ECLI:NL:GHDHA:2024:2108
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake relativiteitsvereiste bij WOZ-waarde huurder woning
Belanghebbende, huurder van een woning, stelde beroep in tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn gehuurde woning voor het jaar 2022. De heffingsambtenaar stelde de waarde vast op €396.000 en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een direct financieel belang had bij verlaging van de WOZ-waarde, zoals vereist op grond van artikel 8:69a Awb.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat het relativiteitsvereiste niet van toepassing is op hem als belanghebbende en dat hij wel degelijk belang heeft bij een lagere WOZ-waarde, onder meer omdat de huurprijs volgens het waardepuntensysteem wordt bepaald. Het hof verwees naar recente jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin is bevestigd dat eenieder aan wie een WOZ-beschikking is bekendgemaakt een belang heeft, maar dat een uitzondering geldt indien vaststaat dat een wijziging van de WOZ-waarde de gebruiker niet in een gunstiger positie kan brengen.
Het hof concludeerde dat belanghebbende onvoldoende stukken had overgelegd om aannemelijk te maken dat hij een direct financieel belang heeft, en dat het beroep daarom ongegrond is. Tevens oordeelde het hof dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, maar dat dit niet tot een andere uitkomst leidt. De proceskostenveroordeling werd afgewezen. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard omdat belanghebbende geen direct financieel belang heeft bij verlaging van de WOZ-waarde.