ECLI:NL:GHDHA:2025:2403

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
BK-25/119
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake bron van inkomen en belastingaanslag IB/PVV 2020

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende, een tandarts, tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag over de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2020. De Inspecteur had de activiteiten van belanghebbende niet langer als bron van inkomen aangemerkt, wat leidde tot een aanslag op basis van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.136 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.267. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen deze beslissing, maar de Inspecteur weigerde het bezwaar in behandeling te nemen, omdat de brief waarin de wijziging werd aangekondigd niet als een voor bezwaar vatbare beschikking werd beschouwd. De Rechtbank bevestigde deze beslissing en verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat er geen objectieve voordeelsverwachting was voor de activiteiten van belanghebbende. In hoger beroep werd de vraag of de Inspecteur het bezwaar tegen de brief van 14 augustus 2023 terecht niet in behandeling heeft genomen, opnieuw aan de orde gesteld. Het Hof oordeelde dat de Rechtbank terecht had geoordeeld dat de brief geen voor bezwaar vatbare beschikking was en dat het bezwaar niet-ontvankelijk was. Het Hof concludeerde dat belanghebbende niet had aangetoond dat haar activiteiten een bron van inkomen vormden, en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. De kosten van de procedure werden niet toegewezen, maar het griffierecht werd vergoed.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/119

Uitspraak van 29 oktober 2025

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 13 februari 2025, nummer SGR 24/3131.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.724 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.267 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 144 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking).
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de aanslag en de rentebeschikking afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 8 maart 2025 en 4 mei 2025 nadere stukken ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 17 september 2025. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.6.
Na sluiting van het onderzoek heeft het Hof op 19 september en 25 oktober 2025 nadere stukken van belanghebbende ontvangen. Het Hof heeft daarin geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en heeft op de desbetreffende stukken geen acht geslagen.
Feiten
2.1.
Belanghebbende is tandarts en oefende tot december 2017 een tandartspraktijk uit via [A B.V.] , een vennootschap waarvan zij indirect alle aandelen bezit (zie 2.4 en 2.5). In december 2017 heeft [A B.V.] de tandartspraktijk verkocht.
2.2.
Belanghebbende heeft een methode ontwikkeld om personen met angst voor de tandarts met behulp van paarden te behandelen (de [naam methode] ). Tot 2015 werden behandelingen volgens de [naam methode] door [A B.V.] aangeboden vanuit de tandartspraktijk. Begin 2015 heeft belanghebbende een eenmanszaak, onder de naam [eenmanszaak] ; aanvankelijk luidde de naam [eenmanszaak 2] ) opgezet. Vanaf dat moment werden behandelingen volgens de [naam methode] vanuit [eenmanszaak] aan de patiënten van de tandartspraktijk van [A B.V.] aangeboden. Tot de verkoop van de tandartspraktijk in december 2017 heeft nooit verrekening van de resultaten van de behandelingen volgens de [naam methode] tussen [eenmanszaak] en [A B.V.] plaatsgevonden.
2.3.
De doelstelling van de verkoop van de tandartspraktijk door [A B.V.] in december 2017 was om financiële middelen en tijd vrij te maken voor verdere ontwikkeling van de [naam methode] en de groei van [eenmanszaak] . Een doelstelling was ook om binnen de samenwerking met de koper van de tandartspraktijk additionele cliënten te werven voor [eenmanszaak] . De samenwerking met de koper is evenwel beëindigd in 2019.
2.4.
[eenmanszaak] beschikt ten behoeve van haar activiteiten over een therapeutisch centrum in [woonplaats] en een locatie in [buitenland] . De locatie in [buitenland] is aangekocht door [B B.V.] , de directe aandeelhouder van [A B.V.] en wordt verhuurd aan [eenmanszaak] . In april 2019 zijn alle paarden overgebracht naar de vestiging in [buitenland] . Belanghebbende is het hele jaar 2020 in [buitenland] verbleven als gevolg van Covid-19.
2.5.
In 2020 heeft belanghebbende een boek over de door haar ontwikkelde methode geschreven. Het boek is in eigen beheer uitgegeven door uitgeverij [Uitgeverij] , een handelsnaam van [C B.V.] , de houdstervennootschap van [B B.V.]
2.6.
Met [eenmanszaak] zijn de volgende resultaten behaald:
Jaar
Omzet
Resultaat
2017
€ 11.008
€ 31.652 verlies
2018
€ 3.670
€ 61.056 verlies
2019
€ 182
€ 67.784 verlies
2020
€ 589
€ 42.774 verlies
2021
€ 7.670
€ 36.178 verlies
2022
€ 13.966
€ 38.733 verlies
2.7.
Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.136 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.267. Het resultaat uit [eenmanszaak] is aangegeven als belastbare winst uit onderneming en bedraagt negatief € 36.786.
2.8.
Met dagtekening 2 maart 2023 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een brief gestuurd naar aanleiding van de aangifte IB/PVV die zij voor het jaar 2019 heeft ingediend. In deze brief is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“(…)
In de aangifte wordt een bedrag van -/- € 69.820 vermeld voor winst uit onderneming voor ondernemersaftrek. Dit verlies is gegenereerd uit de activiteiten verricht vanuit [ [eenmanszaak] ]. (…).
Om te kunnen bepalen of sprake is van winst uit onderneming bij [ [eenmanszaak] ] moet eerst gekeken worden of er een bron van inkomen aanwezig is.
