom de door eiser bestreden vaste- en variabele informatieverwerkingskosten en personeelskosten meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen.
Vaste informatieverwerkingskosten (A)
Telefonie publiekszaken (1.
2):telefoniekosten naar aanleiding van opgelegde naheffingsaanslagen en info met betrekking tot de indiening en de status van bezwaren. Telefoniekosten met betrekking tot straatparkeren, zoals het aan- en afmelden van parkeertransacties.
Simkaarten parkeerautomaten (1.4):simkaarten maken communicatie met het naheffingssysteem mogelijk, waardoor kan worden vastgesteld of er parkeerbelasting is voldaan.
Schoonmaakwerkzaamheden (1.6.1):schoonmaken van parkeerautomaten is onderdeel van de infrastructuur waarbij invoer van een juist kenteken van belang is.
Variabele informatieverwerkingskosten (B)
Beheer parkeermiddelen (externe leveranciers) (3.1):de kosten van 06-providers zijn onderdeel van de infrastructuur die het betalen van parkeerbelastingen en naheffen van niet-betaalde parkeerbelasting mogelijk maakt.
Personeelskosten (E)
Personeelskosten: de opleidingskosten en de kosten van bedrijfskleding (uniformen) houden verband met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen.
Stafbureau parkeervoorzieningen (6.1 B) en Salariskosten medewerkers infrastructuur (6.2, 6.3, 6.4, 6.6, 6.8, 6.11):uitsluitend personele kosten die toe te rekenen zijn aan het straatparkeren zijn meegenomen in de tariefberekening. De personeelskosten die zijn meegenomen in de berekening hebben uitsluitend betrekking op beheer en ondersteuning van de parkeervoorzieningen op straat, zoals oplossen van problemen met parkeerautomaten. Kosten die gemaakt worden voor andere parkeervoorzieningen, zoals garages en fietsparkeren zijn hierin niet meegenomen. Ook kosten van overheadfuncties zijn hierin niet meegenomen.
6.2.
De rechtbank kan de heffingsambtenaar volgen[9] in de gegeven uitleg en overweegt dat daaruit voldoende aannemelijk is geworden dat deze posten onderdeel zijn van de infrastructuur die het naheffen van niet betaalde parkeerbelastingen mogelijk maakt en voldoende samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen.
Perceptiekosten en kosten voor wielklem en wegslepen
7. Daarnaast heeft eiser zich ter zitting nader op het standpunt gesteld dat onduidelijk is waar onderdeel B.1, B.3.3 en B.3.4 van de kostenonderbouwing op zien en dat de hieronder opgevoerde kosten ook op een andere manier worden verhaald. Eiser heeft bovendien gewezen op het risico dat kosten in verband met het aanbrengen van een wielklem en het wegslepen van een auto in het kostenoverzicht zijn verwerkt terwijl die ook een eigen regeling van verhaal kennen.
7.1.
Ter zitting heeft de heffingsambtenaar uiteengezet dat bij de naheffing van parkeerbelasting ook andere clusters van de gemeente Rotterdam meewerken en dat deze clusters de kosten die zij hiervoor maken (intern) doorbelasten aan hem.
Wat betreft onderdeel B.1 geldt dat het cluster Dienstverlening zich bezig houdt met het versturen en het innen van de naheffingsaanslag en de kosten van de infrastructuur hiervoor worden doorberekend. De werkwijze is zo dat door de heffingsambtenaar een lijst wordt aangeleverd van op te leggen naheffingsaanslagen. Deze wordt door het cluster Dienstverlening ingelezen in de belastingapplicatie, verzonden en ingevorderd.
Ter zitting heeft de heffingsambtenaar verder toegelicht dat aan hem geen incassokosten worden doorbelast. Deze kosten worden door het cluster Dienstverlening zelf gedragen, waarbij het zo is dat de kosten die aan belastingplichtigen in rekening worden gebracht voor het niet (tijdig) betalen van een aanslag, zoals aanmaningskosten en de kosten van een dwangbevel, door het cluster Dienstverlening als “opbrengsten van de invordering” zelf worden gehouden om de kosten van de invordering af te dekken. Mochten deze ‘opbrengsten van de invordering’ onvoldoende zijn om de incassokosten af te dekken, dan wordt het tekort uit de opbrengst van de parkeerbelasting betaald, dus uit de algemene middelen.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht heeft gegeven ten aanzien van de vraag of de kosten in onderdeel B.1 zien op de infrastructuur van het invorderen en in deze kostenpost geen kosten zitten die op een andere manier worden verhaald, anders dan bijvoorbeeld het geval was in de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 21 mei 2024.[10]
7.2.
