2.3.4.De in de “Bijlage dagverblijven” bij het restwaarderapport opgenomen referentietransacties hebben restwaardes variërend van 0% tot 13,1% van de bruto vervangingswaarde van de objecten en een gemiddelde restwaarde van 6,4%. De bijlage bij het restwaarderapport bevat voor elk van de twaalf referentietransacties een rekenblad en een taxatiekaart ter onderbouwing van de restwaarde. De gegevens uit deze bijlage zijn (schematisch) als volgt weer te geven (waarbij R-A-I staat voor Ruwbouw, Afbouw, Installaties):
[adres 11] [woonplaats 11]
[adres 12] [woonplaats 12]
[adres 13] [woonplaats 13]
[adres 14] [woonplaats 14]
[adres 4] [woonplaats 4]
Verkoopdatum
03-10-2019
31-12-2019
01-10-2020
03-10-2017
04-05-2018
Verkoopprijs
994
540
465
294
580
Bouwjaar
2006
2006
1968/2000
1968
1960
Opp grond
1.1
1.383
2.339
1.401
2.68
Opp opstal
762
1.03
690
571
640
Archetype [naam taxateur]
O186PH12
O186PH12
O184PH12 en O185PH12
O184PH12
O183PH12
Verv.waarde per m2 incl. btw R-A-I
905-561-344
869-538-330
730-438-292 en 779-468-312
734-440-294
680-402-305
Verv.waarde
1.379.220
1.789.110
1.314.204
838.765
887.68
Grondwaarde per m2 incl. btw
180
121
121
121
175
Grondwaarde
198
167.343
283.019
169.521
470.206
Waarde bijgebouwen
12.5
3.1
15
Berekende dagwaarde opstal
798.203
895.689
179.387
109.878
110.073
Restwaarde-percentage
9,6%
0,0%
1,6%
13,1%
12,4%
[adres 15] [woonplaats 15]
[adres 16]
[woonplaats 16]
[adres 17] [woonplaats 17]
[adres 18] [woonplaats 18]
[adres 19] [woonplaats 19]
Verkoopdatum
01-11-2019
22-10-2017
16-12-2016
08-01-2019
24-02-2017
Verkoopprijs
385
230
800
410
265
Bouwjaar
1986
1968
1950
1958
1970
Opp grond
1.66
1.795
3.533
1.892
1.026
Opp opstal
725
500
1.247
815
260
Archetype [naam taxateur]
O185PH12
O184PH12
O183PH12
O183PH12
O184PH12
Verv.waarde per m2 incl. btw R-A-I
788-473-315
753-451-301
617-358-259
659-390-296
783-469-313
Verv.waarde
1.142.600
752.5
1.538.798
1.096.175
406.9
Grondwaarde per m2 incl. btw
125
121
214
151
210
Grondwaarde
207.5
217.195
756.062
286.165
215.46
Waarde bijgebouwen
Berekende dagwaarde opstal
177.675
13.545
44.282
123.852
49.622
Restwaarde-percentage
2,0%
1,8%
2,9%
11,3%
12,2%
[adres 20] [woonplaats 20]
[adres 21] [woonplaats 21]
Verkoopdatum
14-02-2017
22-09-2017
Verkoopprijs
537.5
225
Bouwjaar
1934
1961
Opp grond
2.795
994
Opp opstal
727
268
Archetype [naam taxateur]
O182PH12
O183PH12
Verv.waarde per m2 incl. btw R-A-I
845-371-266
716-423-321
Verv.waarde
1.077.414
391.28
Grondwaarde per m2 incl. btw
180
200
Grondwaarde
503.1
198.8
Waarde bijgebouwen
Berekende dagwaarde opstal
34.444
26.207
Restwaarde-percentage
3,2%
6,7%
Bij elk object zijn onder de gegevens eventuele bijzonderheden (zoals verkoop in verhuurde staat/verkoop onder normale omstandigheden/na verkoop voorgezet gebruik als kinderdagverblijf/na verkoop omgebouwd naar zorgwoningen) weergegeven.
