Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2734

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
24/590 en 24/591
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 AWRArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen navorderingsaanslag en bron van inkomen bij handel in auto’s

Belanghebbende startte in 2011 een onderneming in de handel in auto’s, maar behaalde in de jaren 2011 tot en met 2017 steeds negatieve resultaten. Voor de jaren 2016 en 2017 legde de Inspecteur navorderingsaanslagen en aanslagen IB/PVV op, waarbij werd betwist of de activiteiten een bron van inkomen vormden.

De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het Gerechtshof oordeelt dat de Inspecteur ambtelijk verzuim heeft begaan door de aangifte 2016 niet te vergelijken met eerdere jaren en geen nader onderzoek te doen. Hierdoor is de navorderingsaanslag 2016 niet in stand te houden. Tevens is vastgesteld dat geen objectieve voordeelverwachting bestond, zodat de activiteiten geen bron van inkomen vormden in 2016 en 2017.

Het Hof wijst het beroep tegen de aanslag 2017 af en bevestigt dat de Inspecteur voldoende heeft gemotiveerd en geen beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden. De proceskostenvergoeding wordt verhoogd en het griffierecht wordt aan belanghebbende vergoed.

Uitkomst: Navorderingsaanslag 2016 vernietigd wegens ambtelijk verzuim; activiteiten vormen geen bron van inkomen in 2016 en 2017; beroep tegen aanslag 2017 ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
nummers BK-ARN 24/590 en 24/591
uitspraakdatum: 21 april 2026
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 25 januari 2024, zaaknummers LEE 22/3070 en 22/3071, in het geding tussen belanghebbende en
de Inspecteur van de Belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf/kantoor Almere(hierna: de Inspecteur).

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1
Aan belanghebbende is voor het jaar 2016, met dagtekening 27 november 2021, een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.604 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 13.812. Aan belastingrente is daarbij een bedrag berekend van € 385.
1.2
Aan belanghebbende is voor het jaar 2017, met dagtekening 30 november 2021, een aanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.414 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.515. Aan belastingrente is daarbij een bedrag berekend van € 281.
1.3
Op de bezwaarschriften van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar de bestreden belastingaanslagen en beschikkingen belastingrente gehandhaafd.
1.4
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 25 januari 2024 ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 219 en de Inspecteur opgedragen het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden, tot een bedrag van € 50.
1.5
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026 te Leeuwarden. Zowel belanghebbende en zijn gemachtigde, als de Inspecteur zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