Daarnaast maakt het cluster Dienstverlening ook kosten voor de infrastructuur van het versturen en innen van andere nota's betreffende parkeerbelastingen, zoals de vergunningen. Dit valt onder onderdeel B 3.3. Verder worden ook diensten verleend in de Stadswinkels van de gemeente Rotterdam, waar klanten fysiek en digitaal terecht kunnen voor onder meer parkeerproducten. Dit valt onder onderdeel B 3.4, aldus de heffingsambtenaar.
Voor deze onderdelen geldt eveneens dat deze meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. Er kan immers alleen worden gehandhaafd als duidelijk is of wel of niet parkeerbelasting is betaald. Daarvoor is ook de infrastructuur voor het uitgeven van vergunningen nodig. Deze kosten staan in onderdeel B.3.3 en B.3.4 van de kostenonderbouwing. Ook deze kosten mogen daarom worden meegenomen bij de berekening van de hoogte van de kosten van de naheffingsaanslag.
7.3.
De heffingsambtenaar heeft uitdrukkelijk gesteld dat in het totaaloverzicht geen kosten zijn opgenomen die op andere wijze worden verhaald en dat er dus geen dubbeltelling plaatsvindt. Kosten voor het plaatsen van een wielklem worden via de Verordening parkeerbelasting verhaald en de kosten voor het voorrijden, wegslepen en bezwaren worden via de Wegsleepverordening verhaald. Deze stelling is niet gemotiveerd weersproken door eiser. Het enkele standpunt dat een ruime uitleg van het begrip “kosten ter zake van” zo’n dubbeltelling mogelijk maakt, is daartoe onvoldoende. Nu het kostenoverzicht evenmin aanwijzingen voor het tegendeel bevat, gaat de rechtbank daarvan uit.
Niet-geïnde naheffingsaanslagen
8. Eiser voert voorts aan dat een aftrek van oninbare naheffingen zoals opgenomen onder B2 van het kostenoverzicht ingaat tegen de tekst van artikel 2, tweede lid van het Besluit, dat voorschrijft dat het totaal van de kosten moet worden gedeeld door het aantal naheffingen dat wordt opgelegd.
8.1.
De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie over de opbrengstlimiet het is toegestaan om rekening te houden met oninbare vorderingen.[11] De AG sluit zich in zijn conclusies van 25 oktober 2024 hierbij aan wat betreft de naheffing van parkeerbelasting[12] en ook de rechtbank is van oordeel dat hiermee in deze zaken rekening mag worden gehouden. Het doel van het kostenverhaal is immers dat gemeenten kostendekkend naheffingsaanslagen kunnen opleggen.[13]
8.2.
Het bedrag van de kosten dat per naheffingsaanslag wordt verhaald, wordt berekend door de totale kosten ter zake van het opleggen van naheffingsaanslagen te delen door het aantal naheffingsaanslagen. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar uiteengezet dat hij zowel bij de kosten als bij het aantal naheffingsaanslagen rekening houdt met omstandigheden die ertoe leiden dat een naheffingsaanslag niet wordt betaald. Onder B.2 heeft de heffingsambtenaar het risico dat een ontvanger van een naheffingsaanslag na invordering niet wil of kan betalen, als kostenpost opgenomen. Bij het bepalen van het totaal aantal naheffingsaanslagen, is de heffingsambtenaar uitgegaan van een netto aantal. Daarbij wordt onder netto verstaan: het aantal naheffingsaanslagen dat overblijft na uitval en na vermindering in bezwaar (soms uit coulance). Voorbeelden van uitval zijn naheffingsaanslagen die in eerste instantie inbaar lijken, maar waarbij dat bij nader inzien toch niet het geval blijkt, bijvoorbeeld bij voertuigen met een Moldavisch kenteken. In deze gevallen gaat de heffingsambtenaar niet tot invordering over. Verminderingen uit coulance vinden bijvoorbeeld plaats in de eerste weken na het invoeren van parkeerbelasting in nieuwe wijken, of bij het verruimen van venstertijden in een wijk. Ook voert de gemeente, in bepaalde gevallen, een coulancebeleid bij meerdere naheffingsaanslagen. Daarnaast vinden vernietigingen plaats na bezwaar, als blijkt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd, bijvoorbeeld omdat sprake was van een storing van de betaalautomaat of van het abusievelijk invoeren van een onjuist kenteken.
8.3.
De rechtbank acht dit een aanvaardbare methode. De heffingsambtenaar mocht rekening houden met omstandigheden die ertoe leiden dat een naheffingsaanslag niet wordt betaald. Dat de heffingsambtenaar zowel bij de kosten als bij het aantal naheffingsaanslagen met deze omstandigheden rekening heeft gehouden, is geen beletsel, omdat de heffingsambtenaar iedere omstandigheid maar één keer heeft meegenomen. Er is dus geen sprake van een dubbeltelling.
