Belanghebbende heeft in de periode juli 2011 tot en met april 2012 BPM betaald over diverse auto’s en hiertegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft een deel van de bezwaren gehonoreerd, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank Gelderland. De rechtbank verklaarde de beroepen niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de wettelijke beroepstermijn van zes weken, maar kende belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Het Hof bevestigt dat de beroepen terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard omdat de beroepstermijn niet betwist werd en de wettelijke termijn niet in strijd is met het Unierecht. De rechtbank heeft de immateriële schadevergoeding van € 3.000 terecht toegekend voor de overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase, waarbij het Hof oordeelt dat deze vergoeding niet per zaak maar gezamenlijk geldt.
Daarnaast veroordeelt het Hof de Staat tot betaling van wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding vanaf vier weken na de uitspraak van de rechtbank tot aan volledige betaling. De vordering tot rentevergoeding over het griffierecht wordt afgewezen omdat de wettelijke regeling geen rentevergoeding op griffierechten voorziet. Tot slot wordt de proceskostenvergoeding in hoger beroep vastgesteld op € 751,50 en wordt het betaalde griffierecht van € 251 aan belanghebbende vergoed.