2.De vaststaande feiten

2.1
In 2011 is belanghebbende gestart met activiteiten die bestaan uit de handel in auto’s onder de naam [handelsnaam] (hierna: de activiteiten).
2.2
Belanghebbende heeft in 2016 en 2017 gewerkt in loondienst.
2.3
In de jaren 2011 tot en met 2017 heeft belanghebbende met de activiteiten steeds negatieve resultaten behaald: van € -/- 230 in 2011, € -/- 8.078 in 2012, € -/- 5.889 in 2013, € -/- 9.859 in 2014, € -/- 11.361 in 2015, € -/- 5.297 in 2016 en € -/- 5.964 in 2017. Daarbij was sprake van sterk dalende omzetten van € 97.612 in 2011 tot nihil in 2014, 2016 en 2017.
2.4
Bij brieven van 22 mei 2017 en 6 december 2017 heeft belanghebbende aan de Inspecteur verzoeken om ambtshalve vermindering gestuurd met betrekking tot de aanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2015. De reden van de verzoeken was dat bij het opleggen van de aanslagen bij het bepalen van het inkomen uit sparen en beleggen rekening is gehouden met een onroerende zaak die al in 2012 was verkocht. De desbetreffende aanslagen zijn door de Inspecteur ambtshalve verminderd conform het verzoek van belanghebbende.
2.5
Belanghebbende heeft op 29 december 2017 aangifte IB/PVV 2016 gedaan naar een verzamelinkomen van € 33.860. Dit verzamelinkomen bestaat uit de volgende elementen:
belastbare winst uit onderneming € 4.556-/-
inkomen uit dienstbetrekking € 43.912
persoonsgebonden aftrek box I
€ 19.308-/-
belastbaar inkomen uit werk en woning € 20.048
belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
€ 13.812
verzamelinkomen € 33.860
2.6
Met dagtekening 10 april 2018 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 overeenkomstig de ingediende aangifte opgelegd.
2.7
Vanuit een landelijk project (bronbeoordeling en starters) is door de Belastingdienst een query gedraaid, zijnde een opdracht aan een database met als doel belastingplichtigen te selecteren waarbij de bron onderzocht moet gaan worden. Belanghebbende is op enig moment in deze query opgenomen. De resultaten van deze query zijn op 3 augustus 2018 aan de behandelend kantoren, waaronder de Inspecteur, ter beschikking gesteld. Aan de hand van deze query heeft de Inspecteur besloten te beoordelen of er sprake is van een bron van inkomen. De automatische verwerking van de aangiften IB/PVV, waarvan de aanslag nog niet was vastgesteld, is door de Inspecteur om die reden geblokkeerd.
2.8
Belanghebbende heeft op 27 mei 2019 aangifte IB/PVV 2017 gedaan naar een verzamelinkomen van € 18.904. Dit verzamelinkomen bestaat uit de volgende elementen:
belastbare winst uit onderneming € 4.510-/-
inkomen uit dienstbetrekking € 43.733
persoonsgebonden aftrek box I
€ 1.507-/-
belastbaar inkomen uit werk en woning € 18.904
belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
€ 0
verzamelinkomen € 18.904
2.9
Bij brief van 18 juni 2021 heeft de Inspecteur verzocht om informatie te verstrekken over de activiteiten om te kunnen beoordelen of wordt voldaan aan de bronvereisten.
2.1
Bij brief van 25 juni 2021 heeft belanghebbende op het verzoek om informatie gereageerd. In zijn brief schrijft belanghebbende dat zijn vrouw in 2019 ernstig ziek is geworden en dat hij niet meer bezig is geweest met zijn bedrijf. Mede daardoor heeft hij in overleg met zijn accountant besloten om [handelsnaam] op te heffen. De uitschrijving bij de KvK heeft vanwege persoonlijke omstandigheden nog niet plaatsgevonden.
2.11
In zijn brief van 16 juli 2021 heeft de Inspecteur een brief aan belanghebbende gestuurd, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

Uit uw informatie blijkt, dat u uit hobby begonnen bent met de handel in auto's. In 2011 hebt u zich laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel. De handel liep bedrijfsmatig niet goed, er was te weinig activiteit. Dit was ook lastig naast de drukke baan bij [werkgever] . Toen uw vrouw ziek werd had u geen tijd meer voor de onderneming en na het overlijden van uw vrouw hebt u besloten de onderneming te staken.
Gezien de mij ter beschikking staande feiten en omstandigheden, kom ik tot de conclusie dat er met de activiteiten in de eenmanszaak [handelsnaam] niet wordt voldaan aan het objectieve criterium. Er is vanaf 2015 geen deelname meer aan het economisch verkeer. Gebleken is dat er geen resultaat meer valt te verwachten die ook de eerder geleden verliezen nog goedmaakt.
Omdat er vanaf het begin negatief resultaat geweest is, komt de bron van inkomen met ingang van 31 december 2015 te vervallen. (…)”.
en