Uitspraak van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld:
“6. (…) De rechtbank stelt vast dat beide partijen bij de onderbouwing van hun standpunten voor vrijwel alles uitgaan van de kengetallen zoals die zijn opgenomen in de Taxatiewijzer voor archetype O116PL12. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat hij de taxatiewijzer op geen enkele wijze accepteert als leidraad, maar heeft zich vervolgens niet alleen neergelegd bij de op de richtsnoeren van de Taxatiewijzer gebaseerde taxatie van de heffingsambtenaar, behoudens die voor de restwaarde, maar heeft ook zijn eigen taxatie(rapport) vrijwel volledig gebaseerd op de die richtsnoeren, weer enkel behoudens de restwaarde. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat belanghebbende de Taxatiewijzer en/of de richtsnoeren waarop die is gebaseerd in zijn geheel heeft verworpen. In dat kader is ook van belang dat belanghebbende ook niet concreet, gemotiveerd en onderbouwd heeft aangegeven op welke andere punten hij het verder met de (richtsnoeren van de) Taxatiewijzer niet eens is. Het moet er onder deze omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat ook belanghebbende de richtsnoeren van die Taxatiewijzer (en meer specifiek die voor de archetype O116PL12) in zijn algemeenheid als uitgangspunt voor de waardering heeft aanvaard.
7. Voor dat geval heeft de Hoge Raad in het door de heffingsambtenaar genoemde arrest van 23 oktober 2020 geoordeeld dat in een taxatiewijzer richtsnoeren zijn gegeven die als uitgangspunt kunnen dienen bij de bepaling van onder meer de restwaarde, maar dat er omstandigheden kunnen zijn die aanleiding geven om af te wijken, ook als partijen de richtsnoeren van die taxatiewijzer als uitgangspunt voor de waardering hebben aanvaard. Degene die aanspraak maakt op een zodanige afwijking moet daarvoor de gronden stellen en bij betwisting aannemelijk maken. Hieruit leidt de rechtbank af dat het mogelijk is voor een partij om slechts één of meerdere ‘losse’ parameters uit een taxatiewijzer ter discussie te stellen. Wel is die partij dan aan zet om te bewijzen waarom dat geboden is. Voor deze specifieke zaak betekent dat dat belanghebbende de bewijslast heeft van de door hem voorgestane restwaarde van 10%, omdat die restwaarde afwijkt van de kengetallen uit de Taxatiewijzer.
8. Voor het antwoord op de vraag of belanghebbende voor de door hem bepleite restwaarde van 10% van de bruto vervangingswaarde van de onroerende zaak in zijn bewijslast slaagt, zijn niet alleen de bewijsmiddelen die hij daartoe aandraagt van belang, maar moet evenzeer rekening worden gehouden met de stukken en stellingen die de heffingsambtenaar ter betwisting daarvan heeft aangedragen.
9. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van de door hem verdedigde restwaarde een analyse laten maken van door diverse gemeenten en de VNG aangeleverde verkochte objecten. In het onderzoeksrapport van [naam taxateur] zijn de volgende objecten geanalyseerd:
- [adres 11] in [woonplaats 11] , dagverblijf, bouwjaar 2006, transactiedatum 3 oktober 2019,
verkoopprijs € 994.000, restwaarde 14,3%,
- [adres 12] in [woonplaats 12] , dagverblijf, bouwjaar 2006, transactiedatum 31 december 2019, verkoopprijs € 540.000, restwaarde 0,0%,
- [adres 13] in [woonplaats 22] , dagverblijf, bouwjaar 1968/2000, transactiedatum € 465.000, verkoopprijs € 465.000, restwaarde 7,8%,
- [adres 14] in [woonplaats 14] , dagverblijf, bouwjaar 1968, transactiedatum 3 oktober 2017, verkoopprijs € 294.000, restwaarde 13,1%,
- [adres 4] in [woonplaats 4] , bouwjaar 1960, transactiedatum 4 mei 2018, verkoopprijs € 580.000, restwaarde 12,3%.
10. De heffingsambtenaar heeft de zienswijze en analyse van de diverse objecten in het onderzoeksrapport van [naam taxateur] en daarmee die van belanghebbende, betwist. Puntsgewijs heeft de heffingsambtenaar met betrekking tot de door [naam taxateur] gebezigde referentieobjecten en de daaraan verbonden transactiegegevens in het verweerschrift het volgende aangevoerd:
“
Referentie: [adres 11] te [woonplaats 11]
- Dit object is in verhuurde staat verkocht;
- [Belanghebbende] rekent met een totale vervangingswaarde van € 1.740,- per vierkante meter (kolom ‘Prijs’, bestaande uit ruwbouw € 870, afbouw, € 540,- en installaties € 330,-). Dit terwijl de taxatiewijzer onderwijs met hetzelfde archetype per 1-1-2020 concludeert tot een vervangingswaarde van € 1.438,-. Als bewijs is de betreffende pagina opgenomen als 17. De te hoge eenheidsprijs leidt tot een te hoge totale vervangingswaarde. Om tot de transactieprijs te komen dient de restwaarde hierdoor ten onrechte laag/te laag gesteld (berekend) te worden. Was de vervangingswaarde juist en conform taxatiewijzer ingeschat, dan zou de restwaarde ruim hoger uitvallen.
