4.3Bij de beoordeling van dit middel stelt de Hoge Raad het volgende voorop.
4.3.1De bevoegdheid om kosten in rekening te brengen bij het opleggen van een naheffingsaanslag is neergelegd in artikel 234, lid 5, van de Gemeentewet. Nadere regels over de in rekening te brengen kosten zijn op grond van artikel 234, lid 6, van de Gemeentewet opgenomen in het Besluit. Artikel 2, lid 1, van het Besluit regelt uit welke kostencomponenten de bij een naheffingsaanslag in rekening te brengen kosten ten hoogste kunnen bestaan. Het betreft ten hoogste de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen:
“a. vaste informatieverwerkingskosten;
b. variabele informatieverwerkingskosten;
c. kosten van afschrijving;
d. kosten van interest;
e. personeelskosten;
f. overheadkosten, die ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen.”
4.3.2Artikel 2, lid 2, van het Besluit bepaalt dat de raad van de gemeente het bedrag vaststelt dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. De raad moet dat op grond van deze bepaling doen op basis van een in beginsel op jaarbasis te maken raming van de totale in lid 1 bedoelde kosten, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven. De raming mag ook een gemiddelde betreffen over een periode van ten hoogste vier jaren.
4.3.3Artikel 2 van het Besluit strekt ertoe dat het bedrag aan kostenverhaal zo wordt vastgesteld dat op jaarbasis niet meer kosten worden verhaald dan het geraamde totaalbedrag van de in het eerste lid bedoelde kosten die samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen (hierna: de verhaalbarekostenlimiet).De strekking van de verhaalbarekostenlimiet, namelijk dat de geraamde opbrengsten niet hoger mogen zijn dan de geraamde kosten, is in wezen niet anders dan de strekking van de opbrengstlimiet die op grond van artikel 228a van de Gemeentewet van toepassing is bij de heffing van rioolheffingen en de opbrengstlimiet die op grond van artikel 229b van de Gemeentewet van toepassing is bij de heffing van rechten als bedoeld in artikel 229, lid 1, letter a en b, van die wet. De Hoge Raad ziet aanleiding om bij de beoordeling of het in een parkeerbelastingverordening opgenomen bedrag aan in rekening te brengen kosten blijft beneden de verhaalbarekostenlimiet, zoveel mogelijk aan te sluiten bij zijn rechtspraak over de genoemde opbrengstlimieten.
4.3.4Die aansluiting geldt ook voor de in dat verband gewezen rechtspraak over stelplicht en bewijslasten over de rechtsgevolgen die moeten worden verbonden aan een overschrijding van de opbrengstlimiet. Wat betreft de rechtsgevolgen van een te hoge vaststelling van het bedrag aan kosten dat door de gemeente in rekening wordt gebracht, brengt de aansluiting bij die rechtspraak mee dat die vaststelling slechts dan in zijn geheel onverbindend is, indien (a) het de gemeente op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat de vaststelling berust op ramingen die niet voldoen aan de eisen van artikel 2 van het Besluit, en bovendien (b) het vastgestelde bedrag in betekenende mate (10 procent of meer) uitgaat boven het bedrag dat de gemeente op grond van het Besluit maximaal in rekening mag brengen. In andere gevallen is de vaststelling van het bedrag dat in rekening wordt gebracht slechts onverbindend voor zover het meer beloopt dan het bedrag dat de gemeente op grond van het Besluit maximaal in rekening mag brengen.
4.3.5Onder kosten die samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, van het Besluit moeten mede worden verstaan kosten die samenhangen met het opleggen van naheffingsaanslagen wegens het niet-betalen van verschuldigde parkeerbelastingen.Zonder naheffingsaanslag is het immers voor de gemeente niet mogelijk om niet-betaalde parkeerbelastingen te innen.
4.3.6De in artikel 2, lid 1, van het Besluit omschreven kosten kunnen volgens die bepaling slechts worden verhaald voor zover deze samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen. Volgens de nota van toelichting is het woord samenhangen in deze bepaling gebruikt om buiten twijfel te stellen dat de kosten niet uitsluitend ten behoeve van de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen hoeven te zijn gemaakt.Vereist is slechts dat de kosten meer dan zijdelings daarmee samenhangen.Van samenhang in die zin is slechts dan geen sprake indien de desbetreffende kosten geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen.
4.3.7Het staat de gemeente vrij om kosten die meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting, geheel of gedeeltelijk daaraan toe te rekenen.Bij deze kosten is het voor de mogelijkheden tot doorberekening dus niet van belang in welke mate ze samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen. Het gebruik van de woorden “voor zover” in artikel 2, lid 1, van het Besluit staat daaraan, anders dan het middel betoogt, niet in de weg. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar onderdeel 8.29 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal. De gemeente is echter niet bevoegd kosten die vallen onder de omschrijving van artikel 2, lid 1, van het Besluit op de voet van artikel 234, lid 5, van de Gemeentewet te verhalen, voor zover die kosten niet op de gemeente drukken doordat zij die reeds op andere wijze verhaalt, bijvoorbeeld op grond van artikel 235, lid 3 of lid 5, van de Gemeentewet of op grond van overeenkomstige toepassing van de Kostenwet invordering rijksbelastingen.
4.4.1Het Hof heeft met zijn hiervoor in 3.3 weergegeven overwegingen als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de kosten van de parkeerautomaten en parkeerapps dusdanig samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen, dat de toerekening daarvan aan de inning van niet-betaalde parkeerbelasting is geoorloofd en die kosten dus geheel of gedeeltelijk in rekening mogen worden gebracht bij het opleggen van naheffingsaanslagen. Dit oordeel van het Hof, waarin ligt besloten dat deze kosten meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, gelet op wat hiervoor in 4.3.4 tot en met 4.3.7 is vooropgesteld. Het is ook voldoende gemotiveerd. Voor zover het middel over dit oordeel van het Hof klaagt, faalt het.
4.4.2Gelet op wat hiervoor in 4.3.6 is vooropgesteld, faalt het middel eveneens voor zover het erover klaagt dat de parkeerautomaten en de parkeerapps in hoofdzaak zijn bedoeld om het betalen van parkeerbelasting te faciliteren. Ook indien dat betoog zou moeten worden gevolgd, brengt dat niet mee dat de desbetreffende kosten geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen dan de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen.
4.4.3Op grond van wat hiervoor in 4.3.6 is overwogen, faalt het middel ook voor zover het betoogt dat slechts kosten in rekening kunnen worden gebracht die zijn gemaakt ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag, en dus niet ter zake van de invordering daarvan. Ook kosten ter zake van de invordering van naheffingsaanslagen behoren tot de kosten die samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen en mogen daarom worden doorberekend, met inachtneming van wat hiervoor in de slotzin van 4.3.7 is overwogen.
c) Middel IV, de raming van het aantal naheffingsaanslagen