Samenvatting afspraken
Hieronder volgt een samenvatting van de afspraken met betrekking tot de bron van inkomen voor de activiteiten in [handelsnaam] :
- de bron van inkomen komt met ingang van 31 december 2015 te vervallen
- met ingang van 31 december 2015 worden de activiteiten fiscaal gestaakt
- de aanwezige activa en passiva mogen hierbij tegen boekwaarde over naar privé, waardoor er geen stakingswinst ontstaat
- met ingang van 1 januari 2016 worden de resultaten uit de activiteiten niet meer meegenomen in de aangifte inkomstenbelasting
- de aangegeven negatieve belastbare winst over de jaren 2017, 2018 en 2019 wordt bij de definitieve aanslagregeling gecorrigeerd
- de aangegeven negatieve belastbare winst over 2016 wordt nagevorderd
- door de Belastingdienst wordt niet teruggekomen op het verleden
- belastingplichtige doet uitdrukkelijk afstand van het recht op bezwaar en beroep.
Afhandeling
Deze brief stuur ik u in tweevoud. Indien u het eens bent met bovenstaande afspraken, verzoek ik uéén exemplaar ondertekend aan mij te retourneren vóór 5 augustus 2021.
2.12
Belanghebbende heeft via een e-mailbericht van 27 juli 2021 aan de Inspecteur laten weten eerst overleg te willen hebben met zijn accountant voordat hij de brief ondertekend retourneert. Na herhaalde uitnodiging daartoe door de Inspecteur heeft belanghebbende uiteindelijk niet inhoudelijk op de brief van de Inspecteur van 16 juli 2021 gereageerd.
2.13
Bij brief van 12 november 2021 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat hij een navorderingsaanslag over het jaar 2016 gaat opleggen. In de brief schrijft de Inspecteur – samengevat – dat het onderzoek naar de bronbeoordeling nog loopt. Gezien de tijd die nodig is voor de administratieve verwerking van de op te leggen navorderingsaanslag, ziet de Inspecteur zich genoodzaakt om de navorderingsaanslag over het jaar 2016 ter behoud van rechten op te leggen. De Inspecteur schrijft verder dat hij de negatieve belastbare winst uit onderneming van € 4.556 zal corrigeren.
2.14
Bij brief van 12 november 2021 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat wordt afgeweken van de aangifte IB/PVV 2017. Ook hier gaat hij over tot het opleggen van een aanslag ter behoud van rechten, omdat het onderzoek naar de bronbeoordeling nog loopt. De Inspecteur deelt mee dat de negatieve belastbare winst van € 4.510 zal worden gecorrigeerd.

3.Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1
In geschil is of de Inspecteur voor het jaar 2016 de bevoegdheid tot navordering mist, of de Inspecteur voor de jaren 2016 en 2017 ten onrechte heeft beslist dat de activiteiten geen bron van inkomen vormen, of de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel, het motiveringsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel en of de Rechtbank de proceskostenvergoeding op een te laag bedrag heeft vastgesteld.
3.2
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de bestreden navorderingsaanslag voor het jaar 2016 en de daarbij gegeven beschikking belastingrente en tot vermindering van de aanslag voor het jaar 2017 overeenkomstig de ingediende aangifte en dienovereenkomstige vermindering van de bestreden beschikking belastingrente.
3.3
De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
3.4
Anders dan de gemachtigde van belanghebbende heeft verzocht, kan het Hof in de onderhavige procedure over de jaren 2016 en 2017 geen oordeel geven over belastingaanslagen IB/PVV voor andere jaren.
3.5
Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4.Beoordeling van het geschil

