Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:422

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
24/1673 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1b WWArt. 8 WWArt. 16 WWArt. 20 WWArt. 22a WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens werkzaamheden in het economisch verkeer en boete voor schending inlichtingenplicht

Appellante ontving sinds januari 2019 een WW-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per juni 2019 vanwege verblijf in het buitenland anders dan vakantie. Na een intern onderzoek bleek dat appellante vanaf maart 2019 deelnam aan opnames van een televisieprogramma in Spanje, wat werd aangemerkt als werkzaamheden in het economisch verkeer. Hierdoor verloor zij haar recht op WW-uitkering vanaf die datum.

Het UWV trok de uitkering over maart tot en met juni 2019 in en vorderde €3.755,18 terug. Tevens legde het een boete van €1.877,59 op wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat zij niet beschikbaar was voor arbeid gedurende de opnameperiode en de inlichtingenplicht had geschonden.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij slechts gedurende de opnamedagen niet beschikbaar was en dat de deelnemersovereenkomst op elk moment kon worden opgezegd. Ook stelde zij dat er dringende redenen waren om terugvordering en boete te matigen vanwege persoonlijke omstandigheden. De Raad oordeelde echter dat appellante vanaf 26 maart 2019 geen recht meer had op WW-uitkering omdat zij werkzaamheden verrichtte die haar hoedanigheid als werknemer deden vervallen. De boete was terecht opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht. Dringende redenen om af te zien van terugvordering en boete werden niet aangenomen. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WW-uitkering en de boete wegens schending van de inlichtingenplicht worden bevestigd.

