ECLI:NL:GHARL:2026:1650

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
24/726 en 24/727
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:4 AwbArt. 8:42 AwbArt. 40 Wet WOZArt. 43 BBVArt. 44 BBV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen uitspraak over riool- en afvalstoffenheffingen en opbrengstlimiet gemeente Lingewaard

Belanghebbende was eigenaar en gebruiker van twee onroerende zaken in de gemeente Lingewaard en maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarden en aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing voor het jaar 2020. De rechtbank verklaarde de beroepen deels gegrond en vernietigde enkele uitspraken op bezwaar, maar handhaafde de rechtsgevolgen en kende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.

In hoger beroep betwistte belanghebbende onder meer de juistheid van de overheadkosten en de toevoeging aan de egalisatievoorziening, stellende dat deze posten niet als last ter zake kwalificeren en dat de opbrengstlimiet daardoor zou zijn overschreden. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht had gegeven in de ramingen en dat belanghebbende onvoldoende gemotiveerd had gesteld waarom redelijke twijfel zou bestaan over de lastenposten.

Verder stelde belanghebbende dat de heffingsambtenaar niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken had verstrekt, maar het hof concludeerde dat de nadere stukken die later waren ingediend voldoende waren en dat geen schending van artikel 8:42 Awb Pro had plaatsgevonden. Het hof bevestigde ook de proceskostenvergoeding van de rechtbank en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep af.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bleef in stand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; de aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing overschrijden de opbrengstlimiet niet.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/726 en 24/727
uitspraakdatum: 17 maart 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 9 februari 2024, nummers AWB 21/1722, 23/455, 21/3985, 21/3986 en 22/1082, in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaarvan de
gemeente Lingewaard(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarden van de onroerende zaken [adres1] en [adres2] te [woonplaats] voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld. Op hetzelfde biljet heeft de heffingsambtenaar voor het jaar 2020 ten aanzien van [adres2] een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) eigenaar woning, een aanslag rioolheffing huishoudens en een aanslag afvalstoffenheffing vastgesteld en ten aanzien van [adres1] aanslagen OZB eigenaar en gebruiker niet-woning en een aanslag rioolheffing bedrijven vastgesteld.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft de hiertegen gerichte bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is daartegen in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen inzake de aanslagen OZB ongegrond verklaard, de beroepen inzake de waardebeschikking [adres1] , de aanslag afvalstoffenheffing [adres2] en de aanslagen rioolheffing van beide objecten gegrond verklaard en de uitspraken op bezwaar in zoverre vernietigd, onder instandhouding van de rechtsgevolgen, en een veroordeling van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn uitgesproken. Tot slot heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.625 en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 49.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en, op 8 januari 2026 en 17 februari 2026, nadere stukken ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] namens belanghebbende, alsmede mr. [naam2] , [naam3] , en [naam4] namens de heffingsambtenaar. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende was op 1 januari 2020 eigenaar en gebruiker van de onroerende zaken [adres1] en [adres2] te [woonplaats] in de gemeente Lingewaard. Vanuit deze percelen is in 2020 water direct of indirect op de gemeentelijke riolering afgevoerd. Voor het perceel [adres2] geldt ingevolge de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen.
2.2.
In de Programmabegroting 2020 die de gemeenteraad van de gemeente Lingewaard (hierna: de gemeenteraad) heeft vastgesteld, zijn voor de rioolheffing de geraamde baten vastgesteld op € 4.707.000 en de geraamde lasten op € 4.381.200, en is een bedrag van € 325.800 toegevoegd aan de ‘egalisatievoorziening’. De post ‘overhead’ is voor een bedrag van € 411.900 opgenomen onder de geraamde lasten.
2.3.
De raming voor de afvalstoffenheffing voor het jaar 2020, die eveneens is opgenomen in de Programmabegroting 2020, heeft de gemeenteraad in december 2019 aangepast. In de aangepaste raming zijn de ter zake van de afvalstoffenheffing geraamde baten en lasten vastgesteld op € 4.575.900. Onderdeel van de geraamde lasten zijn onder andere de posten ‘overhead’ voor een bedrag van € 329.500 en ‘egalisatiereserve afval’ voor een bedrag van € 50.000.