4.1
Belanghebbende heeft gesteld dat de activiteiten een bron van inkomen vormen.
4.2
Op belanghebbende rust de last om feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden geoordeeld dat ter zake van de activiteiten aan alle bronvoorwaarden is voldaan.
4.3
Naar de Rechtbank met juistheid heeft overwogen, is, volgens vaste rechtspraak, sprake van een bron van inkomen als aan de volgende drie algemene (bron)voorwaarden wordt voldaan: (1) deelname aan het economische verkeer, (2) het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen, en (3) de (objectieve) verwachting dat het voordeel naar maatschappelijke opvattingen redelijkerwijs kan worden verwacht. Tussen partijen is niet in geschil dat aan de eerste twee voorwaarden is voldaan. Partijen houdt enkel nog verdeeld of sprake is van een objectieve voordeelverwachting. De vraag of in enig jaar sprake is van een objectieve voordeelverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar (Vgl. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2390). Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen (Vgl. HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707 en HR 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8348).
4.4
Het Hof onderschrijft het oordeel van de Rechtbank dat belanghebbende niet het van hem verlangde bewijs heeft geleverd. De Rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat belanghebbende niet die feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat in 2016 en in 2017 redelijkerwijs kon worden verwacht dat met de activiteiten een voordeel kon worden behaald. De Rechtbank neemt in haar oordeel mee dat vanaf de start van de activiteiten in 2011, enkel negatieve resultaten zijn behaald. Het Hof neemt deze oordelen over en maakt die tot de zijne. Hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht, maakt dat niet anders. Nu geen sprake is geweest van een objectieve voordeelverwachting, vormen de activiteiten geen bron van inkomen.
4.5
Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de Inspecteur niet bevoegd is na te vorderen over het jaar 2016.
4.6
Artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), bepaalt dat, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren (ambtelijk verzuim).
4.7
De inspecteur mag bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die belanghebbende in zijn aangifte vermeldt. Tot nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor dergelijke twijfel is geen aanleiding indien de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (vgl. HR 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:379). De bewijslast met betrekking tot de stelling dat sprake is van een nieuw feit rust op de inspecteur.
4.8
De inspecteur dient bij het opleggen van een aanslag steeds kennis te nemen van de hem ter beschikking staande informatie (vgl. HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2150). De inspecteur dient alvorens tot het opleggen van de primitieve aanslag over te gaan, de aangifte althans in die zin aan een onderzoek onderwerpen, dat zij vergeleken wordt met de gegevens, die in het dossier van de belastingplichtige aanwezig zijn, tot welke gegevens behoren de aangiften en aanslagen over vorige jaren (vgl. HR 25 juni 1958, ECLI:NL:HR:1958:AY1185).
4.9
Of de inspecteur over een nieuw feit beschikte moet worden beoordeeld op het moment van het opleggen van de (primitieve) aanslag over het desbetreffende jaar, in het onderhavige geval op 10 april 2018.
4.1
De Inspecteur heeft gesteld dat het nieuwe feit waarop hij zich beroept niet zozeer de omstandigheid is dat een gedurende een reeks van jaren negatieve resultaten is behaald met de activiteiten, maar het feit dat belanghebbende geen afdoende zakelijke verklaring voor deze verliezen kon geven, waaruit de tijdelijkheid daarvan zou blijken, dan wel een positief toekomstperspectief zou bestaan. Uit de informatie van belanghebbende (zie 2.10 en 2.11) blijkt het tegendeel: de activiteiten komen voort uit een hobby van belanghebbende en zijn nooit echt goed van de grond gekomen. Na de ziekte en het overlijden van zijn echtgenote heeft belanghebbende geen tijd meer kunnen besteden aan de activiteiten, die hij vervolgens heeft gestaakt. Vaststaat dat de Inspecteur op 10 april 2018 dit feit niet kende.
4.11