Conclusie
9. Uit het voorgaande volgt dat de heffingsambtenaar de kosten van de naheffing in rekening mocht brengen zoals hij heeft gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
(…)
[5] ECLI:NL:PHR:2024:1116. Zie onder 5.3 en 8.3 uit deze bijlage.
[6] Zie bijvoorbeeld HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777, r.o. 3.3.6.
[7]
Stb. 2019, 46, p. 8.
[8] ECLI:NL:PHR:2024:1116, par. 8.33.
[9] Zie ook de eerdere uitspraken van deze rechtbank hierover van 15 september 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:8800, r.o. 2.3, en van 25 oktober 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:10381, r.o. 4.1 t/m 4.3.
[11] Bijvoorbeeld HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4849 en HR 2 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU7345.
[12] ECLI:NL:PHR:2024:1116, par. 8.37-8.43.
[13] Vgl.
Kamerstukken I1989/90, 19405, nr. 119b (MvA), p. 2.”
G
eschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vraag of de ter zake van het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag in rekening gebrachte kosten te hoog zijn vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag. Voorts verzoekt belanghebbende om proceskostenvergoeding.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

“Kosten naheffingsaanslag
5.1.
Niet in geschil is dat belanghebbende op het moment van de controle niet beschikte over een geldige parkeervergunning en geen parkeerbelasting had voldaan voor het parkeren van zijn auto in een gebied waarin alleen tegen betaling van parkeerbelasting of met een geldige parkeervergunning mag worden geparkeerd.
5.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de tariefbepaling in de Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen 2022 (de Verordening) onverbindend dan wel partieel onverbindend is, omdat de kostenraming die daaraan ten grondslag ligt niet voldoet aan de daaraan gestelde regels. In de kostenraming zijn volgens belanghebbende kosten opgenomen die niet samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting, zoals artikel 234, lid 6, van de Gemeentewet en het daarop gebaseerde artikel 2 van Pro het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (het Besluit) voorschrijven.
5.3.
Van de gedetailleerde kostenraming die de Heffingsambtenaar heeft ingediend wijst belanghebbende de volgende posten als niet toerekenbaar aan, omdat ze niet voldoen aan het criterium dat ze verband houden met de inning van niet betaald parkeerbelasting, dan wel dat door de Heffingsambtenaar niet is onderbouwd waarom deze posten voldoen aan het criterium dat de posten meer dan zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting:
A. Vaste informatieverwerkingskosten
  • 1.2. Telefonie publiekszaken
  • 1.4. Sim-kaarten parkeerautomaten (hardware)
  • 1.6.1 Schoonmaakwerkzaamheden
B. Variabele informatieverwerkingskosten
  • 2. Niet geïnde naheffingsaanslagen
  • 3.1. Beheer parkeermiddelen (externe leveranciers): 06-providers
E. Personeelskosten
  • 2. Opleidingskosten fiscaal controleurs
  • 4. Opleidingskosten medewerkers infrastructuur inning parkeerbelastingen
  • 5. Bedrijfskleding medewerkers infrastructuur inning parkeerbelastingen
  • 6.1.B. Stafbureau parkeervoorzieningen
  • 6.2. Beheer parkeervoorzieningen
  • 6.3. SB Productmanagement
  • 6.4. Bedrijfsbureau T&H
  • 6.6. Handhavingsadministratie
  • 6.8. Productontwikkeling en innovatie
  • 6.11. Service
5.4.
Primair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat deze posten uit de kostenraming geëlimineerd zouden moeten worden, omdat ze niet voldoen aan het criterium dat ze samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting. Subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat, indien zou worden geoordeeld dat deze posten wel samenhangen met het opleggen van naheffingsaanslagen, deze posten naar een lager bedrag moeten worden toegerekend, omdat de woorden “voor zover” in artikel 2 van Pro het Besluit een beperking inhouden ten aanzien van de mate waarin bepaalde kosten kunnen worden doorberekend in de hoogte van de kosten van de naheffingsaanslag. Volgens belanghebbende mogen deze kosten slechts worden toegerekend
in de mate datdeze samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting.
5.5.
De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat artikel 2 van Pro het Besluit aldus moet worden uitgelegd dat de kosten die meer dan zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting volledig mogen worden toegerekend. De Heffingsambtenaar heeft per post uitgelegd uit welke voorzieningen of werkzaamheden deze bestaat en gemotiveerd dat deze meer dan zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting.
5.6.