2.4.
De gemeenteraad heeft voor het jaar 2020 onder meer een Verordening Rioolheffing 2020 [1] en een Verordening Afvalstoffenheffing 2020 [2] vastgesteld. De tariefstelling voor de heffing van deze verordeningen is gebaseerd op respectievelijk de in 2.2 genoemde raming en de in 2.3 genoemde, aangepaste, raming.
2.5.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren ongegrond verklaard en bij de uitspraak op bezwaar een ‘Kostenonderbouwing afvalstoffenheffing’ gevoegd. Ten aanzien van de post overhead is daarin het volgende opgenomen:
“Overhead
De overhead wordt toegerekend als vast tarief per toegerekend uur aan een activiteit. Het overheadtarief van 2020 bedraagt € 38 per toegerekend uur. Voor een toelichting op het overheadtarief wordt verwezen naar de begroting 2020: https://lingewaard.begroting-2020.nl/p13013/overhead.
De toegerekende overhead bedraagt € 329.500. In onderstaande tabel zijn de toegerekende uren uit het grootboek te zien.
Kostenplaats Aantal uren
Afval algemeen 2.220
Huishoudafval 3.464
Overige afvalstoffen 2.988
8.672”
2.6.
In beroep bij de Rechtbank waren voor de onroerende zaak [adres1] de woz-beschikking en de aanslagen OZB en rioolheffing in geschil. Voor de onroerende zaak [adres2] waren in beroep de aanslagen OZB, rioolheffing en afvalstoffenheffing in geschil.
2.7.
De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld dat de heffingsambtenaar heeft verzuimd om tijdens de bezwaarprocedure alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen of ter inzage te leggen, zodat de heffingsambtenaar heeft gehandeld in strijd met artikel 7:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en wat betreft de waardebeschikking ook in strijd met artikel 40 van Pro de Wet WOZ. De Rechtbank heeft daaraan de conclusie verbonden dat het beroep gegrond is wat betreft de waardebeschikking [adres1] , de aanslagen rioolheffing en de afvalstoffenheffing. De Rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van [adres1] niet te hoog is vastgesteld en dat voor zowel de rioolheffing als de afvalstoffenheffing geen sprake is van een overschrijding van de opbrengstlimiet. De Rechtbank heeft de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar voor deze beschikking en aanslagen daarom in stand gelaten. In de gegrondverklaring van het beroep heeft de Rechtbank aanleiding gezien om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende voor de beroepsfase redelijkerwijs heeft moeten maken.

3.Geschil

3.1.
In hoger beroep is geschil of:
  • i) de heffingsambtenaar ten aanzien van de door de Rechtbank toegekende immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn incidenteel hoger beroep heeft ingesteld;
  • ii) de aanslag rioolheffing voor de onroerende zaak [adres1] en de aanslag afvalstoffenheffing voor de onroerende zaak [adres2] terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd, waarbij het geschil zich in beide gevallen toespitst op de vraag of de geraamde baten de geraamde lasten overtreffen (opbrengstlimiet), zodanig dat de tariefstelling in de betreffende verordening jegens belanghebbende partieel dan wel algeheel onverbindend is;
  • iii) de heffingsambtenaar alle op de zaak betrekking hebbende stukken ten aanzien van de posten ‘overhead’ heeft ingebracht;
  • iv) de Rechtbank voor de beroepsfase een te laag bedrag aan proceskostenvergoeding heeft toegekend.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt vraag (i) en (iv) bevestigend en vraag (ii) en (iii) ontkennend. De heffingsambtenaar beantwoordt deze vragen tegenovergesteld.
3.3.
Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof zijn grief dat de Rechtbank een te laag bedrag aan immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft toegekend, onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.

4.Beoordeling van het geschil

Incidenteel hoger beroep? (vraag i)
4.1.
In reactie op de – ter zitting van het Hof ingetrokken – grief van belanghebbende over de hoogte van de schadevergoeding die de Rechtbank heeft toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de heffingsambtenaar in zijn verweerschrift van 25 september 2024 het volgende geschreven:

Standpunt belanghebbende
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding ten onrechte is uitgegaan van samenhangende zaken; de Rechtbank had geen € 2.000,-, maar € 8.000,- moeten toekennen.