(…)
Aan de voorwaarde dat het voordeel redelijkerwijs te verwachten is wordt niet voldaan. De gerealiseerde omzet is van geringe omvang en het resultaat van de activiteiten is negatief. De kosten zijn dermate hoog ten opzichte van de lage omzet dat er geen sprake kan zijn van een redelijke winstverwachting. (…)
Ik ben van plan om de bron van inkomen niet langer te accepteren met ingang van 2019. Dit betekent dat er vanaf 2019 van deze activiteiten van deze omvang voor de inkomstenbelasting geen opgave meer hoeft te worden gedaan. (…)
Mochten de activiteiten in de toekomst geïntensiveerd of uitgebreid worden dan zal opnieuw beoordeeld moeten worden of er sprake is van een bron van inkomen.
Ik zal niet afwijken van de aangifte 2019 (…). Vanaf het jaar 2020 zal het resultaat van deze activiteiten uit de aangifte inkomstenbelasting gecorrigeerd worden.
(…)”
2.9.
Bij brief van 14 augustus 2023 heeft de Inspecteur belanghebbende geïnformeerd dat hij de aangiften IB/PVV en Zvw voor de jaren 2019 en 2020 heeft beoordeeld. Daarbij geeft hij aan dat de activiteiten van [eenmanszaak] volgens hem vanaf 1 januari 2020 geen bron van inkomen vormen en dat ten gevolge daarvan bij de aanslagoplegging voor het jaar 2020 zal worden afgeweken van de ingediende aangifte. In de brief is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“(…)
Standpunt bron van inkomen
Op grond van alle informatie handhaaf ik mijn standpunt dat in 2020 geen sprake
meer is van een bron van inkomen. U heeft in 2019 nog niet voldaan aan alle
voorwaarden om de activiteiten als bron te kunnen merken. Fiscaal staken uw
activiteiten met [eenmanszaak] per 31 december 2019 en kunnen daarna
in privé worden voortgezet. De activa en passiva gaan tegen boekwaarde over
naar privé. Vanaf het jaar 2020 zal het resultaat niet meer als bron van inkomen
worden geaccepteerd, zoals ik hierna zal toelichten.
(…)
Conclusie:
Dat er wordt deelgenomen aan het economisch verkeer en dat er voordeel is beoogd staat hier niet ter discussie. Zoals hiervoor toegelicht is echter niet aan de voorwaarde voldaan dat er objectief gezien binnen een redelijke termijn voordeel is te verwachten. Daarom is er geen sprake van een bron van inkomen.
Doordat er geen sprake is van een bron van inkomen wordt niet toegekomen aan de kwalificering welke bron het betreft en worden de resultaten bij gelijkblijvende bedrijfsvoering aangemerkt als privé inkomensbesteding. De resultaten mogen vanaf 2020 niet meer worden opgenomen in de aangifte inkomstenbelasting.
De aanslag 2019 zal conform de ingediende aangifte worden opgelegd. Ik wijk op dit punt van de aangifte 2020 af.
(…)

Verdere afhandeling

Over enige tijd wordt het aanslagbiljet vanuit het Computercentrum in Apeldoorn verzonden. Als u het niet eens bent met de afwijking op de aangifte, dan kunt u een bezwaarschrift indienen. Dit wordt nader toegelicht op het aanslagbiljet.
(…)”
2.10.
Belanghebbende heeft op 17 augustus 2023 per e-mail bezwaar gemaakt tegen de brief van 14 augustus 2023 en tegen de nog op te leggen aanslag IB/PVV 2020. Op 6 oktober 2023 heeft belanghebbende haar bezwaar nader gemotiveerd.
2.11.
De Inspecteur is bij het opleggen van de aanslag afgeweken van de aangifte. [eenmanszaak] is door de Inspecteur niet als bron van inkomen aangemerkt. Als gevolg hiervan is de belastbare winst op nihil gesteld. Met dagtekening 10 november 2023 is de aanslag IB/PVV 2020 opgelegd.
2.12.
Tot de gedingstukken behoort een e-mail van de Inspecteur van 11 december 2023, 15:33 uur gericht aan belanghebbende. De e-mail vermeldt onder meer:
“(…)
Verder verzocht u mij de op de zaak betrekking hebbende stukken toe te sturen. Mijn bezwaardossier bestaat uit de volgende stukken:
1. de aangifte inkomstenbelasting 2020
2. mijn brief van 2 maart 2023
3. uw brief van 22 maart 2023 (met vier bijlagen)
4. mijn brief van 6 april 2023
5. uw brief van 29 april 2023 (met drie bijlagen)
6. mijn brief van 16 juni 2023
7. mijn brief van 14 augustus 2023
8. mijn brief van 10 oktober 2023
9. uw brief van 17 oktober 2023 (met vier bijlagen) die ik als bezwaarschrift heb aangemerkt
10. de aanslag inkomstenbelasting 2020
Deze stukken zijn bij u bekend, zodat ik geen reden zie ze nogmaals aan u te sturen. Daarnaast heb ik twee artikelen in mijn dossier die afkomstig zijn van het internet. Omdat die stukken wellicht niet bij u bekend waren, heb ik ze als bijlage bij deze e-mail gevoegd.
(…)”
2.13.
Tot de gedingstukken behoort een “Verslag van het hoorgesprek op 22 januari 2024”. Dit verslag vermeldt onder andere:
“(…)
Het bezwaar tegen de brief van 14 augustus 2023
Voor het jaar 2019 richt het bezwaar zich tegen de brief van 14 augustus 2023. In die brief
staat dat u in 2019 nog niet hebt voldaan aan alle voorwaarden om de activiteiten als bron te kunnen merken. Dat is volgens u een beslissing die voor bezwaar vatbaar is.