Referentie: [adres 12] te [woonplaats 12]
- Dit object is in deels verhuurde staat verkocht;
- [Belanghebbende] rekent met een totale vervangingswaarde van €1.738,- per vierkante meter (kolom ‘Prijs’, bestaande uit ruwbouw € 869, afbouw, € 539,- en installaties € 330,-). Dit terwijl de taxatiewijzer onderwijs met hetzelfde archetype per 1-1-2021 concludeert tot een vervangingswaarde van € 1.461,- Als bewijs is de betreffende pagina opgenomen als bijlage 18. De te hoge eenheidsprijs leidt tot een te hoge totale vervangingswaarde. Om tot de transactieprijs te komen dient de restwaarde hierdoor ten onrechte laag/te laag gesteld (berekend) te worden. Was de vervangingswaarde juist en conform taxatiewijzer ingeschat, dan zou de restwaarde ruim hoger uitvallen.
- Het object is niet verkocht om volledig voort te zetten als kinderdagverblijf. Zo staat de verdieping al nagenoeg sinds de transactie leeg en wordt deze te huur aangeboden. Hiermee is het onduidelijk op welke wijze de transactie van dit pand de restwaarde van een kinderdagverblijf onderbouwd.
Referentie: [adres 13] te [woonplaats 22]
- Dit object is niet in [woonplaats 22] , maar in het ruim goedkopere [woonplaats 13] gelegen.
- [Belanghebbende] rekent met een totale vervangingswaarde van €1.511,- per vierkante meter (kolom ‘Prijs’, bestaande uit ruwbouw € 756, afbouw, € 453,- en installaties € 302,-). Dit terwijl de taxatiewijzer onderwijs met hetzelfde archetype per 1-1-2021 concludeert tot een vervangingswaarde van € 1.270,-. Als bewijs is de betreffende pagina opgenomen als bijlage 19. De te hoge eenheidsprijs leidt tot een te hoge totale vervangingswaarde. Om tot de transactieprijs te komen dient de restwaarde hierdoor ten onrechte laag/te laag gesteld (berekend) te worden. Was de vervangingswaarde juist en conform taxatiewijzer ingeschat, dan zou de restwaarde ruim hoger uitvallen. Voor het door [belanghebbende] gehanteerde archetype O115PL12 geldt hetzelfde als hierboven reeds uiteengezet (met uiteraard andere bedragen).
- [Belanghebbende] maakt geen onderscheid tussen gebouwgebonden en ongebonden grond, In de taxatieleer geldt de stelregel dat de gebouwgebonden grondoppervlakte 2 tot 2,5 maal de oppervlakte van de gebouwen bedraagt. De rest wordt aangemerkt als ongebonden grond tegen een ruim lagere grondprijs. [Belanghebbende] heeft ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen gebouwgebonden en ongebonden grond. Het aandeel grondwaarde is hierdoor te hoog en de restwaarde te laag.
- Als bijlage 20 is de akte van levering van het object bijgevoegd. Uit deze akte blijkt dat het vastgoed is overgedragen voor € 465.000,-. Daarnaast is € 595.000,- betaald voor de overdracht van de onderneming. In vergelijking tot het vastgoed is dit een onwaarschijnlijk hoog bedrag. Het is goed mogelijk dat er een bepaalde verdeling in de
koopsom heeft plaatsgevonden waarbij een lagere prijs is toegekend aan het vastgoed om hierdoor minder overdrachtsbelasting verschuldigd te zijn.
Referentie: [adres 14] te [woonplaats 14]
- Als bijlage 21 is de akte van levering van het object bijgevoegd. Uit artikel 2.4 blijkt dat koper huurder van het object was. Hiermee komt vast te staan dat het object niet openbaar te koop is aangeboden en dat de overeengekomen transactieprijs niet of niet automatisch de waarde in het economische verkeer weergeeft. Het is goed mogelijk dat door de huursituatie de verkopende partij genoegen heeft genomen met een lagere verkoopprijs, hierdoor wordt de restwaarde negatief beïnvloed. Geconcludeerd kan worden dat dit object niet bruikbaar is ter onderbouwing van de restwaarde.