Standpunt gemeente
De door de Rechtbank toegekende vergoeding van € 2.000,- is naar het oordeel van de gemeente niet te laag. De Rechtbank is terecht uitgegaan van samenhangende zaken.
Belanghebbende heeft vergelijkbare standpunten ingenomen in andere procedures, en die standpunten zijn telkens afgewezen. Ik wijs onder meer op:
(…)
Bovendien is de door de Rechtbank gehanteerde vergoeding per half jaar van € 500,- te hoog. Inmiddels hanteren verschillende rechtscolleges (veel) lagere bedragen, omdat anders het toegekende bedrag zou leiden tot “evident ongerechtvaardigde overcompensatie”. Ik wijs onder meer op:
(…)
Naar het oordeel van de gemeente faalt het standpunt van belanghebbende.”
4.2.
Belanghebbende heeft zich voor het eerst ter zitting van het Hof op het standpunt gesteld dat de heffingsambtenaar met zijn stelling over de gehanteerde vergoeding per half jaar incidenteel hoger beroep heeft ingesteld, dat dit incidenteel hoger beroep gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad ongegrond moet worden verklaard, en dat dit betekent dat belanghebbende ten aanzien van het incidenteel hoger beroep recht heeft op een proceskostenvergoeding.
4.3.
De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat hij de stelling over de gehanteerde vergoeding per half jaar destijds heeft opgeworpen in het kader van zijn verweer tegen de grief van belanghebbende en dat hij daarmee geen incidenteel hoger beroep heeft bedoeld in te stellen. Nu belanghebbende zijn grief over de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft ingetrokken, is die stelling uit het verweerschrift niet meer relevant. Voor zover nodig trekt hij de stelling onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig in, mede gelet op de actuele stand van de jurisprudentie.
4.4.
Het Hof oordeelt dat van een incidenteel hoger beroep geen sprake is. De verklaring van de heffingsambtenaar ter zitting dat het gaat om een stelling in het kader van het voeren van verweer sluit aan bij de tekst in het verweerschrift. De heffingsambtenaar stelt in het verweerschrift dat de door de Rechtbank toegekende vergoeding niet te laag is en concludeert vervolgens tot het falen van het standpunt van belanghebbende en niet tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Opbrengstlimiet – algemeen
4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende de overschrijding van de opbrengstlimiet voor het jaar 2020 voor de rioolheffing en de afvalstoffenheffing aan de orde heeft gesteld en dat de heffingsambtenaar vervolgens voldoende inzicht heeft verschaft in de ramingen voor die heffingen. Het Hof volgt partijen hierin.
4.6.
Vervolgens kan het verstrekken van nadere inlichtingen om – naar vermogen – twijfel weg te nemen, uitsluitend van de heffingsambtenaar worden verlangd voor zover belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’. [3]
4.7.
Indien de belanghebbende niet stelt dat de in deze verstrekte nadere inlichtingen begrepen feitelijke gegevens onjuist zijn, heeft de rechter slechts de rechtsvraag te beantwoorden of, uitgaande van die feiten, de desbetreffende post kan worden aangemerkt als een ‘last ter zake’. Bij ontkennende beantwoording van die vraag dient hij te beoordelen of daardoor de opbrengstlimiet is overschreden. [4]
4.8.
Indien de belanghebbende wél stelt dat de in deze verstrekte nadere inlichtingen begrepen feitelijke gegevens onjuist zijn, en de betreffende heffingsambtenaar deze stelling betwist, komt bewijslevering aan de orde. In dat geval draagt de belanghebbende de bewijslast van zijn stelling dat de door de heffingsambtenaar verschafte feitelijke gegevens onjuist zijn, omdat die onjuistheid een voorwaarde is voor het intreden van het rechtsgevolg dat hij inroept (onverbindendheid van de verordening). Na bewijslevering dient de rechter, uitgaande van de feiten die hij bewezen acht, de rechtsvraag te beantwoorden of, uitgaande van die feiten, de desbetreffende post kan worden aangemerkt als een ‘last ter zake’ en, zo nee, te beoordelen of daardoor de opbrengstlimiet is overschreden. [5]
Opbrengstlimiet rioolheffing
4.9.