(…)”
2.14.
Bij brief met dagtekening 20 februari 2024 getiteld “Beslissing over uw bezwaar tegen de brief van 14 augustus 2023 over de inkomensheffing 2019” heeft de Inspecteur belanghebbende geïnformeerd dat geen bezwaar mogelijk is tegen de brief van 14 augustus 2023. In de brief is, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende vermeld:
“(…)
De brief van 14 augustus 2023 bevat geen beslissing(en) waarvan een bepaling in een belastingwet aangeeft dat het een voor bezwaar vatbare beschikking is. Daarom is deze brief geen besluit waartegen bezwaar open staat. Zodoende kan ook niet rechtsgeldig bezwaar tegen de brief worden ingediend. Ik neem uw brief dan ook niet als bezwaar in behandeling. (…)”.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“10. In geschil is of de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 naar een juist bedrag is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de onderneming voor de inkomstenbelasting als bron van inkomen moet worden aangemerkt. Daarnaast is in geschil of verweerder het bezwaar tegen de brief van 14 augustus 2023 terecht niet in behandeling heeft genomen.
11. Over laatstgenoemd geschilpunt oordeelt de rechtbank als volgt. In het belastingrecht geldt het zogenoemde gesloten stelsel van rechtsbescherming. Dat betekent dat alleen bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld tegen belastingaanslagen en tegen beslissingen die in de belastingwetgeving zijn aangemerkt als voor bezwaar vatbaar.[1] Een brief waarin een voornemen kenbaar wordt gemaakt om af te wijken van de aangifte is in de belastingwetgeving niet aangemerkt als voor bezwaar en beroep vatbaar. Dit betekent dat tegen de brief van 14 augustus 2023 geen bezwaar kon worden gemaakt. Dat eiseres uit de zin “Als u het niet eens bent met de afwijking op de aangifte, dan kunt u een bezwaarschrift indienen” heeft opgemaakt dat tegen de brief wél bezwaar kon worden gemaakt, kan er niet toe leiden dat het gesloten stelsel van rechtsbescherming wordt doorbroken. Verweerder heeft het bezwaar tegen de brief van 14 augustus 2023 dan ook terecht niet als bezwaar in behandeling genomen.
12. Het in de brief van 14 augustus 2023 opgenomen voornemen is geformaliseerd in de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020. Het tegen die aanslag gemaakte bezwaar is door verweerder wél in behandeling genomen. Eiseres is door het niet in behandeling nemen van haar bezwaar tegen de brief van 14 augustus 2023 dan ook niet in haar belangen geschaad. Het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2020 is afgewezen omdat volgens verweerder niet langer sprake is van een bron van inkomen.
13. Volgens vaste jurisprudentie worden als uitgangspunt de volgende drie algemene voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen en de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald. Niet in geschil is dat eiseres met haar activiteiten heeft deelgenomen aan het economische verkeer en dat zij daarmee voordeel beoogde te behalen. Tussen partijen is enkel in geschil of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting.
14. De vraag of sprake is van een bron van inkomen dient voor ieder jaar afzonderlijk te worden beantwoord. Of in een bepaald jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen.[2]
15. Omdat eiseres in 2020 de negatieve resultaten uit een bron van inkomen in aanmerking wil nemen, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat zij feiten en omstandigheden dient te stellen en bij betwisting aannemelijk dient te maken op grond waarvan zij in 2020, objectief bezien, positieve opbrengsten kon verwachten met de activiteiten van de onderneming. De rechtbank ziet in de aard van de onderneming geen aanleiding om tot een andere bewijslastverdeling te komen. De ondernemingsactiviteiten van eiseres hebben een innovatief karakter; zij zijn niet reeds naar hun aard zakelijk met daaraan verbonden normale winstkansen. De verwijzing naar een uitspraak van gerechtshof Amsterdam van 18 december 1999[3] kan eiseres daarom niet baten. Ook de omstandigheid dat verweerder de activiteiten (en daarmee de verliezen) van eiseres tot en met het belastingjaar 2019 als bron van inkomen heeft geaccepteerd, brengt niet mee dat op verweerder de bewijslast rust.
16. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd. Vast staat dat met de onderneming vanaf de start in 2017 tot op heden (nog) geen positieve resultaten zijn behaald. Hoewel in alle jaren wel enige omzet is behaald, hebben de kosten de omzet steeds in aanzienlijke mate overtroffen. Dat in de eerste jaren van de onderneming bepaalde investeringen zijn gedaan die in latere jaren niet meer terugkomen, doet hier niet aan af. Eiseres heeft een in 2016 opgesteld ondernemingsplan en prognoses overgelegd. Tevens heeft zij gewezen op de publicatie van haar boek, op de uitbraak van het corona-virus en op het S-Curve Innovation Model waarmee de levenscyclus van innovaties wordt beschreven en voorspeld. In het ondernemingsplan en de prognoses worden positieve verwachtingen uitgesproken, maar deze verwachtingen zijn niet voldoende geconcretiseerd of onderbouwd. Ook de positieve gevolgen van de publicatie van haar boek zijn door eiseres niet geconcretiseerd. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de coronapandemie en de daarmee gepaard gaande beperkende maatregelen hun weerslag hebben gehad op de activiteiten van eiseres. Daarmee is echter niet onderbouwd dat zonder de uitbraak van het corona-virus een positief resultaat verwacht kon worden. Evenmin wordt door eiseres aannemelijk gemaakt dat de onderneming de in het S-curve Innovation Model geschetste ontwikkeling zal doormaken. De enkele omstandigheid dat de onderneming ziet op een innovatieve methode is daartoe niet toereikend. Eiseres heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt – beoordeeld naar de situatie in het jaar 2020 en mede in het licht van feiten en omstandigheden uit eerdere en latere jaren – dat voor het onderhavige jaar met de werkzaamheden een positieve opbrengst was te verwachten.
