De zaak betreft een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag over de WOZ-waarde van een woning en de afwijzing van een verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank had geoordeeld dat de WOZ-waarde van €507.000 niet te hoog was vastgesteld en dat geen schending van de toezendplicht van informatie had plaatsgevonden. Tevens wees de rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade af, omdat de redelijke termijn slechts met negen dagen was overschreden en de vergoeding aan de gemachtigde zou toekomen.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de toezendplicht was geschonden en dat hij recht had op vergoeding van immateriële schade. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar geen gebruik maakt van KOUDV- en liggingsfactoren en dat deze gegevens daarom niet konden worden verstrekt, waardoor geen schending van de toezendplicht is. Wel stelde het hof vast dat de redelijke termijn met minder dan zes maanden was overschreden, wat recht geeft op een vergoeding van €500. De rechtbank had ten onrechte de vergoeding afgewezen vanwege de overdracht aan de gemachtigde. Het hof veroordeelde de Staat tot betaling van deze vergoeding en tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.