Uitspraak

24/1673 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 juni 2024, 23/6331 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 2 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WW-uitkering van appellante over de periode van 1 maart 2019 tot en met 30 juni 2019 heeft ingetrokken en een bedrag van € 3.755,18 (bruto) aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering heeft teruggevorderd. Daarnaast dient de vraag te worden beantwoord of het Uwv terecht een boete heeft opgelegd ter hoogte van € 1.877,59 wegens schending van de inlichtingenplicht. De Raad beantwoordt deze vragen bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.T. Ghaffari, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 november 2025. Voor appellante is mr. Ghaffari verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.R. van Piggelen-Staarthof.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellante ontving sinds 20 januari 2019 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op verzoek van appellante heeft het Uwv de WW-uitkering met ingang van 24 juni 2019 beëindigd vanwege verblijf in het buitenland anders dan wegens vakantie.
1.2.
Naar aanleiding van een interne melding van 2 november 2022 heeft de afdeling Handhaving van het Uwv een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellante betaalde WW-uitkering wegens een mogelijk eerder dan 24 juni 2019 verblijf in het buitenland anders dan wegens vakantie en een mogelijke overtreding van de inlichtingenplicht. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapport van 27 januari 2023. Het Uwv heeft dossieronderzoek gedaan en – omdat appellante niet wilde verschijnen op een gesprek bij het Uwv en ook geen informatie wilde verstrekken – nadere gegevens, zoals bankgegevens en IP-login gegevens, opgevraagd. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat appellante op 26 maart 2019 is vertrokken naar Spanje en daar op grond van een overeenkomst tussen haar en een productiebedrijf (deelnemersovereenkomst) heeft deelgenomen aan opnames voor een televisieprogramma.
1.3.
Het Uwv heeft op basis van de onderzoeksbevindingen bij besluit van 12 april 2023 de WW-uitkering van appellante over de periode van 1 maart 2019 tot en met 30 juni 2019 herzien (lees: ingetrokken) en een bedrag van € 3.755,18 (bruto) aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering teruggevorderd, omdat appellante niet heeft doorgegeven dat zij vanaf 26 maart 2019 in het buitenland verbleef anders dan wegens vakantie en zij daarom geen recht had op de WW-uitkering. Daarnaast heeft het Uwv bij besluit van 12 april 2023 aan appellante een boete opgelegd ter hoogte van € 1.877,59 wegens schending van de inlichtingenplicht.
1.4.
Bij beslissing op bezwaar van 20 november 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 12 april 2023 ongegrond verklaard. Hierbij aan heeft het Uwv de eerdere grondslag verlaten en nu aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante door het ondertekenen van de deelnemersovereenkomst in de in geding zijnde periode niet beschikbaar was voor arbeid en daarom in die periode geen recht had op een WW-uitkering. Door daarvan geen mededeling te doen aan het Uwv heeft appellante de inlichtingenplicht geschonden. Daarom is appellante terecht een boete opgelegd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellante in de periode van 26 maart 2019 tot en met 24 juni 2019 niet beschikbaar was voor arbeid en dat niet heeft medegedeeld aan het Uwv. Ten tijde van het ondertekenen van de deelnemersovereenkomst, waarin een verschijningsplicht is opgenomen, wist appellante dat ze in die hele periode niet beschikbaar zou zijn voor arbeid. Dat appellante de deelnemersovereenkomst op elk moment kon opzeggen, is niet aannemelijk geworden. Anders dan appellante naar voren heeft gebracht, blijkt dit niet uit de tekst van de overeenkomst, waarin enkel een mogelijkheid voor ontbinding door de producent is opgenomen. Daarnaast heeft appellante, in tegenstelling tot wat zij zelf stelt, de inlichtingenplicht geschonden door het Uwv niet mede te delen dat zij de deelnemersovereenkomst had ondertekend. Verder heeft de rechtbank appellante niet gevolgd in de stelling dat het Uwv haar recht op WW-uitkering bij benadering had kunnen vaststellen en de uitkering niet over de hele periode had mogen herzien, omdat de daadwerkelijke opnamedagen inmiddels bekend waren. De schending van de inlichtingenplicht over de hele periode vloeit immers voort uit het ondertekenen van de deelnemersovereenkomst. Dat betekent dat niet wordt toegekomen aan het (achteraf) vaststellen van de feitelijke beschikbaarheid van appellante in de genoemde periode. Als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht is het Uwv verplicht de WW-uitkering van appellante te herzien en het te veel betaalde bedrag terug te vorderen, tenzij er dringende redenen zijn om daarvan af te zien. Appellante heeft dergelijke dringende redenen niet gesteld.
2.2.
Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv verplicht was aan appellante een boete op te leggen omdat zij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Het Uwv is volgens de rechtbank bij het vaststellen van de hoogte van de boete terecht uitgegaan van een normale verwijtbaarheid.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat de deelnemersovereenkomst geen invloed heeft gehad op haar beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. Uit haar houding en gedrag kan niet de conclusie worden getrokken dat zij wist dat zij in de hele in geding zijnde periode niet beschikbaar zou zijn voor arbeid. Uit de deelnemersovereenkomst volgt dat partijen in onderling overleg afstemmen wanneer de opnames van de deelnemer zullen worden gemaakt. Uit deze bewoordingen blijkt volgens appellante niet dat zij een verschijningsplicht had voor de hele opnameperiode. Daarnaast kon appellante de deelnemersovereenkomst op elk moment opzeggen zonder opgave van redenen. Zij was dus steeds beschikbaar om arbeid te aanvaarden. Verder heeft appellante over de schending van de inlichtingenplicht aangevoerd dat die enkel kan zien op de korte periode waarin zij heeft deelgenomen aan de opnamedagen van 26 maart tot en met 29 maart 2019, toen zij gedurende die vier dagen niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt. Het Uwv mocht de WW-uitkering volgens appellante daarom alleen over de periode van 26 maart 2019 tot en met 29 maart 2019 herzien en terugvorderen.
3.1.
Verder heeft appellante, met een beroep op de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024, [1] aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van de herziening, terugvordering en het opleggen van de boete af te zien. Het Uwv dient volgens appellante rekening te houden met haar financiële, sociale en psychische problemen die zijn ontstaan door de terugvordering. Appellante heeft in dit verband een door haar opgestelde verklaring over haar persoonlijke omstandigheden van 30 oktober 2024 overgelegd en een factuur van een door haar gevolgde cursus mindfulness.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. In wat appellante heeft aangevoerd heeft het Uwv geen aanleiding gezien voor het aannemen van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien. Volgens het Uwv is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenplicht en is de terugvordering in de gegeven omstandigheden niet belastend voor appellante. Er wordt momenteel niet ingevorderd. Ter zitting heeft het Uwv een nadere toelichting gegeven bij het gestelde beëindigen van het recht en het daarop van toepassing zijnde wettelijke kader.