17. Nu eiseres de objectieve voordeelsverwachting voor 2020 niet aannemelijk heeft gemaakt heeft verweerder de onderneming terecht niet langer als bron van inkomen aangemerkt en is het met de onderneming behaalde resultaat bij de aanslagoplegging terecht buiten beschouwing gelaten. Dat verweerder daarbij vooringenomen heeft gehandeld blijkt niet uit het dossier. Naar het oordeel van de rechtbank is ook overigens niet gebleken dat verweerder in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld.
18. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht is gesteld noch gebleken.
19. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft is de aanslag IB/PVV 2020 niet naar een te hoog bedrag vastgesteld. De rechtbank heeft het beroep daarom ongegrond verklaard.
20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)
[1] Artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
[2] Vgl. Hoge Raad ECLI:NL:HR:2011:BP5707.

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of:
a. a) de Inspecteur het bezwaar tegen de brief van 14 augustus 2023 terecht niet in behandeling heeft genomen;
b) de hoorplicht is geschonden;
c) het inzagerecht is geschonden;
d) de Inspecteur bij de vaststelling van de aanslag terecht het verlies uit [eenmanszaak] niet in aanmerking heeft genomen, meer specifiek is in geschil of [eenmanszaak] een bron van inkomen vormt;
e) sprake is van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur;
f) sprake is geweest van vooringenomenheid van de Rechtbank bij de beoordeling van belanghebbendes zaak.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.746 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.935. Voorts verzoekt belanghebbende om toekenning van een proceskostenvergoeding en een schadevergoeding en vergoeding van griffierechten.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Het bezwaar tegen de brief van 14 augustus 2023
5.1.
Belanghebbende stelt ook in hoger beroep dat haar bezwaar tegen de brief van 14 augustus 2023 ten onrechte niet in behandeling is genomen door de Inspecteur. Volgens belanghebbende bevat de brief van 14 augustus 2023 zes besluiten, te weten “het besluit het standpunt [dat [eenmanszaak] geen bron van inkomen is;
Hof] te handhaven, het besluit dat mijn onderneming [ [eenmanszaak] ;
Hof] staakt per 31-12-2019, het besluit dat de activa tegen boekwaarde over gaan, het besluit dat vanaf 2020 mijn activiteiten fiscaal staken, het besluit niet af te wijken van de Aangifte 2019 en het besluit wel af te wijken van de Aangifte 2020.”. Door het bezwaar tegen de brief niet-ontvankelijk te verklaren is het recht op een hoorgesprek ten aanzien van dit deelbezwaar aan belanghebbende ontzegd zodat de hoorplicht is geschonden. Belanghebbende is van mening dat het bezwaar tegen de brief ontvankelijk moet worden verklaard. Dit heeft tot gevolg dat de door de Inspecteur gegeven ‘verdagingsbeschikkingen’ onrechtmatig zijn en dat een dwangsom is verschuldigd.
5.2.1.
In artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen eerst bezwaar dient te maken. In artikel 26, lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is bepaald dat tegen een ingevolge de belastingdienst genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld indien het betreft een aanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel 26, lid 1, Awr, in verbinding met artikel 7:1 Awb heeft tot gevolg dat het recht van bezwaar slechts openstaat tegen aanslagen en voor bezwaar vatbare beschikking. Er is hierdoor sprake van een zogenoemd ‘gesloten stelsel van rechtsbescherming’. Daarbij geldt dat een beschikking alleen ‘een voor bezwaar vatbare beschikking’ is als die beschikking in een belastingwet ook als zodanig is aangemerkt (vgl. HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:505, BNB 2018/116, r.o. 2.3.5). Als de brief van 14 augustus 2023, dan wel de daarin opgenomen beslissingen, al zou moeten worden aangemerkt als beschikking in de zin van artikel 1:3, lid 2, in verbinding met artikel 1:3, lid 1, Awb dan geldt dat die beschikking niet in de wet is aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking zodat daartegen geen bezwaar of beroep openstaat. Bij brief van 20 februari 2024 heeft de Inspecteur belanghebbende meegedeeld dat hij het bezwaar van belanghebbende tegen de brief van 14 augustus 2023 niet in behandeling zal nemen (zie 2.14). Het Hof begrijpt dit aldus dat de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Deze niet-ontvankelijkverklaring is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen terecht.
5.2.2.
Het voorgaande brengt mee dat de Rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de brief van 14 augustus 2023 ongegrond had behoren te verklaren, hetgeen de Rechtbank niet heeft gedaan. Tot gegrondverklaring van het hoger beroep kan dit niet leiden, omdat ook een ongegrondverklaring van het beroep in de weg staat aan een inhoudelijk oordeel over het bezwaar tegen brief van 14 augustus 2023, zodat met een vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank op deze grond geen redelijk belang zou zijn gediend (vgl. HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1033, BNB 2022/120).
5.3.1.