Vaststaat evenwel ook dat belanghebbende in de jaren 2011 tot en met 2017 met de activiteiten steeds negatieve resultaten heeft behaald (zie 2.3) en dat deze negatieve resultaten ook steeds uit de voor die jaren gedane aangiften IB/PVV blijken. Uit het (digitale) dossier van belanghebbende had de Inspecteur na vergelijking met de aangiften voor de jaren voorafgaand aan 2016 in redelijkheid behoren te twijfelen aan de juistheid van het op het inkomen uit werk en woning in aftrek gebrachte ondernemingsverlies. Gelet op het jarenlange verlies, kan niet worden gezegd dat de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens ten aanzien van het ondernemingsverlies juist zijn, zodat hij niet meer op de juistheid van de aangifte mocht vertrouwen. Het Hof ziet een bevestiging voor dit oordeel in de conclusie van de Inspecteur na de uitgevoerde query. Zonder een afdoende verklaring, die ontbreekt, valt immers niet in te zien waarom naar aanleiding van de query wel – en naar aanleiding van de in de aangiften IB/PVV over het onderhavige en de voorafgaande jaren opgenomen zelfde informatie (negatieve resultaten uit de activiteiten) niet – tot nader onderzoek is overgegaan. De Inspecteur had, naar het oordeel van het Hof, aldus vóór hij de aanslag voor het jaar 2016 oplegde, nader onderzoek moeten doen. Naar het oordeel van het Hof, heeft de Inspecteur dan ook een ambtelijk verzuim begaan door de gegevens in de aangifte voor 2016 niet te vergelijken met de aangiften voor de jaren daarvoor en naar aanleiding daarvan geen nader onderzoek te doen. De navorderingsaanslag voor het jaar 2016 kan daarom niet in stand blijven.
4.12
Belanghebbende heeft ook gesteld dat de Inspecteur een aantal beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden bij het opleggen van de onderwerpelijke belastingaanslagen.
4.13
Belanghebbende stelt allereerst dat de Inspecteur door het volgen van belanghebbendes aangiften voor eerdere jaren, waarin ook negatieve resultaten zijn aangegeven, bij hem een in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat sprake is van een bron van inkomen. Bovendien heeft de Inspecteur – door het volgen van de verzoeken om ambtshalve verminderingen voor de jaren 2013 tot en met 2015 – volgens belanghebbende een standpunt ingenomen ten aanzien van de bronbeoordeling.
4.14
Afgezien van het geval dat de gedragslijn berust op een toezegging waarvan de belastingplichtige mocht menen dat zij ook voor het onderhavige jaar zou gelden, is voor in rechte te beschermen vertrouwen als hier bedoeld meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. De gerechtvaardigdheid van het vertrouwen hangt af van de waardering van - voor zoveel nodig in onderlinge samenhang te beoordelen - omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat een door de inspecteur gedurende een aantal jaren betreffende dezelfde aangelegenheid gevolgde gedragslijn berust op een bewuste standpuntbepaling. Deze indruk is doorgaans niet gewettigd, indien de gedragslijn van de inspecteur voor de belastingheffing in het verleden geen of verhoudingsgewijs geringe gevolgen heeft gehad. Omstandigheden als vorenbedoeld kunnen onder meer zijn gelegen in de vaststelling van een aanslag in overeenstemming met een aangifte waarin de belastingplichtige de voor die aanslag van belang zijnde aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde had gesteld, in de vaststelling van een aanslag na raadpleging van bewijsstukken, na gehouden besprekingen of gevoerde correspondentie, dan wel in overeenstemming met eerder verstrekte, voor de toen op te leggen aanslag van belang zijnde inlichtingen, of in de tegemoetkoming aan een bezwaar betreffende dezelfde zich onveranderd voordoende aangelegenheid (vgl. HR 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179 en HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26).
4.15
Naar het oordeel van het Hof, heeft belanghebbende, op wie, gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, de last rust zijn stelling aannemelijk te maken, niet aan zijn bewijslast voldaan. In de bedoelde aangiften voor de aan 2016 voorafgaande jaren is de bronvraag immers niet uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde gesteld. Belanghebbendes verzoeken om ambtshalve vermindering voor de jaren 2013 tot en met 2015 zijn weliswaar gevolgd, maar hierbij is enkel het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, overeenkomstig het verzoek, verlaagd. Belanghebbende kon in redelijkheid niet menen dat de Inspecteur voor die jaren ook het belastbare inkomen uit werk en woning heeft beoordeeld. Ook overigens heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur een bewust standpunt heeft ingenomen ten aanzien van de bronbeoordeling waaraan hij het vertrouwen zou kunnen ontlenen dat de activiteiten een bron van inkomen vormen.
