Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
1 december 2009 vier zogenoemde richtinggevende arresten gewezen (Dexia/Van der Heijden (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4978), Dexia/Bouwhuis (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981), Dexia/Madarie (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4982) en Dexia/Wijbenga (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4983), waarbij is voortgebouwd op de uitgangspunten en het beoordelingskader blijkend uit de overwegingen en de beslissingen van de Hoge Raad in zijn arresten van 5 juni 2009. Aan de arresten van het hof is een breed gevoerd debat vooraf gegaan, waarin Dexia en belangenbehartigers van groepen van afnemers uitvoerig hun standpunten naar voren hebben gebracht. Tegen twee arresten van
1 december 2009 is beroep ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft bij arresten van 29 april 2011 (Van der Heijden/Dexia (ECLI:NL:HR:2011:BP4003) en Bouwhuis/Dexia (ECLI:NL:HR:2011:BP4012)) het beroep tegen die arresten verworpen.
grief Iin principaal hoger beroep terecht voorgesteld, slaagt
grief IIgedeeltelijk voor wat betreft leaseovereenkomst 1 en faalt
grief III.De tweede grief van [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep treft doel voor zover die betrekking heeft op leaseovereenkomst 2. De overige grieven in incidenteel hoger beroep falen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de uit de hofformule voortvloeiende (subsidiaire) vordering van Dexia zal (gedeeltelijk) worden toegewezen, met inachtneming van het voorgaande.