Dat de brief van 14 augustus 2023 vermeldt “Als u het niet eens bent met de afwijking op de aangifte, dan kunt u een bezwaarschrift indienen” (zie 2.9), maakt niet dat de brief moet worden aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking, zoals belanghebbende stelt. Deze zin kan namelijk, gelezen in de context van de onmiddellijk daaraan voorafgaande en de onmiddellijk daaropvolgende zinnen, redelijkerwijs niet anders begrepen worden dan dat bezwaar gemaakt kan worden tegen de over enige tijd vanuit het Computercentrum in Apeldoorn te verzenden aanslag.
5.3.2.
Anders dan belanghebbende stelt, leidt het Hof uit de zin “Als u het niet eens bent met de afwijking op de aangifte, dan kunt u een bezwaarschrift indienen” – gelezen in de context beschreven in 5.3.1 – niet af dat daarmee vertrouwen is gewekt dat tegen de brief zelf bezwaar kan worden gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat uit andere gedragingen of uitlatingen van de Inspecteur kan worden afgeleid dat dit vertrouwen is gewekt, nog daargelaten het antwoord op de vraag of zodanig vertrouwen wel betrekking zou hebben op de uitoefening van diens bevoegdheden.
5.4.1.
Voor zover belanghebbende stelt dat haar bezwaar tegen de brief van 14 augustus 2023 op grond van artikel 6:10 Awb moet worden aangemerkt als prematuur bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2021 kan zij niet worden gevolgd.
5.4.2.
Artikel 6:10 Awb ziet op de ontvankelijkheid van een te vroeg (“prematuur”) ingediend bezwaar of beroep. Dit artikel bepaalt, voor zover hier van belang, dat ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien het besluit ten tijde van de indiening reeds tot stand was gekomen, of nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.
5.4.3.
Nu het Hof van oordeel is dat de brief van 14 augustus 2023 geen voor bezwaar vatbare beschikking is, staat daartegen geen bezwaar open, en kan er dus ook geen prematuur bezwaar worden gemaakt waarop artikel 6:10 Awb ziet. Voor een geslaagd beroep op deze bepaling ten aanzien van het jaar 2021 is nodig dat de aanslag IB/PVV 2021 op het moment waarop belanghebbende bezwaar maakte tegen de brief van 14 augustus 2023 reeds tot stand was gekomen, dan wel, als dat niet het geval is, dat belanghebbende redelijkerwijs kon menen dat dat het geval was. Tot de gedingstukken behoort een brief van 4 maart 2025 waarin de Inspecteur aan belanghebbende aankondigt dat hij bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2021 zal afwijken van de door haar ingediende aangifte, die volgens belanghebbende is ingediend op 23 augustus 2023. Die aanslag was op 4 maart 2025, en dus ook ten tijde van het bezwaar tegen de brief van 14 augustus 2023, derhalve nog niet tot stand gekomen. Feiten en omstandigheden op grond waarvan belanghebbende redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was zijn gesteld nog gebleken. Het beroep op artikel 6:10 Awb faalt derhalve.
De hoorplicht
5.5.1.
Nu het Hof van oordeel is dat de brief van 14 augustus 2023 geen voor bezwaar vatbare beschikking is staat daartegen geen bezwaar open, en kan in zoverre dus ook geen sprake zijn van schending van de hoorplicht. Het bezwaar was daardoor immers kennelijk niet-ontvankelijk, zodat op grond van artikel 7:3, aanhef en letter a, Awb van het horen kon worden afgezien.
5.5.2.
Voor zover belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag geldt dat op 22 januari 2024 een hoorgesprek heeft plaats gehad tussen belanghebbende, haar bijstandverlener en de Inspecteur. In zoverre is dus evenmin sprake van schending van de hoorplicht.
Inzagerecht
5.6.1.
Belanghebbende stelt dat haar inzagerecht, zoals bedoeld in artikel 7:4, lid 2, Awb, is geschonden omdat zij voorafgaand aan het horen geen inzage heeft gekregen in het dossier. De Inspecteur heeft volstaan met het toesturen van een lijst met de bij hem in het dossier aanwezige stukken (zie 2.12). Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat zij het dossier nog heeft aangevuld door een aantal e-mails toe te sturen aan de Inspecteur.
5.6.2.
Op grond van artikel 7:4, lid 2, Awb moet de Inspecteur de op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het hoorgesprek ter inzage leggen. Dit geldt ook voor stukken die bij de belanghebbende bekend zijn. De omstandigheid dat de belanghebbende zelf beschikt over stukken kan wel van belang zijn bij de beantwoording van de vraag welke gevolgtrekking de rechter maakt indien de inspecteur die stukken niet overlegt (vgl. HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1319, BNB 2018/170). De Inspecteur is niet ontslagen van de verplichting om stukken ter inzage te leggen als het hoorgesprek per videoverbinding plaatsvindt.
5.6.3.
Uit het dossier volgt dat de zaakstukken, met uitzondering van de twee artikelen van internet die de Inspecteur aan belanghebbende heeft toegestuurd, niet voorafgaand aan het geplande hoorgesprek ter inzage zijn gelegd. Het Hof stelt dan ook vast dat het inzagerecht is geschonden. Het Hof stelt tevens vast dat belanghebbende ook in de procedure bij de Rechtbank had geklaagd over schending van het inzagerecht, maar dat de Rechtbank blijkens haar uitspraak die klacht niet heeft beoordeeld. De klacht over het inzagerecht treft in zoverre doel.
5.6.4.