4.16
Ook de door belanghebbende gestelde schending van het motiveringsbeginsel volgt het Hof niet. Naar het oordeel van het Hof, heeft de Inspecteur met zijn brief van 16 juli 2021 voldoende gemotiveerd waarom hij vindt dat geen sprake meer is van een bron van inkomen. De Inspecteur heeft voorts gedurende de gehele periode voorafgaand aan het opleggen van de onderwerpelijke belastingaanslagen, belanghebbende meerdere keren in de gelegenheid gesteld om extra informatie aan te leveren, maar belanghebbende heeft aan dit verzoek niet voldaan. Dat de Inspecteur, nog steeds in afwachting van de informatie van belanghebbende, vervolgens is overgegaan tot het opleggen van de belstingaanslagen ter behoud van rechten, rechtvaardigt niet de conclusie dat de aanslagen zonder motivering zijn opgelegd.
4.17
Belanghebbende heeft ook nog gesteld dat de Inspecteur het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden, omdat de Inspecteur de stelling heeft betrokken dat vanaf 2016 geen sprake meer is van een bron van inkomen. Gelet op hetgeen hiervoor – onder 4.11 - is overwogen, behoeft deze stelling geen behandeling meer.
4.18
Naar het oordeel van het Hof, stond het de Inspecteur voorts vrij om op 18 juni 2021 belanghebbende aan te schrijven naar aanleiding van de query van 3 augustus 2018. De Inspecteur is heeft de aanslagtermijnen in acht genomen, terwijl er geen sprake was van een verlengde aanslagtermijn op grond waarvan een “voortvarendheidseis” geldt.
4.19
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2017 tot het juiste bedrag is opgelegd.
4.2
Tenslotte heeft belanghebbende gesteld dat de Rechtbank de proceskostenvergoeding te laag heeft vastgesteld.
4.21
De Rechtbank heeft ten aanzien van de proceskostenvergoeding overwogen: “
Omdat het verzoek om de vergoeding van immateriële schade wordt toegewezen, komt eiser in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Voor de rechtsbijstand door de gemachtigde kent de rechtbank 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 875 en een wegingsfactor 0,25. De proceskostenvergoeding bedraagt dus € 219. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan de inspecteur is toe te rekenen, bepaalt de rechtbank dat de inspecteur de proceskosten moet betalen.”. Dit is juist (vgl. HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526 en Raad van State 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:771). Gelet op het feit dat het hoger beroep gegrond is in verband met de onbevoegdheid van de Inspecteur tot navordering over het jaar 2016, zal het Hof evenwel de uitspraak van de Rechtbank gedeeltelijk vernietigen. Dat geldt ook voor de door de Rechtbank vastgesteld proceskostenvergoeding.
4.22
De hoger beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De beschikking belastingrente voor het jaar 2016 dient te worden vernietigd, nu ook de navorderingsaanslag wordt vernietigd. Voor het jaar 2017 is het hoger beroep ook in zoverre ongegrond.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Proceskosten en griffierecht

5.1
In de omstandigheid dat het hoger beroep gegrond is, ziet het Hof aanleiding de Inspecteur te gelasten het griffierecht in hoger beroep te vergoeden.
5.2
De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op 1 punt (bezwaarschrift) × € 666 × wegingsfactor 1 = € 666 voor de bezwaarprocedure, 2 punten (beroepschrift en verschijnen ter zitting)  € 934 x wegingsfactor 1 = € 1.868 voor de procedure in eerste aanleg en 1 punt (hogerberoepschrift)  € 934 x wegingsfactor 1 = € 934 voor de procedure in hoger beroep, in totaal derhalve € 3.468 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de oordelen over de vergoeding van het griffierecht en de vergoeding van immateriële schade,
– verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur op het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2016 ingestelde beroep gegrond,
– verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 ingestelde beroep ongegrond,
– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, voor zover het betreft het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2016,
– vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2016 en de daarbij behorende beschikking belastingrente,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.468,
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong)
(P. van der Wal)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.