Belanghebbende stelt dat de opbrengstlimiet voor de rioolheffing is overschreden. Ter zitting heeft belanghebbende zijn stellingen over het bedrag van de geraamde baten en de compensabele omzetbelasting onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig ingetrokken. Daarmee is met betrekking tot het overschrijden van de opbrengstlimiet enkel in geschil of de posten ‘egalisatievoorziening’ en ‘overhead’ kwalificeren als ‘last ter zake’.
4.10.
Het is volgens belanghebbende niet inzichtelijk waarop de heffingsambtenaar de toevoeging aan de egalisatievoorziening van € 325.800 baseert, zodat de heffingsambtenaar de daarover door belanghebbende opgeworpen twijfel niet naar vermogen heeft weggenomen. Ter zitting heeft belanghebbende zijn stelling als volgt toegelicht. De toevoeging vormt in feite een sluitpost van de raming en is daarmee een incidentele overschrijding, een toevalligheid. Hij vraagt zich af of dan wel sprake is van een rechtstreekse koppeling tussen de vorming van de voorziening en de investeringen in het gemeentelijk rioleringsplan. De heffingsambtenaar heeft deze twijfel volgens belanghebbende niet naar vermogen weggenomen.
4.11.
De heffingsambtenaar heeft betwist dat de toevoeging aan de egalisatievoorziening geen ‘last ter zake’ vormt. In het gemeentelijk rioleringsplan wordt een doorkijk gegeven voor investeringen in de komende tien jaar en de ontwikkeling van de tarieven. Uitgangspunt is dat het tarief voor de rioolheffing voor belastingplichtigen niet te snel mag stijgen. Dit wordt gerealiseerd door het vormen van een voorziening in de eerste jaren waarop, gelet op de stijgende kosten in de latere jaren, later wordt ingelopen. Dit is een voldoende rechtstreeks verband, aldus de heffingsambtenaar.
4.12.
Het Hof oordeelt dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt de toevoeging aan de egalisatievoorziening geen last ter zake van de riolering vormt. Daarvoor is het volgende van belang. Op pagina 78 van de Programmabegroting 2020 staat de volgende toelichting:
“Het voordelig saldo wordt toegevoegd aan de voorziening "Riolering" (#923002).
Zoals in het GRP 2017-2021 al werd voorzien zijn in 2020 de baten groter dan de lasten. De voorziening zal daardoor oplopen. Vanaf 2023 zijn de inkomsten lager dan de lasten. Vanaf dat jaar wordt de voorziening aangewend om tekorten op te vangen.”
Uit deze toelichting en de toelichting van de heffingsambtenaar ter zitting volgt dat geen sprake is van een toevalligheid. Expliciet blijkt daaruit dat de doelstelling is om de toekomstige hogere kosten ter zake van de riolering uit te smeren over meerdere jaren en daarom in voorafgaande jaren, waaronder het jaar 2020, een toevoeging te doen aan de voorziening. Daarbij komt dat gesteld noch gebleken is dat de heffingsambtenaar geen redelijke inschatting heeft gemaakt van de toekomstige kosten voor vervanging, verbetering en projecten aan het riool, zoals weergegeven in het gemeentelijk rioleringsplan 2017-2021 en op pagina 57 van de Programmabegroting 2020. Daarbij is vermeld dat de kapitaallasten van alle investeringen worden gedekt door de rioolheffing. Het Hof heeft geen reden om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De toevoeging van € 325.800 aan de egalisatievoorziening geldt daarom als last ter zake van de riolering.
4.13.
Ten aanzien van de post overhead van € 411.900 stelt belanghebbende dat deze niet als last ter zake van de riolering kan worden aangemerkt, aangezien inzicht in de omvang en samenstelling van het bedrag ontbreekt. Belanghebbende wijst daarbij op productie 10 bij het verweerschrift in hoger beroep, waarin een bedrag € 379.620 is opgenomen. Volgens belanghebbende is niet inzichtelijk wat de achterliggende cijfermatige onderbouwing is van het aantal van 9.990 uren waarop dat bedrag is gebaseerd. Daarmee is volgens belanghebbende voldoende twijfel gezaaid over het antwoord op de vraag of sprake is van een last ter zake, zodat de heffingsambtenaar nadere inlichtingen had moeten verstrekken.