Belanghebbende heeft niet weersproken dat de genoemde stukken op de door de Inspecteur toegestuurde lijst bekend waren bij haar. Voor zover moet worden aangenomen dat belanghebbende nog e-mails heeft toegestuurd aan de Inspecteur geldt dat deze ook bekend waren bij belanghebbende. Verder geldt dat belanghebbende niet heeft onderbouwd op welke wijze zij in haar verdedigingsbelang is geschaad. Gesteld noch gebleken is dat een andere uitkomst van de besluitvorming in de bezwaarfase mogelijk was geweest als het inzagerecht niet zou zijn geschonden, in die zin dat de Inspecteur zonder schending tot een andere uitspraak op bezwaar zou zijn gekomen (vgl. HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106). Het Hof is daarom van oordeel dat belanghebbende door het achterwege laten van de inzage niet in haar belangen is geschaad. Het Hof gaat dan ook met toepassing van artikel 6:22 Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb aan deze schending van artikel 7:4 Awb voorbij.
Dwangsom
5.7.
De stelling van belanghebbende dat de Inspecteur een dwangsom verschuldigd zou zijn (zie 5.1), faalt alleen al om het feit dat belanghebbende de Inspecteur niet in gebreke heeft gesteld.
De belastingheffing over de jaren 2019, 2021 en 2022
5.8.1.
Belanghebbende heeft het Hof verzocht om (ook) voor de jaren 2019, 2021 en 2022 te oordelen dat [eenmanszaak] een bron van inkomen vormt.
5.8.2.
De belastingheffing over de jaren 2019, 2021 en 2022 kan in deze zaak niet aan de orde komen. Daarvoor dient belanghebbende afzonderlijk tegen de aanslagen IB/PVV 2019, 2021 en 2022 bezwaar en beroep in te stellen. Het Hof kan dus alleen beoordelen of [eenmanszaak] in 2020 een bron van inkomen vormt en of de resultaten van dat jaar in aanmerking genomen kunnen worden. Voor het jaar 2019 geldt overigens, naar het Hof begrijpt, dat de Inspecteur de aanslag heeft vastgesteld in overeenstemming met de door belanghebbende ingediende aangifte.
Bron van inkomen
5.9.
Werkzaamheden vormen een bron van inkomen als aan drie vereisten is voldaan. Er dient sprake te zijn van deelname aan het economische verkeer, de belastingplichtige dient met de werkzaamheden het behalen van voordeel te beogen (subjectieve voordeelsverwachting) en het behalen van dat voordeel dient naar objectieve maatstaven in redelijkheid te verwachten te zijn (objectieve voordeelsverwachting). Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende met [eenmanszaak] deelneemt aan het economische verkeer en dat zij daarmee voordeel beoogt. Tussen partijen is slechts in geschil of in het onderhavige jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting.
Bewijslast
5.10.
Belanghebbende stelt dat de Inspecteur de bewijslast heeft en zijn stelling dat [eenmanszaak] geen bron van inkomen vormt, moet bewijzen. Daarbij geldt tevens een verzwaring van de bewijslast zodat de Inspecteur overtuigend moet aantonen dat geen sprake is van een bron van inkomen omdat de activiteiten van [eenmanszaak] naar hun aard een onderneming vormen, aldus belanghebbende.
5.11.
De belastingrechter dient tot een redelijke verdeling van de bewijslast te komen. Als hoofdregel heeft daarbij te gelden dat een partij de stelplicht en bewijslast draagt ter zake van de feiten en omstandigheden waaraan het recht de door haar ingeroepen gevolgen verbindt (zie HR 26 mei 1954, ECLI:NL:HR:1954:AY2893, BNB 1954/235; vgl. HR 24 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3392, BNB 2000/10, r.o. 3.4). Dat betekent in het algemeen dat de inspecteur de bewijslast heeft van feiten die de belastingschuld verhogen en de belastingplichtige van feiten die de belastingschuld verminderen (zie bijvoorbeeld HR 21 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:AW2753, BNB 1990/59 en HR 14 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4444, BNB 1991/34).
5.12.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank in dit geval terecht de bewijslast voor het bestaan van een objectieve voordeelsverwachting, en daarmee het bestaan van een bron van inkomen, op belanghebbende gelegd, aangezien belanghebbende in haar aangifte een verlies uit onderneming in aftrek wil brengen op haar inkomen uit werk en woning. Het bestaan van een bron van inkomen is een voorwaarde om het resultaat van [eenmanszaak] bij het bepalen van het inkomen uit werk en woning als verlies uit onderneming in aanmerking te kunnen nemen, zoals belanghebbende wenst.
Objectieve voordeelsverwachting
5.13.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient in het kader van de objectieve voordeelsverwachting te worden onderzocht of van de activiteiten van belanghebbende redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij, zij het in de toekomst, positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren of voorzienbaar blijvend verlieslatend zijn (HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6821).
5.14.
Of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting dient in beginsel beoordeeld te worden op basis van alle relevante feiten en omstandigheden van het desbetreffende jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter een licht werpen op de vraag of in het desbetreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting (HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707, BNB 2011/246).
5.15.
Er is sprake is van een objectieve voordeelsverwachting wanneer met de uitgevoerde activiteiten naar maatschappelijke opvatting redelijkerwijs voordeel kan worden verwacht (HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2390).
5.16.1.
Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aan haar bewijslast voldaan. Vast staat dat het resultaat van [eenmanszaak] in 2020 negatief was. Ook de resultaten in de drie daaraan voorafgaande en de drie daaropvolgende jaren waren negatief. Hoewel de omzet vanaf 2019 een stijgende lijn heeft getoond, hebben de kosten de omzet in aanzienlijke mate overtroffen. Sprake is dan ook van een structurele verliessituatie.
5.16.2.