Het oordeel van de Raad

5. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Intrekking en terugvordering
5.1.
Bij besluiten tot beëindiging, herziening, intrekking en terugvordering van WWuitkering gaat het om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het in een geval als deze aan het Uwv is om de feiten aan te dragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat appellante niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden. Als het Uwv aan deze bewijslast heeft voldaan, ligt het vervolgens op de weg van betrokkene om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
5.1.1.
Het begrip ‘beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden’ in artikel 16, van de WW, geeft een feitelijke toestand weer waarin de werknemer verkeert. Dit betekent dat de vraag of een werknemer al dan niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval waaronder houding en gedrag van de betrokken werknemer, zal moeten worden beantwoord. Indien er geen feiten en omstandigheden vallen aan te wijzen waaruit zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat een werknemer niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden en het Uwv desondanks op grond van houding en gedrag van de betrokken werknemer tot een niet beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden wenst te concluderen, zal in zo’n geval ondubbelzinnig moeten vaststaan dat de betrokken werknemer door houding en gedrag en eenduidig te kennen heeft gegeven, althans heeft doen blijken dat hij of zij zich niet voor arbeid op de arbeidsmarkt beschikbaar stelt noch wil stellen. Dit is vaste rechtspraak van de Raad. [2] De wetgever heeft met de wijzigingen van de WW in 2015 in dat begrip geen verandering willen brengen en die wijzigingen hebben in die rechtspraak dan ook geen verandering gebracht.
5.1.2.
Volgens vaste rechtspraak kan aan het begrip ‘beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden’ geen normering worden ontleend met betrekking tot de omvang van die beschikbaarheid of met betrekking tot de plaats en de aard van die arbeid op de arbeidsmarkt. Het begrip geeft een feitelijke toestand weer waarin de werknemer verkeert. [3] De beschikbaarheid moet wel realiteitswaarde hebben. Indien een werknemer zich bijvoorbeeld alleen beschikbaar houdt voor een werkgever, terwijl die werkgever hem geen arbeid ter beschikking kan of wilde stel in verband met een concurrentiebeding is de beschikbaarheid volstrekt illusoir en mist deze elke realiteitswaarde.
5.1.3.
Het gaat er verder niet om of betrokkene beschikbaar is voor arbeid als werknemer, maar voor arbeid op de arbeidsmarkt, waaronder dus ook moet worden begrepen arbeid als zelfstandige [4] of andere activiteiten die op verwerven van inkomsten zijn gericht. Dit betekent dat er ook werkloosheid intreedt in gevallen waarin sprake is van activiteiten die op het verwerven van inkomsten zijn gericht, direct na het wegvallen van arbeidsuren. Er is dan immers sprake van beschikbaarheid en arbeidsurenverlies.
5.1.4.
Die activiteiten hebben echter wel direct gevolgen voor het recht op WW-uitkering. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de WW behoudt een persoon wiens dienstbetrekking geheel of gedeeltelijk is geëindigd, de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd. Op grond van artikel 1b, vijfde lid, van de WW, worden voor deze werknemer die de hoedanigheid van werknemer verliest de uren die worden besteed aan de werkzaamheden als zelfstandige of andere activiteiten aangemerkt en toegerekend als fictief inkomen. In artikel 20, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de WW is dan vervolgens geregeld in welke mate die fictieve inkomsten van invloed zijn op het recht op WWuitkering. Dat recht eindigt, eenvoudig gezegd, met ingang van de eerste kalendermaand waarin de werknemer niet meer werkloos is omdat hij inkomen heeft dat meer dan 87,5% van het maandloon is.
5.2.
Gelet op deze systematiek en de samenhang tussen de artikelen 1b, 8, 16 en 20 van de WW, wordt het Uwv niet gevolgd in zijn standpunt dat appellante gedurende de gehele periode van 26 maart 2019 tot en met 26 juni 2019 niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden. De enkele omstandigheid dat appellante in de genoemde periode op basis van de deelnemersovereenkomst deelnam aan opnames van een televisieprogramma in Spanje is daarvoor onvoldoende. Niet is ondubbelzinnig komen vast te staan dat appellante door houding en gedrag duidelijk en eenduidig te kennen heeft gegeven zich niet voor arbeid op de arbeidsmarkt beschikbaar te (willen) stellen.
5.3.
Het Uwv wordt wel gevolgd in het standpunt dat appellante vanaf 26 maart 2019 geen recht meer had op WW. In dit geval dat sprake is van werkzaamheden uit hoofde waarvan appellante haar hoedanigheid als werknemer in de zin van artikel 8 van Pro de WW heeft verloren. Volgens vaste rechtspraak moet het hierbij gaan om activiteiten die in het economische verkeer worden verricht en waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht. Bij de vraag of sprake is van arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht komt betekenis toe aan de aard van de activiteiten en omgeving waarbinnen die activiteiten worden verricht. [5]