4.14.
De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat hij inzicht moet geven in de bedragen, maar dat dit niet betekent dat hij tot in detail inzicht moet geven in de onderbouwing van de uren die ten grondslag liggen aan de posten waarover discussie is. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het bedrag van € 411.900 het product is van de gemiddelde overhead per uur van € 38, hetgeen door belanghebbende niet (langer) wordt bestreden, en het aantal geraamde productieve uren voor de rioolheffing. Het enkel stellen dat de uren niet controleerbaar of niet inzichtelijk zijn of stellen dat geen geloof wordt gehecht aan het gestelde aantal productieve uren, betekent niet dat de heffingsambtenaar tot in detail nader inzicht moet geven als hiervoor bedoeld. Uit oogpunt van transparantie heeft de heffingsambtenaar echter wel nader inzicht gegeven. Het toegerekende bedrag van € 411.900 is een optelling van de bedragen € 379.620 en € 32.300. Het bedrag van € 379.620 is gebaseerd op 9.990 uren maal € 38. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar uitgelegd dat hij in de nadere stukken van 8 januari 2026 met de informatie van de teams, gespecificeerd naar riolering en afval, de aansluiting met deze uren heeft gegeven.
4.15.
De heffingsambtenaar heeft in hoger beroep het nadere stuk met de titel “Afdelingsbegroting” van 8 januari 2026 overgelegd en daarmee en met zijn uitleg ter zitting nader inzicht geboden in de opbouw van het aantal van 9.990 uren dat de afdelingen die betrokken zijn bij de riolering, daaraan hebben besteed. De gemachtigde heeft ter zitting verklaard te begrijpen hoe de heffingsambtenaar tot dat urenaantal is gekomen.
4.16.
Belanghebbende heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom redelijke twijfel bestaat over het antwoord op de vraag of ter zake van de post overhead sprake is van een last ter zake van de riolering. Met zijn algemene opmerking dat de achterliggende cijfermatige onderbouwing van de 9.990 uren niet inzichtelijk is, heeft belanghebbende niet aan zijn stelplicht voldaan. In zoverre faalt zijn beroep op overschrijding van de opbrengstlimiet.
4.17.
Uit het voorgaande volgt dat de posten egalisatievoorziening en overhead lasten ter zake van de riolering vormen. Daarom is er geen sprake van een overschrijding van de opbrengstlimiet voor de rioolheffing.
Opbrengstlimiet – afvalstoffenheffing
4.18.
Belanghebbende betoogt ook dat de opbrengstlimiet voor de afvalstoffenheffing is overschreden. Ter zitting heeft belanghebbende zijn stellingen over het bedrag van de geraamde baten en de compensabele omzetbelasting onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig ingetrokken. Enkel is nog in geschil of de posten ‘overhead’ en ‘egalisatiereserve’ kwalificeren als ‘last ter zake’.
4.19.
Belanghebbende stelt dat de post overhead niet kwalificeert als last ter zake, aangezien de heffingsambtenaar de 8.672 toegerekende uren niet heeft onderbouwd en hij de door belanghebbende ten aanzien van de post overhead opgeroepen twijfel aldus niet naar vermogen heeft weggenomen.
4.20.
