ECLI:NL:HR:2020:467
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Huurder heeft procesbelang bij op zijn naam gestelde WOZ-beschikking
Belanghebbende, huurder van een woning die via een besloten vennootschap aan hem ter beschikking is gesteld, ontving een WOZ-beschikking op zijn naam. Hij maakte bezwaar tegen deze beschikking, maar dit bezwaar werd door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang. De Rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat de WOZ-waarde geen basis vormt voor gemeentelijke heffingen aan belanghebbende en dat de bijtelling voor de inkomstenbelasting niet op een wettelijke grondslag berust.
De Hoge Raad heeft dit oordeel vernietigd. Uit de Awb volgt dat belanghebbende degene is wiens belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken, en dat dit in beginsel de geadresseerde van het besluit is. Artikel 24, lid 3, Wet WOZ verplicht de heffingsambtenaar om ook de gebruiker van een onroerende zaak een beschikking toe te zenden, maar niet noodzakelijkerwijs een beschikking ten aanzien van die gebruiker te nemen indien deze geen belang heeft.
De Hoge Raad bevestigt dat degene aan wie een WOZ-beschikking is bekendgemaakt een belang heeft bij die beschikking. Daarom had het bezwaar van belanghebbende niet niet-ontvankelijk verklaard mogen worden. De uitspraak op verzet wordt vernietigd en de Rechtbank moet het onderzoek voortzetten. Het College van B&W wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de huurder een procesbelang heeft bij de op zijn naam gestelde WOZ-beschikking en vernietigt de uitspraak die het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde.