ECLI:NL:HR:1999:AA2710
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen vrijstelling voor vergoeding hoogspanningslijn op landbouwgrond
Belanghebbende, die samen met zijn vader een melkveehouderij dreef, ontving in 1993 een eenmalige vergoeding van de SEP voor het vestigen van een recht van opstal ten behoeve van een hoogspanningslijn op zijn percelen. Deze vergoeding bestond uit verschillende onderdelen, waaronder een recognitiebedrag dat volgens SEP geen schadevergoeding maar een vrijwillige medewerkingsvergoeding was.
Na vermindering van de aanslag inkomstenbelasting over 1993 werd het geschil voorgelegd aan het Hof, dat oordeelde dat het bedrag van f 24.984,-- geen vergoeding voor waardeverandering van de grond bevatte en dat de waardedaling pas in 1995 was vastgesteld. Belanghebbende stelde dat een deel van de vergoeding als vrijgesteld voordeel moest worden aangemerkt of dat de boekwaarde van de grond moest worden afgewaardeerd.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof dat de vergoeding niet als vrijgesteld voordeel kan worden aangemerkt en dat belanghebbende geen waardevermindering voor 1993 aannemelijk heeft gemaakt. Het beroep in cassatie wordt verworpen en er worden geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de vergoeding geen vrijgesteld voordeel is en dat geen waardedaling in 1993 is aangetoond.