De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat het betwisten ‘bij gebrek aan wetenschap’, zoals belanghebbende dat in feite doet, niet leidt tot een voldoende motivering van de stelling dat over de post overhead redelijke twijfel bestaat. Hij wijst op een bijlage bij de uitspraak op bezwaar (zie 2.5) waarin staat dat het overheadtarief € 38 per uur bedraagt en uit welke uren per kostenplaats het aantal van 8.672 uren is opgebouwd. Uit oogpunt van transparantie heeft de heffingsambtenaar niettemin nader inzicht gegeven. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar uitgelegd dat hij in de nadere stukken van 8 januari 2026 met de informatie van de teams, gespecificeerd naar riolering en afval, de aansluiting heeft gegeven met deze uren. Uit de nadere stukken van 8 januari 2026 volgt dat de uren als volgt zijn opgebouwd:
Kostenplaats
Uren per afdeling
Uren per kosten plaats
Afval algemeen
2.22
- afdeling Openbare Ruimte & Vastgoed
1.32
- afdeling Veiligheid, Toezicht & Handhaving
900
Huishoudelijk afval
3.464
- afdeling Openbare Ruimte & Vastgoed
2.518
- afdeling Klant Contact Centrum
290
- afdeling Technisch Wijkbeheer
656
Overige afvalstoffen
2.988
- afdeling Openbare Ruimte & Vastgoed
85
- afdeling Technisch Wijkbeheer
2.903
Totaal
8.672
8.672
In het nader stuk van 8 januari 2026 met titel “Afdelingsbegroting” heeft de heffingsambtenaar ten aanzien van de uren per afdeling nog verdere een uitsplitsing gegeven. Zo zijn bijvoorbeeld de 85 uren die zijn begroot ten aanzien van de ‘Overige afvalstoffen’ van de afdeling Openbare Ruimte & Vastgoed uitgesplitst als volgt:
- Papier, textiel, glas (TWB)
25
- Oud ijzer, wit en bruingoed
5
- Inzameling snoeihout
10
- Inzameling textiel
30
- Bladkorven / plaatsen en ledigen
15
totaal
85
4.21.
Het Hof oordeelt dat belanghebbende onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn mening redelijke twijfel bestaat of ter zake van de post overhead sprake is van een last ter zake van de afvalstoffenheffing. Met zijn algemene opmerking dat de achterliggende cijfermatige onderbouwing van de 8.672 uren niet inzichtelijk is, heeft belanghebbende niet aan zijn stelplicht voldaan en faalt in zoverre zijn beroep op overschrijding van de opbrengstlimiet.
4.22.
Voor zover belanghebbende daarmee wel voldoende gemotiveerd zou hebben gesteld dat en waarom redelijke twijfel bestaat over het antwoord op de vraag of ter zake van de post overhead sprake is van een last ter zake van de afvalstoffenheffing, geldt dat de heffingsambtenaar met de genoemde bijlage bij de uitspraak op bezwaar, de nadere stukken van 8 januari 2026 en zijn uitleg ter zitting naar vermogen nader inzicht heeft geboden in de opbouw van de 8.672 uren van de afdelingen die betrokken zijn bij de afvalstoffenheffing. Voor zover belanghebbende met zijn stelling dat de onderbouwing van de uren niet inzichtelijk is de juistheid van deze uren heeft betwist, heeft hij tegenover hetgeen de heffingsambtenaar heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat de geraamde uren feitelijk onjuist zijn. Het Hof gaat daarom uit van de juistheid van deze gegevens. De post overhead moet daarom als last ter zake van de afvalstoffenheffing worden beschouwd.
4.23.
Belanghebbende stelt dat de post egalisatiereserve afval van € 50.000 niet kwalificeert als last ter zake, aangezien niet inzichtelijk is waarop de toevoeging is gebaseerd. Ter zitting heeft belanghebbende erop gewezen dat volgens hem enkel aan een voorziening kan worden gedoteerd en niet aan een reserve. Een dotatie aan een reserve als bedoeld in artikel 43 van Pro het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (hierna: BBV) zoals hier aan de orde, is geen ‘last ter zake’ en moet daarom worden geschrapt. Belanghebbende stelt ook dat de ‘egalisatiereserve’ niet beklemd is.
4.24.
De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat van een reserve als bedoeld in artikel 43 van Pro het BBV geen sprake is. De benaming ‘egalisatiereserve’ is niet zuiver. De post is bedoeld als een stelpost en vloeit niet in het eigen vermogen.
4.25.
Uitgangspunt is dat de raming van baten en lasten ter zake van afvalstoffenheffing niet in strijd mag komen met de voor de gemeente geldende comptabiliteitsvoorschriften, zoals die zijn neergelegd in het BBV. Het BBV maakt een onderscheid tussen (bestemmings-)reserves die onderdeel zijn van het eigen vermogen (artikel 43 BBV Pro) en voorzieningen (artikel 44 BBV Pro) die geen onderdeel zijn van het eigen vermogen. Alleen toevoegingen aan een voorziening kunnen tot de lasten ter zake van de riolering worden gerekend. Bij de beoordeling of een post moet worden aangemerkt als een reserve of een voorziening is de benaming niet doorslaggevend. [6]
4.26.
