ECLI:NL:GHAMS:2021:499
Gerechtshof Amsterdam
- Tussenbeschikking
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot verwijdering BKR-registratie afgewezen; beslissing aangehouden tot uitspraak Hoge Raad
In deze civiele procedure verzoekt [verzoeker] het Gerechtshof Amsterdam om de verwijdering van bijzonderheidscoderingen in het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) van het Bureau Krediet Registratie (BKR), die door de Rabobank zijn geregistreerd vanwege betalingsachterstanden op een zakelijk krediet. De Rabobank heeft verweer gevoerd en het hof heeft het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen.
De feiten zijn onbetwist: in 2006 verstrekte de Rabobank een zakelijk krediet aan de eenmanszaak van [verzoeker], waarbij betalingsproblemen ontstonden in 2010. Na het staken van de activiteiten via de eenmanszaak en het voortzetten via een B.V., bleef de schuld onbetaald, ondanks betalingsregelingen. De Rabobank registreerde daarom in 2017 de betalingsachterstand en opeising bij het BKR. In 2018 werd het openstaande bedrag voldaan, maar de registratie blijft tot 2023 zichtbaar.
Het hof overweegt dat de verwerking van persoonsgegevens door Rabobank en BKR rechtmatig is op grond van artikel 6 lid 1 onder Pro c en/of f AVG in samenhang met de Wet op het financieel toezicht. Er bestaan verschillende opvattingen in de lagere rechtspraak over de juiste grondslag, waarvoor de Hoge Raad prejudiciële vragen heeft gesteld. Het hof besluit de hoofdzaak aan te houden tot de uitspraak van de Hoge Raad.
Voor het provisionele verzoek tot onmiddellijke verwijdering van de BKR-registratie weegt het belang van Rabobank en potentiële kredietverstrekkers zwaarder dan het belang van [verzoeker]. Het risico op onomkeerbare gevolgen bij tijdelijke verwijdering is te groot. Daarom wijst het hof het provisionele verzoek af en houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de eindbeschikking in de hoofdzaak.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige verwijdering van BKR-registraties wordt afgewezen en de hoofdzaak wordt aangehouden tot uitspraak van de Hoge Raad.