Bij de beoordeling van de onderhavige geschilpunten staat voorop dat de fiscale parkeerhandhaving in de gemeente Rotterdam bestaat uit een samenhangend en onlosmakelijk verbonden geheel van systemen, apparaten, processen, mensen, hardware en software. De systemen voor de parkeercontrole met scanauto’s worden rechtstreeks ‘gevoed’ vanuit parkeerautomaten, parkeerapps en vergunningensystemen. Het hele systeem is erop ingericht dat naheffing van niet-betalers zo efficiënt mogelijk kan plaatsvinden.
5.7.
De voorwaarde voor de toerekenbaarheid van kosten was in de oorspronkelijke tekst van artikel 2, lid 1, van het Besluit verwoord als “rechtstreeks voortvloeien uit” (de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen). Dat is per 1 juli 2019 gewijzigd in “samenhangen met”. Deze tekstuele wijziging brengt mee dat de maatstaf voor de toerekenbaarheid van de kosten is verruimd. Kosten hoeven blijkens de toelichting op deze wijziging niet uitsluitend ten behoeve van de inning van niet-betaalde parkeerbelasting te worden gemaakt om toerekenbaar te zijn. Het Besluit is op dit punt geformuleerd conform de modelbepalingen voor het verhalen van kosten (Stb. 2019, 46, p. 8). De ruime formulering van ‘samenhangen met’ brengt mee, dat kosten die meer dan zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting kunnen worden toegerekend (vgl. Gerechtshof Amsterdam 21 mei 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1370, r.o. 4.2.2 en 4.2.3 en Conclusie A-G Pauwels 25 oktober 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1116, punt 8.17). Deze uitleg is in overeenstemming met de jurisprudentie over de opbrengstnorm in artikel 229b van de Gemeentewet (Hoge Raad 4 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0990, Hoge Raad 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777, Hoge Raad 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1016 en ECLI:NL:HR:2019:1020). Deze uitleg brengt bovendien mee, dat ingeval de kosten voor tenminste 10% samenhangen, ze volledig mogen worden toegerekend (Hoge Raad 4 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0990, en Hoge Raad 31 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2710). Slechts de kosten die geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen, alsmede de kosten die reeds op andere wijze worden verhaald, mogen niet worden toegerekend. Anders dan belanghebbende heeft bepleit, geeft de formulering “voor zover” in artikel 2, lid 1 van het Besluit geen aanleiding om de mogelijkheid van kostenverhaal beperkter uit te leggen. Dat zou indruisen tegen de kennelijk door de besluitgever beoogde zekerstelling van de ruime mogelijkheid tot kostenverhaal door de wijziging van het Besluit per 1 juli 2019.
5.8.
Gelet op deze uitgangspunten en de toelichting door de Heffingsambtenaar voldoet de kostenraming aan de gestelde eisen. De betwiste posten houden namelijk meer dan slechts zijdelings verband met het opleggen van naheffingsaanslagen, zodat ze volledig mogen worden toegerekend. Hetgeen belanghebbende hier tegenin heeft gebracht, is onvoldoende om anders te oordelen.
5.9.
Belanghebbende stelt dat oninbare naheffingsaanslagen ten onrechte tot de kosten zijn gerekend. Anders dan belanghebbende betoogt is de raming van de kosten en baten in overeenstemming met het doel en de strekking van de regeling tot kostenverhaal in het Besluit. Weliswaar is hierin niet opgenomen dat deze kosten mogen worden toegerekend, maar gelet op de bedoeling van de regelgever om de gemeente een ruime kostenverhaalsmogelijkheid te bieden en de uitleg van deze regeling in overeenstemming met de jurisprudentie over de opbrengstnorm mag met niet op te leggen en oninbare naheffingsaanslagen rekening worden gehouden bij de kostenraming. Hoewel het zuiverder was geweest om ook voor wat betreft het geraamde aantal naheffingsaanslagen dat vervolgens niet wordt betaald met de factor ‘oninbaarheid’ rekening te houden in de deler, is het resultaat in dit geval hetzelfde. Derhalve is de kostenraming op dit punt niet in strijd met de regelgeving (vgl. Hoge Raad 6 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4849, Hoge Raad 2 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU7345 en conclusie A-G Pauwels ECLI:NL:PHR:2024:1116, punt 8.37-8.42).
5.10.
Het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:24, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Hetgeen in dat arrest is geoordeeld ten aanzien van de samenhang van de specifieke kostenposten in de gemeente Den Haag heeft ook te gelden voor de door de gemeente Rotterdam opgevoerde kostenposten. Ook wat betreft de raming van het aantal naheffingsaanslagen, heeft in lijn met het arrest van 23 januari 2026 te gelden dat de Heffingsambtenaar daarbij slechts rekening hoefde te houden met de inbare naheffingsaanslagen.
5.11.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

Er is geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, P.J.J. Vonk en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout.
De griffier, de voorzitter,
T. van Hout L.D.M.A. Reijs
De beslissing is op 11 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.