In artikel 43, lid 1, van het BBV is bepaald dat in de balans de reserves worden onderscheiden naar a. de algemene reserve en b. de bestemmingsreserves. Op grond van het tweede lid van die bepaling wordt onder bestemmingsreserve verstaan een reserve waaraan provinciale staten respectievelijk de gemeenteraad een bepaalde bestemming heeft gegeven.
4.27.
Op grond van artikel 44, lid 1, aanhef en onder d, van het BBV worden voorzieningen gevormd wegens:
“a. verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs te schatten;
b. op de balansdatum bestaande risico’s ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten;
c. kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren;
d. de bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor een heffing wordt geheven als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b.”
4.28.
Om de volgende redenen is de ‘egalisatiereserve’ geen reserve als bedoeld in artikel 43 BBV Pro. In de programmabegroting 2020 is op pagina 146 een overzicht opgenomen van de reserves en voorzieningen. Op pagina 148 daarvan staat onder het opschrift “Reserves t.b.v. toekomstige uitgaven en/of investeringen” een “Bestemmingsreserve afvalstoffenheffing” van € 50.000. De heffingsambtenaar heeft onweersproken gesteld dat dit de egalisatiereserve van € 50.000 uit de raming betreft. In het nadere stuk van 17 februari 2026 staat onder “Saldo Baten en Lasten” bij “Mutatie reserve” dat deze middelen in de reserve door de jaren heen in feite steeds beklemd zijn geweest voor de afvalstoffenheffing en ook nergens anders voor zijn aangewend. De egalisatiereserve is daarom aan te merken als een voorziening als bedoeld in artikel 44 BBV Pro, en vormt daarmee een last ter zake van de afvalstoffenheffing.
4.29.
Uit het voorgaande volgt dat de posten egalisatiereserve en overhead lasten ter zake van de afvalstoffenheffing vormen. Daarom is er geen sprake van een overschrijding van de opbrengstlimiet voor de afvalstoffenheffing.
Op de zaak betrekking hebbende stukken(vraag iii)
4.30.
Belanghebbende heeft ter zitting, onder verwijzing naar de uitspraak van de Rechtbank, gesteld dat de heffingsambtenaar bij de Rechtbank heeft verklaard dat de teamleider van elk team urenramingen van zijn of haar team verstrekt per formatieplaats. Belanghebbende veronderstelt daarom dat achter de 9.990 uren en 8.672 uren die ten grondslag liggen aan de geraamde overheadkosten voor de rioolheffing respectievelijk afvalstoffenheffing opgaven van teammanagers zitten. Die opgaven zijn op de zaak betrekking hebbende stukken. De heffingsambtenaar heeft, door die opgaven niet te verstrekken, artikel 8:42 Awb Pro geschonden, aldus belanghebbende.
4.31.
Bij de beoordeling stelt het Hof voorop dat de heffingsambtenaar niet heeft weersproken dat dergelijke opgaven van de teams bestaan en dat hij daarover beschikt. De heffingsambtenaar heeft deze opgaven niet verstrekt. Hij heeft ter zitting onweersproken gesteld dat hij de informatie van de teams wel heeft overgelegd in de nadere stukken van 8 januari 2026, gespecificeerd naar riolering en afval, en dat hij daarbij aansluiting heeft gegeven met de uren die ten grondslag liggen aan de geraamde overheadkosten (zie r.o. 4.14 en 4.20).
4.32.
De beoordeling van het geschil in onderhavige zaak over overschrijding van de opbrengstlimiet vindt onder meer plaats op basis van gegevens die op de geraamde lasten ‘overhead’ in de begroting zijn terug te voeren. [7] Belanghebbende heeft met zijn enkele stelling dat de cijfermatige onderbouwing van de 9.990 respectievelijk 8.672 uren waarop de posten overhead zijn gebaseerd niet inzichtelijk is, geen redelijke twijfel gezaaid over de juistheid van deze uren (zie 4.16 en 4.21). Weliswaar heeft de heffingsambtenaar in een later stadium in de procedure alsnog nadere stukken over deze uren ingebracht, maar dat betekent niet dat dat stukken zijn die (eerder) als op de zaak betrekking hebbende stukken hadden moeten worden overgelegd of dat de opgaven van de teammanagers als op de zaak betrekking hebbende stukken zijn aan te merken. Door die opgaven niet te verstrekken, heeft de heffingsambtenaar artikel 8:42 Awb Pro in hoger beroep dus niet geschonden.