5.4.
In de door appellante ondertekende deelnemersovereenkomst is bepaald dat het selectieweekend loopt van 1 tot en met 4 maart 2019 en de productieperiode van eind maart 2019 tot en met augustus 2019 en nog een te bepalen dag in december 20219 ten behoeve van een terugblik, gezamenlijk te noemen de opnameperiode. Gedurende deze periode werd van appellante als deelnemer de volledige medewerking verlangd en werd verlangd dat zij op de afgesproken tijd zal verschijnen bij de opnames. Hieruit en uit het schema met draaidagen, die liepen van 28 februari 2019 tot en met 16 augustus 2019, volgt dat gedurende de gehele in geding zijnde periode van 1 maart tot en met 30 juni 2019 sprake was van activiteiten in het kader van een televisieprogramma. Appellante heeft vanaf de start van de opnameperiode meegedaan met het programma en heeft ook het grootste gedeelte van deze periode in Spanje doorgebracht. Deze activiteiten worden aangemerkt als werkzaamheden die zijn verricht in het economisch verkeer, nu daarmee het verkrijgen van geldelijk voordeel was beoogd dan wel het volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kon worden verwacht. Dat appellante – naar zij stelt – naast bedoelde activiteiten ook beschikbaar was voor de arbeidsmarkt maakt dat, gelet op wat is overwogen onder 4.1.1 tot en met 4.1.4, niet anders.
5.5.
Op grond van artikel 1b, vijfde lid, van de WW in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW, bedraagt het aan appellante toe te rekenen fictieve inkomen over deze activiteiten over de maanden maart 2019 tot en met juni 2019 meer dan 87,5% van het maandloon. Om die reden is het recht op WW-uitkering van appellante geëindigd per 1 maart 2019.
5.6.
Het Uwv was op grond van de artikelen 22a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW daarom gehouden de uitkering van appellante in te trekken en de onverschuldigd betaalde uitkering op grond van de artikelen 36, eerste lid, van de WW over de periode van 1 maart 2019 tot en met 30 juni 2019 terug te vorderen. Dit zijn de maanden waarover het recht op WW is beoordeeld. Dit is slechts anders indien sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van herziening of terugvordering af te zien.
Dringende reden
5.7.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden voortaan als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
5.8.
De Raad is van oordeel dat het Uwv geen aanleiding heeft hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van de herziening en terugvordering af te zien. Het Uwv heeft in de situatie van appellante zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de herziening en terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende meegewogen. De oorzaak van de herziening en terugvordering is geheel aan appellante te wijten vanwege de schending van haar inlichtingenverplichting. Verder is gebleken dat het Uwv adequaat en voortvarend gehandeld. Het Uwv ontving op 2 november 2022 een interne melding en op 16 november 2022 is het onderzoek naar de rechtmatigheid van de WW-uitkering van appellante opgestart. Het onderzoeksrapport is op 27 januari 2023 afgerond en appellante is op 13 maart 2023 op de hoogte gesteld van de bevindingen. Na ontvangst van de reactie van appellante eind maart 2023 heeft het Uwv op 12 april 2025 de primaire besluiten genomen. Bovendien betrof het een afgesloten uitkeringsperiode, waardoor het terugvorderingsbedrag niet is opgelopen. De verklaring van appellante van 30 oktober 2024 geeft ook geen aanleiding om geheel of gedeeltelijk van intrekking en terugvordering af te zien. Niet gebleken is van een causaal verband tussen de intrekkings- en terugvorderingsbesluiten en wat appellante omtrent haar persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd. Verder is van belang dat tot op heden niet wordt ingevorderd. Gelet hierop is er geen aanleiding om in dit geval de (financiële) gevolgen van het herzienings- en terugvorderingsbesluit voor appellante als onevenredig te beoordelen.
Boete
5.9.
Volgens vaste rechtspraak is de bewijslast voor het opleggen van een boete zwaarder dan die bij de toepassing van de bevoegdheid tot beëindiging, herziening of intrekking van een uitkering op de grond dat de inlichtingenplicht is geschonden en van de bevoegdheid tot terugvordering wegens onterecht of tot een te hoog bedrag ontvangen uitkering. [6] Dit brengt mee dat het Uwv moet aantonen dat appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden door geen mededeling te doen van het feit dat zij heeft deelgenomen aan opnames van een televisieprogramma in Spanje in de betreffende periode.
5.10.
Vaststaat dat appellante niet aan het Uwv heeft gemeld dat zij deze activiteiten heeft verricht. Appellante heeft daarmee de inlichtingenplicht geschonden en haar kan hiervan een verwijt worden gemaakt. Het Uwv was daarom gehouden een boete op te leggen. Het Uwv terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid en is in verband hiermee de boete terecht vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag. Deze opgelegde boete is evenredig.