Belanghebbende heeft in haar bedrijfsplan en in verschillende toelichtingen aan de Inspecteur uitgelegd wat het (opbrengst)potentieel van [eenmanszaak] is. Zo heeft zij bijvoorbeeld toegelicht dat de [naam methode] de mogelijkheid biedt tot behandeling van cliënten met verschillende klachten aan de hand van losstaande therapeutische sessies of meerdaagse trajecten, hoeveel sessies zij kan faciliteren en welke opbrengst daarmee verwacht kan worden. Ook heeft zij aangegeven dat de mogelijkheid bestaat inkomsten te genereren met het geven van opleidingen aan derden om de [naam methode] toe te passen en met het verstrekken van licenties. Belanghebbende heeft echter niet toegelicht op welke wijze zij dit (opbrengst)potentieel werkelijkheid wil laten worden. Zij heeft bijvoorbeeld niet aangegeven of en op welke wijze zij acquisitie heeft gedaan om te bewerkstelligen dat behandelsessies met de [naam methode] kunnen plaatsvinden. Hoewel belanghebbende vermeldt dat zij het jaar 2019 heeft gebruikt om door middel van waarnemingen kennis te maken met tandheelkundige centra om te onderzoeken of zij daarmee de [naam methode] kan exploiteren, is niet concreet gemaakt welke en hoeveel tandheelkundige centra zij heeft benaderd. Ook heeft belanghebbende niet concreet gemaakt op welke wijze zij de [naam methode] bij haar doelgroep kenbaar maakt of wil maken. Het enkele feit dat belanghebbende de [naam methode] als merk heeft laten registreren, heeft niet tot gevolg dat op grond daarvan een redelijke verwachting op opbrengsten kan worden aangenomen. Daarvoor is immers van belang dat de methode kenbaar wordt gemaakt bij de potentiële doelgroep. Hoewel belanghebbende stelt dat zowel vanuit de tandheelkundige wereld als vanuit de wereld van paardencoaches belangstelling is getoond voor de [naam methode] is ook dit niet concreet gemaakt. Met betrekking tot het boek dat belanghebbende in het onderhavige jaar heeft geschreven en dat door uitgeverij [Uitgeverij] is uitgegeven heeft zij niet onderbouwd in hoeverre dit, anders dan door niet geconcretiseerde verwachte verkoopopbrengsten, kan bijdragen aan de vergroting van de omzet van [eenmanszaak] .
5.16.3.
Dat in de periode voor de verkoop van de praktijk de opbrengsten van behandelingen volgens de [naam methode] ook waar deze feitelijk binnen [eenmanszaak] zijn uitgevoerd, in [A B.V.] zijn verantwoord maakt het oordeel niet anders, omdat niet is geconcretiseerd om hoeveel opbrengst dit gaat.
5.16.4.
Belanghebbende voert aan dat in het najaar van 2023 een traject is geannuleerd wegens mondiale omstandigheden en dat de opbrengst in dat jaar € 11.821 hoger had kunnen zijn als dit traject niet zou zijn geannuleerd. Deze omstandigheid leidt er niet toe dat sprake is van een objectieve voordeelsverwachting, omdat ook met die omzet in 2023 op basis van het door belanghebbende zelf geprognotiseerde – niet onderbouwde - kostenniveau van € 50.000 per jaar nog steeds sprake zou zijn van een verlies. Ter zitting heeft de Inspecteur meegedeeld dat in de aangifte IB/PVV 2023 met betrekking tot [eenmanszaak] een omzet van € 25.879 en een resultaat van negatief € 6.046 is vermeld. Dit verlies is kleiner dan de verliezen in voorgaande jaren. Volgens belanghebbende vindt dit zijn oorzaak in een lager kostenniveau dan waarvan aanvankelijk werd uitgegaan, omdat bepaalde activiteiten, zoals het opleiden van therapeuten, niet meer plaatsvinden. Van deze koerswijziging is gesteld noch gebleken dat die in 2020 al voorzienbaar was, zodat die daarom niet kan bijdragen aan het bestaan van een objectieve voordeelsverwachting in 2020.
5.16.5.
Belanghebbende heeft in haar hogerberoepschrift een “indicatief opbrengsten scenario” opgenomen voor de jaren 2023 tot en met 2026. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat de daarin opgenomen opbrengsten uit “Omzet via derden en overig” niet (meer) aan de orde zijn. Belanghebbende heeft toegelicht dat bij de aanvang van [eenmanszaak] er zorginstellingen waren die een samenwerking wilden aangaan, maar dat deze samenwerkingen niet van de grond zijn gekomen. Hetzelfde geldt voor de opgenomen opbrengsten uit “Licentieopbrengsten en opleidingen”. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat zij in de genoemde jaren (nog) geen licenties verstrekt en ook geen opleidingen verzorgt.
5.16.6.
Zoals belanghebbende zelf aanvoert, kost het veel tijd en geld om de paarden geschikt te maken voor de exploitatie van de [naam methode] . Zonder concrete plannen om het (opbrengst)potentieel te bewerkstelligen, kan niet in redelijkheid verwacht worden dat de omzet de kosten die daarmee gepaard gaan (blijvend) zullen overtreffen. Dat het nu “stukken beter gaat” met de onderneming, zoals belanghebbende ter zitting heeft verklaard, is niet concreet gemaakt aan de hand van omzet-en kostencijfers die deze verklaring ondersteunen.
5.16.7.