Proceskostenvergoeding voor de beroepsfase (vraag iv)
4.33.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase conform het Besluit proceskosten bestuursrecht had moeten uitgaan van één zaak met een gewicht ‘zeer zwaar’ (factor van 2) vanwege de verschillende feitencomplexen en de verschillen in heffingen die in beroep aan de orde waren.
4.34.
De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank terecht is uitgegaan van samenhangende zaken en factor 1,5.
4.35.
Het Hof begrijpt de uitspraak van de Rechtbank aldus dat de Rechtbank van oordeel is dat voor toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) sprake is van één bezwaar en één beroep, zodat sprake is van één zaak als bedoeld in artikel 3, lid 1, Bpb en dat zij daarin aanleiding heeft gevonden om vanwege de diverse geschilpunten uit te gaan van een gewicht van de zaak ‘zwaar’ en daarom van een factor 1,5, als bedoeld in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb. [8] De Rechtbank heeft vervolgens bij de berekening van de proceskostenvergoeding bij de toepassing van factor 1,5 abusievelijk verwezen naar onderdeel C2 van de bijlage bij het Bpb, dat ziet op samenhangende zaken. [9]
4.36.
De Rechtbank is voor het bepalen van de hoogte van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase terecht uitgegaan van één zaak, nu sprake is van één bezwaar en één beroep tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten. [10] De omstandigheid dat het beroep betrekking heeft op meer dan één besluit kan een rol spelen bij de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak. [11] Tevens kan daarbij een rol spelen de grond die heeft geleid tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak op bezwaar. [12] In dit geval wordt de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase enkel toegekend op een formeelrechtelijke grond: het schenden van de informatieverplichtingen van artikel 7:4 Awb Pro en artikel 40, lid 2, Wet WOZ. Het Hof ziet in de procedure voor de Rechtbank geen zaak met een zeer zwaar gewicht, zoals bijvoorbeeld een zaak met zeer ingewikkelde vraagstukken met een groot belang en een zeer complex feitengeheel. Nu de heffingsambtenaar in hoger beroep het door de Rechtbank toegepaste gewicht van de zaak en de door de Rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling als geheel niet heeft bestreden, staat daarmee voor het Hof het door de Rechtbank toegekende bedrag aan proceskosten vast. Het hoger beroep is daarom ook in zoverre ongegrond en de beslissing van de Rechtbank over de proceskosten blijft dus in stand.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep

5.1.
Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verzocht om de Staat te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het hoger beroep.
5.2.
In deze zaak is hoger beroep ingesteld op 22 maart 2024. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat het Hof in deze zaak uitspraak doet, levert geen overschrijding van de redelijke termijn op die geldt voor de behandeling van het hoger beroep, aangezien deze termijn twee jaar bedraagt. [13] Het Hof wijst het in 5.1 bedoelde verzoek daarom af.

6.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

7.Beslissing

Het Hof:
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;
  • wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door, mr. M.M. Breij, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en
mr. E.C.G. Okhuizen, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is op 17 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat) (M.M. Breij)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Gemeenteblad 2019, 316029.
2.Gemeenteblad 2019, 316021.
3.Vgl. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777, rechtsoverweging 3.3.4.
4.Vgl. HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968, rechtsoverweging 3.2.4.
5.Vgl. HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968, rechtsoverweging 3.2.5.
6.Vgl. HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:349, rechtsoverweging 2.3.2.
7.Vgl. HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rechtsoverweging 4.2.
8.Zie rechtsoverweging 52.
9.Zie rechtsoverweging 53.
10.HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0892, rechtsoverweging 3.3.3.
11.HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822, rechtsoverweging 3.4.
12.vgl. HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:862, rechtsoverweging 3.2.2.
13.Vgl. HR 19 februari 2016. ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.4.3.