- [Belanghebbende] rekent met een totale vervangingswaarde van €1.468,- per vierkante meter (kolom ‘Prijs’, bestaande uit ruwbouw € 734, afbouw, € 440,- en installaties € 294,-). Dit terwijl de taxatiewijzer onderwijs met hetzelfde archetype per 1-1-2018 concludeert tot een vervangingswaarde van € 1.214,-. Als bewijs is de betreffende pagina opgenomen als bijlage 22. De te hoge eenheidsprijs leidt tot een te hoge totale vervangingswaarde. Om tot de transactieprijs te komen dient de restwaarde hierdoor ten onrechte laag/te laag gesteld (berekend) te worden. Was de vervangingswaarde juist en conform taxatiewijzer ingeschat, dan zou de restwaarde ruim hoger uitvallen.
Referentie: [adres 4] te [woonplaats 4]
- [Belanghebbende] rekent met een totale vervangingswaarde van € 1.403,- per vierkante meter (kolom ‘Prijs’, bestaande uit ruwbouw € 687, afbouw, € 407,- en installaties € 309,-). Dit terwijl de taxatiewijzer onderwijs met hetzelfde archetype per 1-1-2019 concludeert tot een vervangingswaarde van € 1.159,-. Als bewijs is de betreffende pagina opgenomen als bijlage 23. De te hoge eenheidsprijs leidt tot een te hoge totale vervangingswaarde. Om tot de transactieprijs te komen dient de restwaarde hierdoor ten onrechte laag/te laag gesteld (berekend) te worden. Was de vervangingswaarde juist en conform taxatiewijzer ingeschat, dan zou de restwaarde ruim hoger uitvallen.
- [Belanghebbende] maakt geen onderscheid tussen gebouwgebonden en ongebonden grond, In de taxatieleer geldt de stelregel dat de gebouwgebonden grondoppervlakte 2 tot 2,5 maal de oppervlakte van de gebouwen bedraagt. De rest wordt aangemerkt als ongebonden grond tegen een ruim lagere grondprijs. [Belanghebbende] heeft ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen gebouwgebonden en ongebonden grond. Het aandeel grondwaarde is hierdoor te hoog en de restwaarde te laag.
Samenvattend
Samenvattend kan geconcludeerd worden dat [belanghebbende] in de uitgevoerde analyse uitgaat van ruim te hoge vervangingswaarden, hierdoor valt de geanalyseerde restwaarde ruim te laag uit. Daarnaast zijn transacties in verhuurde staat gehanteerd, een woning en een object wat aan de huidige huurder is verkocht. Al met al kan geconcludeerd worden dat [belanghebbende] niet geslaagd is in het aannemelijk maken van een lagere restwaarde van kinderdagverblijven. Ik kan niet anders dan concluderen dat de restwaarde zoals opgenomen in de Landelijke Taxatiewijzer Onderwijs gevolgd dient te worden voor de bepaling van de restwaarde van het object.”
11. Belanghebbende heeft tegen de gemotiveerde en doeltreffende betwisting van de heffingsambtenaar zoals hiervoor weergegeven, niets aangevoerd; hij heeft deze niet weersproken of weerlegd en heeft daaromtrent dan ook geen enkele twijfel doen rijzen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat belanghebbende tegenover de hiervoor weergegeven gemotiveerde betwisting door de heffingsambtenaar, met de door hem ingebrachte analyse en wat hij overigens heeft ingebracht en op de zitting heeft toegelicht niet aannemelijk heeft gemaakt dat de restwaarde moet worden bepaald op 10% van de bruto vervangingswaarde van de onroerende zaak.
De rechtbank verwijst eveneens naar de uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland van 9 juli 2024 in de zaak LEE 23/1787 [5](een zaak van dezelfde gemachtigde) waarin is geoordeeld dat het ook in die zaak bepleitte restwaardepercentage van 10% door deze op één na dezelfde transacties niet wordt onderbouwd.
12. Uit het voorgaande volgt dat de heffingsambtenaar voor het bepalen van de restwaarde van de onroerende zaak de Taxatiewijzer mocht volgen. Voor die situatie geldt dat gesteld nog gebleken is dat het door de heffingsambtenaar berekende en gehanteerde restwaardepercentage alsdan onjuist is. Er bestaat dan ook geen reden daarvan af te wijken. Gelet hierop behoeven de overige, aanvullende door de heffingsambtenaar in zijn verweerschrift aangedragen verkopen van incourante objecten ter onderbouwing van de restwaarde conform de Taxatiewijzer – welke ter zitting wel nadrukkelijk en gemotiveerd door belanghebbende zijn betwist – geen verdere bespreking. Het gelijk is reeds aan de heffingsambtenaar.
13. De slotsom is dat, nu de waarde in beroep op overige onderdelen dan de restwaarde niet (meer) is bestreden, moet worden geoordeeld dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld.
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.