ECLI:NL:GHDHA:2025:245
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongegrondverklaring beroep tegen WOZ-waarde en proceskostenvergoeding
Belanghebbende, eigenaar van een appartement, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde en de daarbij opgelegde onroerende-zaakbelasting. Hij verzocht om inzage in de VvE-gegevens van vergelijkingsobjecten, welke niet tijdig werden verstrekt door de Heffingsambtenaar, wat een schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ opleverde.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, passeerde de schending met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro omdat belanghebbende niet in zijn belangen was geschaad, maar veroordeelde de Heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze beslissing, met name tegen de beperkte wegingsfactor van 0,25 voor de proceskostenvergoeding.
Het Hof oordeelde dat de schending van de informatieverplichting inderdaad heeft plaatsgevonden, maar dat deze niet tot een andere uitkomst had geleid. De toegepaste wegingsfactor was passend gezien het formeelrechtelijke karakter van het gebrek en het beperkte belang. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Partijen werden niet in de proceskosten van het hoger beroep veroordeeld. De uitspraak werd op 19 februari 2025 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.