Anders dan belanghebbende meent vormt het houden van acht paarden, vier pony’s, vijf ezels en diverse honden niet naar zijn aard een onderneming en kan dit niet leiden tot de veronderstelling dat sprake is van een objectieve voordeelsverwachting. Het houden van die dieren kan immers zowel in de privésfeer als in de ondernemingssfeer plaatsvinden.
5.16.8.
Het feit dat [eenmanszaak] een Nederlandse grootte-eenheid (NGE) heeft van 50,41 betekent niet dat de activiteiten daarom zijn aan te merken als bedrijfsmatig en dat sprake is van een objectieve voordeelsverwachting. De NGE-norm is bedoeld om een weergave te geven van de omvang van een agrarisch bedrijf, en niet om het uit een individueel agrarisch bedrijf daadwerkelijk te genereren inkomen vast te stellen, nog daargelaten dat [eenmanszaak] geen agrarisch bedrijf is, maar is gericht op therapeutische behandeltrajecten met behulp van dieren.
5.16.9.
Belanghebbende wijst verder nog op het S-curve innovatiemodel. Dit model schetst in hoofdlijnen dat elke innovatie in aanvang onder de verwachtingen presteert en daarna een kritisch punt bereikt en een sterke groei meemaakt, die vervolgens afvlakt. Belanghebbende voert aan dat zij in de eerste fase (ontwikkelings- en introductiefase) van de S-curve zit zodat het logisch is dat sprake is van negatieve resultaten. Zoals hiervoor onder 5.16.2 is overwogen, is bij de beoordeling of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting van belang welke concrete aanknopingspunten er zijn om het opbrengstpotentieel waar te maken. Het bestaan van het S-curve innovatiemodel en belanghebbendes plek daarin, wat daar ook van zij, is niet zo’n concreet aanknopingspunt.
5.16.10.
Dat in de jaren 2020 tot en met 2022 sprake was van de Coronapandemie waardoor verminderde activiteiten konden worden ontplooid en, zoals belanghebbende stelt, verminderde opbrengsten konden worden gerealiseerd, leidt niet tot een andersluidend oordeel. Zoals de Inspecteur ter zitting onweersproken heeft gesteld, wordt ook in de jaren na de Coronapandemie de lijn van negatieve resultaten voortgezet.
5.16.11.
Het Hof komt dan alles overziend tot de conclusie dat belanghebbendes positieve verwachting ten aanzien van het te behalen voordeel objectief bezien niet gerechtvaardigd is. Dat oordeel brengt mee dat [eenmanszaak] niet kan worden aangemerkt als een bron van inkomen. De verliezen uit [eenmanszaak] dienen daarom buiten beschouwing gelaten te worden bij de bepaling van het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2020.
Vertrouwensbeginsel
5.17.
Voor zover belanghebbende stelt dat de Inspecteur door de mededeling in de brief van 2 maart 2023 (en een brief van 16 juni 2023) dat hij de aangifte IB/PVV 2019 zou volgen het vertrouwen heeft gewekt dat [eenmanszaak] ook in het jaar 2020 moet worden aangemerkt als bron van inkomen kan zij niet worden gevolgd. Immers, in diezelfde brief (en ook in de hiervoor genoemde brief van 16 juni 2023 en die van 14 augustus 2023) licht de Inspecteur toe dat en waarom hij [eenmanszaak] met ingang van 2020 niet meer als bron van inkomen zal accepteren.
Vooringenomenheid Rechtbank
5.18.
Belanghebbende is van mening dat de rechter van de Rechtbank die haar zaak heeft behandeld vooringenomen was. Het Hof stelt voorop dat als belanghebbende twijfel had over de onpartijdigheid van de rechter bij de Rechtbank, zij een wrakingsverzoek had kunnen indienen tot het moment waarop uitspraak werd gedaan. Dat heeft belanghebbende niet gedaan. Het Hof heeft de zaak integraal opnieuw beoordeeld. Daarbij heeft het Hof geen aanwijzingen aangetroffen dat de rechter van de Rechtbank bij het nemen van de beslissing vooringenomen was.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
5.19.
Dat de Inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het
bijzonder het verbod op vooringenomenheid, het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het fair play-beginsel heeft gehandeld is het Hof niet gebleken. Het dossier biedt daartoe geen aanknopingspunten.
Slotsom
5.20.
Het hoger beroep is ongegrond.
Schadevergoeding
5.21.1.
Belanghebbende heeft in hoger beroep een verzoek om schadevergoeding gedaan. Op grond van artikel 8:73, lid 1, Awb (oud) heeft belanghebbende alleen recht op schadevergoeding als het (hoger) beroep gegrond wordt verklaard. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd leidt echter niet tot de conclusie dat sprake is van een gegrond hoger beroep zodat geen recht bestaat op schadevergoeding.
15.21.2.
Voor zover belanghebbende stelt dat de handelwijze van de Inspecteur leidt tot een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek die een recht op toekenning van een schadevergoeding doet ontstaan, geldt dat niet de belastingrechter, maar uitsluitend de civiele rechter bevoegd is om een oordeel te geven over de vraag of sprake is van een onrechtmatige daad.

Proceskosten en griffierecht

6.1.
Aangezien gesteld noch gebleken is dat belanghebbende proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb heeft gemaakt, ziet het Hof geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.
6.2.
Wel dient aan belanghebbende het voor de procedure in beroep en hoger beroep verschuldigde griffierecht van in totaal € 193 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank; en
  • gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het voor beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 193 vergoedt.
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, Chr.Th.P.M. Zandhuis en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.
De griffier, de voorzitter,
R. Wijkstra M.J.M. van der Weijden
De beslissing is op 29 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.