ECLI:NL:HR:2019:349

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 2019
Publicatiedatum
13 maart 2019
Zaaknummer
18/01955
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 228a GemeentewetArt. 43 BBVArt. 44 BBVArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat egalisatiereserve geen voorziening is in rioolheffing

Belanghebbende, een woningcorporatie, kreeg voor het jaar 2014 aanslagen rioolheffing opgelegd door de gemeente Westerveld. De gemeente had in haar begroting een dotatie van € 821.441 opgenomen als last voor de egalisatiereserve riolering. Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat deze dotatie niet tot de lasten kon worden gerekend omdat de egalisatiereserve geen voorziening is, mede omdat de gemeenteraad in 2008 de voorziening had omgezet in een egalisatiereserve met de bedoeling vrij over de gelden te kunnen beschikken.

Het college van burgemeester en wethouders stelde in cassatie dat de egalisatiereserve materieel wel als voorziening moet worden aangemerkt omdat de gelden geoormerkt en aangewend worden voor riolering. De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat de benaming niet doorslaggevend is en dat de waardering van het Hof dat de omvorming tot egalisatiereserve met vrij besteedbare gelden zwaarder weegt dan de feitelijke bestemming, niet onbegrijpelijk is.

De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde het college in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee blijft het oordeel van het Hof dat de dotatie aan de egalisatiereserve niet tot de lasten van de rioolheffing kan worden gerekend, ongewijzigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van het college wordt ongegrond verklaard en de dotatie aan de egalisatiereserve wordt niet tot de lasten van de rioolheffing gerekend.

Uitspraak

15 maart 2019
Nr. 18/01955
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld(hierna: het College) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 27 maart 2018, nr. 16/01241, op het hoger beroep van
Stichting [X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 15/1314) betreffende aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslagen in de rioolheffing van de gemeente Westerveld. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Het College heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende, een woningcorporatie, is eigenaar van een aantal woningen in de gemeente Westerveld (hierna: de gemeente). De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende ter zake van die woningen voor het jaar 2014 aanslagen rioolheffing opgelegd.
2.1.2.
Volgens de Programmabegroting van de gemeente belopen de voor het jaar 2014 geraamde baten van de rioolheffing € 2.936.786 en de geraamde lasten € 2.933.286. Tot de geraamde lasten is gerekend een bedrag van € 821.441 dat wordt gedoteerd aan de egalisatiereserve riolering (hierna: de egalisatiereserve).
2.2.1.
Voor het Hof was in geschil of het in 2.1.2 vermelde bedrag van € 821.441 tot de geraamde lasten kan worden gerekend.
2.2.2.
Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de gemeente in 2004 de tot dat jaar bestaande egalisatiereserve heeft omgezet in een voorziening, en die voorziening in 2008 weer heeft omgezet in een egalisatiereserve om de vrijheid te houden het geld uit te geven aan een ander doel dan de riolering. De egalisatiereserve kan daarom niet materieel gelijk worden gesteld met een voorziening en de dotatie aan die reserve kan niet tot de lasten worden gerekend, ook al is sprake van een bestemmingsreserve. Het Hof heeft de Verordening rioolrechten van de gemeente voor het jaar 2014 onverbindend verklaard omdat de begrote baten de begrote lasten terzake met meer dan 10% overtroffen en de aanslagen vernietigd.
2.3.1.
Het eerste middel betoogt dat het Hof heeft miskend dat alle overschotten in de rioolrechten en rioolheffingen die na 2008 zijn ontstaan en aan de egalisatiereserve zijn toegevoegd, zijn geoormerkt en aangewend voor de riolering zodat materieel sprake is van een voorziening.
2.3.2.
Voor de raming van baten en lasten ter zake van rioolheffing geldt als uitgangspunt dat deze niet in strijd mag komen met de voor de gemeente geldende comptabiliteitsvoorschriften, zoals die zijn neergelegd in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (Stb. 2003, 27; hierna: het BBV). Het BBV maakt een onderscheid tussen (bestemmings)reserves die onderdeel zijn van het eigen vermogen (artikel 43 BBV Pro) en voorzieningen (artikel 44 BBV Pro) die geen onderdeel zijn van het eigen vermogen. Alleen toevoegingen aan een voorziening kunnen tot de lasten ter zake van de riolering worden gerekend. Bij de beoordeling of een post moet worden aangemerkt als een reserve of een voorziening is de benaming niet doorslaggevend (vgl. HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:253).
2.3.3.
Het Hof heeft zijn oordeel dat in dit geval de onder de naam egalisatiereserve vermelde post niet kan worden aangemerkt als een voorziening, doen steunen op de hiervoor, bij 2.2.2, genoemde omstandigheid dat de gemeenteraad in 2008 de toen bestaande voorziening als egalisatiereserve is gaan aanmerken met het oogmerk vrijelijk over de gereserveerde gelden te kunnen beschikken. Hierin ligt besloten dat deze omstandigheid naar het inzicht van het Hof zwaarder weegt dan de omstandigheid dat de reserve daarna is geoormerkt en aangewend voor de riolering.
Deze aan het Hof voorbehouden waardering van de feiten is niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd.
2.4.
Het tweede middel kan evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, omdat het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.5.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

3.Proceskosten

Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 18/01957 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld in de kosten van belanghebbende van het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 2.048, derhalve € 1.024, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en
A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2019.
Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld wordt een griffierecht geheven van € 508.