4.Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft het volgende overwogen (de heffingsambtenaar wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘verweerder’):
“
Beroep op betalingsonmacht griffierecht
1. [X] heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan voor de betaling van het griffierecht.
Dat beroep wordt afgewezen omdat het niet is onderbouwd, ook niet nadat [X] daartoe de gelegenheid is gegeven. [X] heeft het griffierecht in deze zaak betaald.
2. [X] voert aan dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld omdat rekening moet worden gehouden met de maatregelen die zijn genomen in verband met de coronapandemie. Zij wijst daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021. [voetnoot 1: ECLI:NL:HR:2021:1974.] 3. De rechtbank overweegt dat de waardepeildatum in dit geval 1 januari 2018 is en dat de coronapandemie op dat moment nog niet aan de orde was. De coronamaatregelen zijn dus niet van invloed op de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum. Zelfs in het geval dat op grond van artikel 18, derde lid, onder c, van de Wet WOZ van de toestand per 1 januari 2019 zou moeten worden uitgegaan, zou dat niet anders zijn omdat ook op die datum de coronamaatregelen nog niet aan de orde waren.
4. De rechtbank overweegt dat de beroepsgrond ook niet slaagt voor zover [X] bedoelt dat de coronamaatregelen zijn weerslag hebben op het leegstandsrisico, dat volgens [X] over de komende 10 jaren (2019 tot 2029) berekend moet worden. Ook in dat kader geldt namelijk dat de coronapandemie op 1 januari 2018 nog niet te voorzien was zodat die omstandigheid ook niet tot uitdrukking komt in de te verwachten leegstand per die datum.
5. In deze zaak gaat het om een in ca. 1899 gebouwd object dat in gebruik is als kantoor. Het kantoor heeft een oppervlakte van 431 m². De heffingsambtenaar is uitgegaan van een bruto huurwaarde van € 81.330,- per jaar (huurwaarde per m²: € 189,-). De heffingsambtenaar heeft om de huurwaarde van dit object te onderbouwen een vergelijking gemaakt met gerealiseerde huurprijzen uit de markt van soortgelijke objecten in het centrum van [Z] rondom de waardepeildatum. Voor de kapitalisatiefactor is de heffingsambtenaar uitgegaan van 13,2. De heffingsambtenaar heeft de kapitalisatiefactor bepaald door verkoopcijfers van vergelijkbare objecten te delen door getaxeerde huurwaarden. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van het object niet te hoog heeft vastgesteld. Zowel de huurwaarde van het object als de kapitalisatiefactor is in vergelijking met het gemiddelde van de gehanteerde referentieobjecten lager.
6. Wat [X] in beroep aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Volgens [X] , die een waarde van € 899.000,- voorstaat, is een kantoor op de begane grond niet te vergelijken met een kantoor op een hogere verdieping. De rechtbank ziet zonder onderbouwing niet in dat er wat de waarde betreft gedifferentieerd moet worden tussen kantoren op de begane grond en die op een etage. De heffingsambtenaar heeft hierover aangevoerd dat uit de marktgegevens niet blijkt dat er een differentiatie moet worden aangebracht tussen begane grondkantoren en kantoren op een hogere bouwlaag. De rechtbank verwerpt daarom het betoog van [X] dat de referentieobjecten die niet op de begane grond gelegen zijn niet vergelijkbaar zijn met het object. De rechtbank acht deze referentieobjecten goed vergelijkbaar gelet op met name omvang en ligging.
De beroepsgrond slaagt niet.
Immateriële schadevergoeding
7. [X] heeft aan de rechtbank verzocht om een schadevergoeding toe te kennen in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet. Vanwege dit verzoek is de Staat na sluiting van het onderzoek aangemerkt als partij in deze zaak. De minister voor Rechtsbescherming voert het beleid dat hij in dit soort zaken geen verweer voert. De rechtbank heeft het onderzoek daarom niet heropend.
8. Een redelijke termijn voor de behandeling van een zaak in bezwaar en beroep gezamenlijk is in de regel twee jaar, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. [voetnoot 2: Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.] De rechtbank ziet aanleiding de redelijke termijn te verlengen. Hiervoor is van belang dat de rechtbank op 13 oktober 2021 een beroep op betalingsonmacht griffierecht (bobog) van de gemachtigde van [X] heeft ontvangen. Bij een dergelijk verzoek moeten de gegevens over het inkomen en vermogen van een belanghebbende worden overgelegd, maar omdat dit niet was gedaan is de gemachtigde in staat gesteld het verzoek aan te vullen. De gemachtigde heeft vervolgens niet aan het verzoek van de rechtbank voldaan om gegevens over het inkomen en vermogen over te leggen, maar heeft op 7 februari 2022 opnieuw een verzoek tot vrijstelling van het griffierecht gedaan met een beroep op betalingsonmacht, zonder de benodigde gegevens bij te voegen. Het griffierecht is uiteindelijk op 5 april 2022 betaald. Hierdoor is een vertraging in de procedure ontstaan van afgerond zes maanden. Zolang het griffierecht niet is voldaan, ligt de procedure namelijk stil, zoals de gemachtigde bekend is. Deze vertraging is aan de gemachtigde toe te rekenen. In het feit dat sprake is van een kansloos beroep op betalingsonmacht ziet de rechtbank een bijzondere omstandigheid die louter leidt tot nodeloze vertraging. [voetnoot 3: Zie ook Rechtbank Midden-Nederland 31 mei 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2562 en de RBGEL van 31 augustus 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4950] De redelijke termijn wordt daarom verlengd met afgerond zes maanden, van 13 oktober 2021 tot 5 april 2022. Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar op 18 augustus 2020 ontvangen. De (verlengde) redelijke termijn van twee jaar en zes maanden is (afgerond) met acht maanden overschreden. 9. Voor de schadevergoeding wordt als uitgangspunt een tarief gehanteerd van € 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bedraagt in dit geval € 1.000,- (2 x € 500,-).
10. Gelet op het feit dat de behandeling van het bezwaar (afgerond) zes maanden heeft geduurd, valt de overschrijding van de termijn niet toe te rekenen aan de heffingsambtenaar. De termijnoverschrijding is daarom volledig toe te rekenen aan de Staat. De rechtbank zal de Staat veroordelen tot het betalen van € 1.000,- aan [X] als vergoeding van door haar geleden immateriële schade.
11. De rechtbank ziet aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die [X] in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 837,- (1 punt voor het verzoek en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5 (omdat de proceskostenvergoeding wordt toegekend enkel door de toekenning van een immateriële schadevergoeding). [voetnoot 4: Hoge Raad, 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660, onder 2.3.1 en 2.3.2.] Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
12. Omdat het beroep ongegrond is, hoeft de heffingsambtenaar het door [X] betaalde griffierecht niet te vergoeden.
13. Het verzoek om schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn heeft [X] gedaan gedurende het beroep, overeenkomstig artikel 8:91, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarvoor was [X] geen griffierecht verschuldigd, wat volgt uit artikel 8:94, tweede lid, van de Awb. Voor het verzoek is dan ook geen griffierecht geheven, zodat geen sprake kan zijn van vergoeding daarvan.”