Conclusie en gevolgen

5.11.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit tot intrekking en terugvordering van de WW-uitkering en het opleggen van een boete in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en S. Wijna en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) C.E.A. Tessemaker
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van artikel 8 van Pro de Werkloosheidswet.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Werkloosheidswet
Artikel 1b
[…]
5. Indien de werknemer de hoedanigheid van werknemer, bedoeld in artikel 8, eerste lid, verliest of heeft verloren, anders dan door het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 8, vierde lid, dan wel indien de werknemer in een kalenderweek minder beschikbaar voor arbeid is dan zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek, bedoeld in artikel 16, tweede lid, wordt onder zijn inkomen in een kalendermaand tevens verstaan:
(A + B) x C / D. Hierbij staat:
A voor het aantal uren in een kalendermaand waarover de werknemer de hoedanigheid van werknemer verliest of heeft verloren als bedoeld in artikel 8, voor zover het uren betreft op dagen waarop recht op uitkering bestaat;
B voor het aantal arbeidsuren in een kalendermaand dat de werknemer minder beschikbaar is voor arbeid wegens andere omstandigheden dan ziekte, arbeidsongeschiktheid of omdat hij deelneemt dan wel gaat deelnemen aan een naar het oordeel van het UWV noodzakelijke opleiding of scholing als bedoeld in artikel 76;
C voor het dagloon waarnaar de uitkering zou zijn berekend indien dat niet gemaximeerd zou zijn op het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag, dan wel voor de uitkering, bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdeel b, zonder de maximering, bedoeld in artikel 64, vierde en zevende lid, gedeeld door 21,75 als de uitkering betrekking heeft op een periode die aanvangt op de eerste dag en eindigt op de laatste dag van een kalendermaand, dan wel gedeeld door het aantal dagen, bedoeld in artikel 64, zevende lid; en
D voor het gemiddeld aantal arbeidsuren, bedoeld in artikel 16, tweede en zesde lid, gedeeld door 5.
[…]
Artikel 8
1. Een persoon wiens dienstbetrekking geheel of gedeeltelijk is geëindigd, behoudt de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd, behalve als die werkzaamheden worden aangemerkt als vrijwilligerswerk.
[…]
Artikel 16
1. Werkloos wordt de werknemer die:
a. in een kalenderweek ten minste vijf arbeidsuren minder heeft dan zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek of een aantal arbeidsuren heeft dat ten hoogste gelijk is aan de helft van zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek; en
b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.
[…]
Artikel 20
1. Het recht op uitkering eindigt:
a. met ingang van de dag waarop de werknemer geen recht op uitkering meer heeft op grond van artikel 19;
[…]
Artikel 22a
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, herziet het UWV een dergelijk besluit of trekt het dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 24, 25 of 26 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
b. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 25 ertoe Pro leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 25
1. De werknemer is verplicht aan het UWV op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald. Deze verplichting geldt niet, voor zover een recht op uitkering niet geldend kan worden gemaakt als gevolg van een blijvend gehele weigering. Deze verplichting geldt evenmin indien die feiten en omstandigheden door het UWV kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de derde zin van toepassing is.
[…]
Artikel 27a
1. Het UWV legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 25. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 25, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 25, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
[…]
8. Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
[…]

Voetnoten

1.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
2.Zie onder andere CRvB 24 juli 1990, ECLI:NL:CRVB:1990:ZB5779, CRvB 13 december 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:496 en CRvB 27 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2249.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8250.
4.CRvB 15 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8250.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1678.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1678 en van 3 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:470.